Niet-lezen roept associaties op met primitieve samenlevingen, met middeleeuws boerenvolk, met ziekten waarvoor intussen allang een vaccin is uitgevonden. Dat vaccin heet alfabetisering. Toch is ook in Nederland nog lang niet iedereen ingeënt. Zelfs in een rijk en beschaafd land als het onze is een kleine 2 procent van de volwassen bevolking analfabeet en ongeveer 8 procent geldt als functioneel analfabeet, dat wil zeggen dat zij het lezen en het schrijven onvoldoende beheersen om aan het maatschappelijk leven te kunnen deelnemen. Totaal gaat dat dus om een groep van ongeveer anderhalf miljoen volwassenen.

Dat laatste is een verbijsterend groot aantal, zeker als je het combineert met recente berichten over grootscheepse bezuinigingen op het openbare-bibliotheekwerk. Filialen die worden gesloten (onlangs bijvoorbeeld in Zoetermeer en in Muiden), bibliobussen die verdwijnen (bijvoorbeeld in Hoofddorp en Veendam), en zelfs wijkvestigingen in grote steden die worden wegbezuinigd (zoals in Rotterdam en Amsterdam). Toch is dat niet het perspectief dat de Gids-redactie heeft gekozen voor dit nummer. Daarin staat nu eens het ‘niet-lezen’ als cultureel verschijnsel centraal: ‘niet-lezen’ niet zozeer als uiting van het ontbreken van cultuur, maar juist als een onverwachte manifestatie ervan.

Lezen en niet-lezen hoeven niet elkaars tegenpool te zijn, in praktische zin al niet omdat lezen immers ook allerlei niet-lezende bezigheden omvat: zitten of liggen, rondkijkend je geest laten afdwalen, een sigaret opsteken, een bladzij omslaan, naar muziek luisteren, opstaan, weer gaan zitten, aantekeningen maken. En in ons deel van de wereld bestaat voor de meeste mensen niet-lezen in zijn meest pure vorm zelfs niet eens. De niet-lezer bekijkt de vertrekstaat op de bushalte, registreert de tekst op reclameposters, op verkeersborden, ziet de ondertiteling op het tv-scherm, teksten op verpakkingen, naambordjes op deuren. Zoals lezen op duizenden manieren gebeurt, variërend van geconcentreerd en intens tot toevallig en onbewust, zo zijn ook de omstandigheden en gradaties van niet-lezen eindeloos gevarieerd. Als zodanig hebben die verschijningsvormen van niet-lezen schrijvers en kunstenaars op allerlei manieren geïnspireerd.

Sierlijke krullen

Even romantisch als pijnlijk wordt het pure analfabetisme bijvoorbeeld in beeld gebracht door de gebroeders Taviani, in hun verfilming van Luigi Pirandello’s korte verhaal ‘L’altro figlio’, opgenomen in hun vijfluik Kaos uit 1984.

[TOURNIQUET]

Een oude Siciliaanse vrouw genaamd Maragrazia verlangt met heel haar moederhart iets te horen van haar twee zonen die veertien jaar geleden, zoals zovele jongemannen aan het eind van de negentiende eeuw, naar het verre Amerika zijn geëmigreerd. Talloos zijn de brieven die zij, zelf analfabete, al die jaren lang heeft gedicteerd en heeft meegegeven aan latere emigranten, in de hoop ooit een antwoord te krijgen op haar smeekbeden om liefde en om een beetje geld. Terwijl zij haar zoveelste hartverscheurende brief aan het dicteren is (‘Lieve zonen, mijn ogen kunnen geen tranen meer vergieten. Want ze zijn opgebrand door het verlangen om jullie tenminste nog één keer te zien…’) zwenkt de camera naar het papier waarop een jongere dorpsgenote ijverig en toegewijd haar woorden lijkt te noteren. Maar even later zien we dat ze in werkelijkheid sierlijke, nietszeggende krullen tekent, omdat ze zelf al net zo analfabeet is als Maragrazia.

