Lopende zaken 2022

DIG verhaal

Forelletje

Winnaar Afstudeerprijs 2021

Jutta Callebaut

Op 1 oktober 2021 werd in Theater a/d Rijn te Arnhem de Afstudeerprijs uitgereikt aan de student met het beste literaire afstudeerproject. Jutta Callebaut, die Woordkunst studeerde aan het Koninklijk Conservatorium Antwerpen, won in 2021 met de tekst ‘Forelletje’.



Ik heb beet. Een vis! Een visje! Een forel, hallo, forelletje!
Arm forelletje. Helemaal alleen… in de rivier…
Nee, ik ben niet aan het projecteren.
Helemaal niet.
Niet.
Omdat ik met vissen praat?
Jij praat toch ook met vissen?
Ik zei gewoon hallo. Uit beleefdheid.
Ik zou tegen iedereen hallo hebben gezegd.
Oke, maar dat los je niet op in één, twee, drie.
Misschien kan jij me even gezelschap houden?
Gewoon eventjes hier blijven, eventjes bij mij blijven. Toe?
Als het je niet aanstaat, spring dan terug hè.

 Ik weet niet in welk jaar ik geboren ben, ik herinner mij alleen dat ik in 1934 dertien jaar was.
 Ik zou het kunnen uitrekenen, ja, daar was ik zelf ook al opgekomen. Maar dat doe ik niet, uit principe. Een mens kàn niet weten op welke dag ie geboren is, je kan alleen aannemen wat één of andere dokter heeft opgeschreven. Een baby zijn geheugen werkt nog niet naar behoren.
 Behalve het mijne dan. Het mijne was bovenmatig sterk ontwikkeld toen ik ter wereld kwam. Ik herinner me mijn geboorte in detail. Ik ben alleen naar de datum vergeten vragen wegens omstandigheden.
 Negen maanden aan een stuk had ik zitten fantaseren over hoe de buitenwereld eruit zou zien. Ik had prachtige voorstellingen gemaakt, een spektakel in kleuren met namen die uit meerdere lettergrepen bestaan: ultramarijn blauw, vermiljoenrood en stil de grain geel.
 Ik keek ernaar uit om geboren te worden. In tegenstelling tot de meeste baby’s hield ik mij niet krampachtig vast aan de baarmoederwand. Nee, ik werkte mee en in drie kwartier was ik buiten. Nog net geen wereldrecord.
 Meteen: steken in mijn ogen, pijn aan mijn longen.

 Er is geen ultramarijn, geen vermiljoen, geen stil de grain te bekennen.
 Er zijn alleen de kleuren dof, bleek, vaal.
 Het eerste wat ik zie, is een afgrijselijk lelijk hoofd, dat van de dokter. Immense teleurstelling. Ben heel erg beginnen wenen. Op dat moment wist ik natuurlijk nog niet dat ik zelf ook heel lelijk was, dat heb ik pas ergens najaar 1935 ontdekt, toen ik op de wereldtentoonstelling een prototype van ‘de spiegel’ mocht aanschouwen.
 Wie bedenkt het ook dat je met je ogen alleen maar naar buiten kan kijken? Een mens is anatomisch gezien niet tot zelfinzicht in staat. Je kan naar je armen en benen kijken, oke, maar wat vertellen die behalve dat je nooit goed zal worden in zwemmen of vliegen?

 Ik word opgetild en de dokter zegt: ‘Ah, het is een vrouwtje!’ en daarna: ‘Dit kind heeft een uitzonderlijk goed geheugen, dat zie ìk, màn, van de wètenschap, meteen. Aan mijn moeder - ik herkende haar onmiddellijk, ze had hetzelfde gebit als ik, allebei geen tanden - begin ik in al mijn enthousiasme te beschrijven hoe het in haar baarmoeder was geweest. Ik dacht dat dat haar wel zou interesseren want ze had er zelf nog nooit verbleven, kende hem alleen van de echografieën. Ik wou het ijs een beetje breken, want een eerste kennismaking is altijd ongemakkelijk.
 Blijkbaar was mijn geheugen bovenmatig ontwikkeld, maar stond mijn spraak nog niet op punt. Niemand begreep wat ik aan het vertellen was. Nu ik erover nadenk is er ook weer niet zo veel veranderd.
 Mijn moeder huilt en de dokter geeft mij een klets.