Aanmerkelijk minder romantisch, maar zeker niet minder pijnlijk, is het niet mógen lezen. Het meest extreme gedachte-experiment dat daar door de literaire verbeelding op is losgelaten is zonder twijfel de roman Fahrenheit 451 van Ray Bradbury. Oorspronkelijk geschreven als kort verhaal, beschrijft deze dystopie een wereld waarin zelfs het bezit van boeken verboden is, een verbod dat op totalitaire en agressieve wijze door de staat wordt gehandhaafd. Zoals Bradbury zelf in een interview in The Paris Review (The Art of Fiction No. 203) verklaarde, was het hem in de strekking van zijn boek vooral te doen om een menselijk pleidooi voor individuele vrijheid en vrij toegankelijk schoolonderwijs. Maar in het boek, en al helemaal in de film die François Truffaut er in 1966 op baseerde, blijven de lezer respectievelijk toeschouwer vooral de huiveringwekkende scènes bij waarin de zogenaamde ‘brandweer’, na een daarover ontvangen melding, een huis bestormt en in brand steekt, omdat de bewoners in strijd met de regels er boeken op na houden.

Minder totalitair, maar even benauwend, is het verbod op lezen, zoals bewoners van een gevangenis dat ondergaan. In onze tijd hebben gevangenen televisie tot hun beschikking, een bibliotheek, games, kranten en tijdschriften, maar er zijn letterlijk talloze autobiografische verslagen waarin voormalige gevangenen melding maken van de gekmakende eenzaamheid in een cel, die nooit eens door het lezen van een boek kon worden gelenigd. De gedachte achter het systeem van eenzame opsluiting, zoals negentiende-eeuwse strafrechttheoretici die in het zogenaamde ‘separate system’ van gevangenisbouw hadden doorgevoerd, was dat eenzame opsluiting tot inkeer bij de gevangenen zou leiden. Maar de praktijk was dat mensen er waanzinnig van werden, eindeloos masturbeerden en iedere zelfdiscipline gaandeweg verloren, zodat een terugkeer in de normale mensenmaatschappij eerder bemoeilijkt dan vergemakkelijkt werd.

Leeshonger

De Britse geheim agent Christopher Burney schreef over die ervaring van eenzame opsluiting een subliem boek onder de simpele titel Solitary Confinement (Londen, 1952), waarin hij – kort gezegd – onder woorden probeert te brengen wat er met je geest gebeurt als je lange tijd opgesloten zit en niets te lezen hebt. Burney was een luitenant in het Britse leger die in 1942 in bezet Frankrijk werd geparachuteerd voor een sabotagemissie. Hoewel hij vloeiend Frans sprak, kregen de Duitsers hem te pakken en zat hij, vanaf augustus ’42 tot de bevrijding van Frankrijk veertien maanden later, eenzaam opgesloten in de beruchte gevangenis van Fresnes.

Solitary Confinement werd geschreven jaren na Burneys vrijlating, nadat hij eerst nog enkele maanden in het concentratiekamp Buchenwald had doorgebracht. Toch is het een zeldzaam rechtstreeks en precies verslag van de geestelijke conditie van totale afgeslotenheid. Hij schrijft (p. 114): ‘I hankered after books, and still more after paper and pencil, so that I could dispense with the repetition of every argument that crossed my mind.’ Voor een tamelijk intellectueel ingesteld en belezen mens als Burney vormde de onmogelijkheid om te lezen al die maanden lang een bijna onverdraaglijke aanslag op zijn geestelijke gezondheid. De molenstenen van zijn geest maalden zich aan elkaar stuk, omdat er dag na dag niets tussen gegooid werd om te vermalen. Er was alleen die eindeloos zich herhalende rondgang van steeds dezelfde gedachten.

Op een dag kwam er redding in de vorm van een tekort aan wc-papier, waardoor de Duitse commandant van de enorme gevangenis zich genoodzaakt zag pagina’s uit kranten en boeken aan de gevangenen te laten verstrekken, zodat zij daarmee hun gevoeg konden doen. Zo had Burney op een gegeven moment de laatste pagina’s van een boek in zijn bezit over het leven van Franciscus van Assisi en enkele bladzijden uit een natuurkundige verhandeling over de constante van Planck. Hij stortte zich erop als een uitgehongerd mens. De pointe daarvan lijkt mij te zijn dat een geestelijk uitgehongerd mens op een gegeven moment met willekeurig welk lettervoedsel genoegen neemt. Als er maar iets te lezen is.

Een enkel boek

Een historisch en cultureel beladen variant op het helemaal niets mogen lezen, als verbod van een staat of andere autoriteit, is de situatie dat het mensen in een bepaalde gemeenschap slechts toegestaan wordt om één boek te lezen en dan bij wijze van exclusieve verplichting. Terwijl de uitdrukking ‘homo unius libri’ (een man van één boek) in intellectueel opzicht als zeer denigrerend geldt, zijn er genoeg godsdiensten en ideologieën geweest die er hun bestaan aan ontleenden om één boek boven alle andere te vereren. Dat ‘heilige’ boek, waarin de enige en volledige waarheid te vinden is en niets dan die waarheid, geldt dan als het ultieme bewijsstuk waarmee de betreffende religie haar positie tracht te handhaven. Ter verdere beveiliging werden dan andere boeken niet zelden verboden, zoals de katholieke kerk eeuwenlang probeerde door middel van de Index librorum prohibitorum, of die andere boeken werden verbrand, zoals de nazi’s dat in 1933 op diverse plaatsen in het openbaar deden. Zo werd getracht het niet mógen lezen om te zetten in een niet meer kúnnen lezen.

Een extreem, hoewel vermoedelijk apocrief voorbeeld van een dergelijke vernietiging van ‘alle andere boeken’ is dat van de brandschatting van het hellenistische Alexandrië in het jaar 642 door Mohammedaanse legerscharen onder bevel van de kalief Omar. Toen zijn manschappen hem na de verovering van de stad vroegen of de wereldberoemde bibliotheek van Alexandrië wellicht voor het vuur gespaard zou moeten blijven, antwoordde hij (in de woorden van de Duitse dichter Albrecht Haushofer, die in de cel van een Gestapo-gevangenis van deze historische parabel een sonnet maakte): ‘Was dieser Wust von Büchern mag ermessen,/ Ist überflüssig, steht es im Koran./ Wo nicht, so schadets nur. Drum zündet an!’ (Als dat wat deze stapels boeken weten/ in de Koran staat, zijn ze zonder zin./ Zo niet, dan schaden ze. De brand erin!’).

Wat de exclusieve verering van de protestantse Bijbel betreft toont Benno Barnard in zijn bijdrage aan dit nummer in elk geval duidelijk aan – in weerwil van een hardnekkig idée reçue – hoezeer de Nederlandse domineesgeleerdheid onze nationale belezenheid en geletterdheid juist heeft bevorderd in plaats van afgekneld. Hetzelfde kan worden gezegd van de doorwerking van de taal van de King James Bible op de Engelse literatuur.

Niet meer lezen

Voor wie lezen gelijkstaat aan zelfontplooiing en de mogelijkheid van onbeperkte geestelijke rijkdom, is het een ironisch gegeven dat er ook een in intellectueel opzicht positief beeld van het niet-lezen mogelijk is. Een perspectief dat lezen opvat als een beperking van de vrije geestelijke activiteit, van de levende intellectuele dialoog, ja een obstakel voor de uiterste graad van wijsheid. In de bijdrage van Piet Gerbrandy wordt dat onverwachte perspectief op de westerse intellectuele geschiedenis geprojecteerd. In het klein ziet men hetzelfde weerspiegeld in de aantrekkingskracht die uitgaat van een spreker die zonder papier een bevlogen toespraak of college houdt, zodat zijn of haar woorden rechtstreeks uit het hoofd en het hart lijken te komen in plaats van opgelepeld te worden van de A-viertjes op de katheder. In het groot is er de gezegende staat van wijsheid die een geestelijk leidsman kan bereiken, zonder voortdurend naar geschreven bronnen te hoeven verwijzen.

Het zal een van de bijzondere attracties zijn van sommige van dergelijke bijna bovenmenselijke figuren, dat zij hun inzichten rechtstreeks lijken te ontlenen aan een hogere orde van waarheid, in plaats van aan een door mensenhand geschreven tekstuele bron. Van het gedachtegoed van dergelijke niet-schrijvende leermeesters (Jezus Christus, Boeddha of Socrates) kunnen wij slechts kennisnemen uit de pen van toehoorders en leerlingen die hun lessen al dan niet getrouw hebben genoteerd. Die secundaire bronnen – al staan ze als tekst nog zo hoog aangeschreven – gelden toch als niet meer dan een ‘second-best’-mogelijkheid om in contact te komen met de waarheden die erin worden verkondigd.

Ook in de beroepspraktijk van literaire en wetenschappelijke auteurs is het een bekend gegeven dat mensen zich, ter bescherming van hun concentratie, hun onderzoek of louter hun deadline, afkeren van werken van andere auteurs. Daar kan de door Harold Bloom zo fraai geanalyseerde ‘anxiety of influence’ een rol in spelen, maar ook de gerechtvaardigde en voor het welslagen van projecten noodzakelijke obsessie met een eigen onderwerp kan maken dat beïnvloeding door thema’s en vraagstukken die anderen bezighouden buitengewoon storend werkt. Toen het weekblad Vrij Nederland in 1975 aan Harry Mulisch vroeg wat hij het beste en het slechtste boek van dat jaar vond, antwoordde hij: ‘Ik ben een schrijver, geen lezer.’

In die pontificale verhevenheid van het niet-lezen wordt Mulisch toch nog overklast door de kerkvader Augustinus, die ons in het vooruitzicht stelde dat in het hiernamaals zelfs helemaal niet meer gelezen zal hoeven worden. Daar zal alleen sprake zijn van gelukzalige ervaringen, zodat Gods woord ‘sine lectione, sine litteris’ op directe en duurzame wijze genoten zal kunnen worden. In dat christelijke ideaalbeeld zijn boeken die tijdens het aardse leven gelezen werden slechts een voorproef, een oefening geweest.

Een hogere vorm van lezen

Wat er zij van de verwachting die wij van het hiernamaals mogen koesteren, er is in elk geval in ons wereldse bestaan niet zoiets als een scheiding tussen twee werelden, die van lezers en die van niet-lezers. In zijn meest onschuldige vorm vinden we die twee werelden in de levensfilosofie van de zingende varkensboer Zsupán uit Der Zigeunerbaron van Johann Strauss jr. Zoals hij dat in zijn Eintrittsaria in het eerste bedrijf van die operette met wellustig enthousiasme formuleert, schuilt dat levensmotto in de verheerlijking van braadworst, biggen en zwijnenspek en vooral in de eerste twee regels, die luiden: ‘Ja, das Schreiben und das Lesen/ Ist nie mein Fach gewesen.’ De suggestie is duidelijk: er is de magere wereld van pennen die krassen op droog papier, bevolkt door schriele boekenwurmen. En er is de wereld van het vette geluk, het heerlijke leven van vleselijk genot. Hoevele schrijvers hebben zich niet bij herhaling beklaagd over de onbereikbaarheid van dat volle leven, tegenover de doem van de kunstmatige werkelijkheid in de boekige wereld der letteren? Of zoals de Britse schrijver Frederic Raphael het samenvatte in de verzuchting: ‘Who would be writing love poems, if he could be making love instead?’

Ook in enkele bijdragen aan dit nummer schemert de voor sommigen pijnlijke mogelijkheid door dat het leven zelf een eigen geletterdheid, een ongeschreven wijsheid kent, waarvan de literatuur, de cultuurgeschiedenis, slechts een flauwe en beperkte afspiegeling vormt. Misschien is belezenheid niet zozeer een staat van genade als wel een van de vele manieren, maar lang niet de enige, om door te dringen tot vlak bij het goede, het schone en het ware. Zo bezien kan de inenting met het vaccin van de alfabetisering ook tot een koorts leiden, die doet terugverlangen naar de pure emotie of gedachte, het zuivere begrip van zichzelf en de wereld dat zich door geen enkel lettersysteem laat simplificeren. Niet-lezen als een hiernamaals van de belezenheid, zoals Wiel Kusters het in zijn portret van niet-meer-lezer Kees Fens bedoelt. Niet-lezen als een hogere vorm van lezen.

Het klinkt aanlokkelijk, en je gunt het iedereen, met inbegrip van die anderhalf miljoen mensen in Nederland die nog pas op de eerste trede van de geletterdheid staan.

Maarten Asscher (1957) debuteerde in 1992 met de bundel essayistische verhalen Dodeneiland. Sindsdien publiceerde hij een dozijn boeken in diverse literaire genres en een proefschrift over gevangenschap als literaire ervaring (Het uur der waarheid, 2015). In 2020 ver- schijnt bij De Bezige Bij een autobiografische roman over het leven van zijn Engelse grootouders. 

Meer van deze auteur