 Mijn vader was niet aanwezig bij mijn geboorte want hij was net op dat moment een koekje gaan halen in de draaiautomaat op de gang. Een Balisto met rozijnen. Twintig frank kostte dat in die tijd nog.
 Je zou kunnen denken dat dat erop wijst dat hij een afwezige vader was, of mijn geboorte niet belangrijk vond, dat hij meer van Balisto’s hield dan van kinderen, maar dat zijn al te makkelijke interpretaties die ik voor een laatste keer door de vingers zal zien.
 Mijn vader was op vraag van mijn moeder die Balisto gaan halen. Nu goed ‘vraag’, haar zin behoorde grammaticaal gezien wel tot de categorie ‘vraagstelling’, de ondertoon was onmiskenbaar dictatoriaal. Beleefd afslaan zou in normale omstandigheden al worden bekocht met grootscheepse repercussies. Geen mens wist waartoe ze in hoogzwangere toestand in staat was.
 Ik ben per ongeluk op de Vlaamse feestdag geboren dus de cafetaria was toe. In het hele ziekenhuisgebouw stond maar één koekjesautomaat, waardoor mijn vader achteraan moest aansluiten bij een rij van ongeneeslijk zieken, vers-geopereerden, en in ziekenhuisbedden-geparkeerde patiënten, een rij die wel twee gangen besloeg. Bij de geboorte van je kind willen zijn, is een schappelijke reden om te vragen of je voor mag, maar hij bedacht dat de mensen om hem heen al te veel leed te verduren hadden gekregen, hij wilde ze niet ook nog eens hun beurt afnemen. Wij wisten dat mijn vader elk excuus aangreep om niet met vreemden te hoeven praten.
 Mijn moeder had met opzet gevraagd om die Balisto te halen, net wanneer ik geboren zou worden. Zodat mijn vader één van de belangrijkste momenten van zijn leven zou missen. Zodat ze die herinnering, zodat ze mij nog even niet met hem hoefde te delen. Ze had er niet aan gedacht dat ik het misschien zelf wel zou appreciëren als mijn vader van de partij was bij mijn geboorte. Ze had er niet bij stilgestaan dat kinderen de gewoonte hebben om op latere leeftijd hun ouders van alles kwalijk te nemen.
 Mijn moeder en vader vochten een strijd uit waarbij onze genegenheid de hoofdprijs was. We waren het zo gewoon dat er om onze aandacht gevochten werd, dat het dik tegensloeg wanneer dat bij non-familiale liefdes niet zo bleek te zijn.
 Toen mijn vader terugkwam met die Balisto, lag ik al ettelijke minuten naakt op mijn moeders buik tentoongesteld voor het verloskundigen-team en een tiental stagiaires die op kijkstage waren. Nog niemand was op het idee gekomen mij kleren aan te trekken, maar goed, ook niemand was op het idee gekomen die Balisto in mijn vaders plaats te gaan halen. Hij was nog net op tijd om te zien hoe de moederkoek ter wereld kwam. Hij begon te huilen en ik was er nog niet mee gestopt. Samen vormden we een prachtige harmonie.
 Gelukkig had hij een camera op statief geplaatst. Hij heeft de video van mijn geboorte achteraf herhaaldelijk met tranen in de ogen bekeken.

 Soms denk ik, forelletje, dat ik het omgekeerde van alzheimer heb. Ik onthoud alsmaar meer en meer. Op de meest ongelegen momenten komen herinneringen bovendrijven. Ik probeer mijn gedachten terug te halen naar het heden. Maar voor ik het weet, is ook dat verleden tijd. Ik heb een herinnering aan drie minuten geleden bijvoorbeeld, maar drie minuten geleden stond ik ook exact op deze plaats in deze positie. In welke tijd zijn we dan? Is dit nu nu of dan toen?
 Ik weet eigenlijk niet eens waar ik al die herinneringen vandaan haal. Daarbij: hoe geloofwaardig is het heden, als het zodra het voorbij is, als het zodra het zich in je hoofd nestelt een andere gedaante aanneemt? Hoeveel belang moet je hechten aan de tegenwoordige tijd? Men zegt dingen als ‘leef in het nu’ alsof ‘nu’ niet het meest vergankelijke moment aller tijden is. Alsof het heden geen vrijblijvende bedoening is die maar niet ophoudt met voorbijgaan.

 Wist je, forel, dat Balisto’s van dieren zijn gemaakt? Ik ook niet tot ik in 1955 op een Balistobeertje stuitte. Ik was al enkele weken op zoek naar de onbewoonde wereld want ik zat vast in het land van herhaling, grootbanken, appartementsblokken, artistieke kruisbestuivingen, telecomoperatoren en groepsvergaderingen. Ik kon er geen millimeter meer van verdragen. Op een dag raakte ik eindelijk het noorden kwijt. Ik was verdwaald, maar verlost: ik kwam aan bij het oerweiland. De krekels tsjirpten er in canon. De sprinkhanen sprongen gaten in de lucht. De vogels slalomden tussen de sprinkhanen door en floten schunnige liedjes. De planten groeiden zo wild dat ze vergeten leken te zijn dat ze met hun wortels vast in de grond zaten. Er heerste geen bedrijvigheid, geen ambitie. Behalve bij de mieren-kolonies, maar die drukte was zo klein in afmeting dat ik het nog net aankon.
 Er stak een wind op en je moet weten, in onze familie hebben wij een genetische afwijking waardoor we vanop kilometers afstand de geur van chocolade kunnen herkennen. Ik heb amper inspraak in m’n eigen driften. Ik moest die geur volgen, of ik wilde of niet.
 Ik kwam uit bij een bizar wezentje van nog geen halve meter groot. Uit zijn gegrom leidde ik af dat het een soort beertje was, maar qua lichaamsbouw leek hij op een meerledige wandelende tak. Hij was gemaakt van Balisto’s. Of om correct te zijn: Balisto’s worden gemaakt van hem.
 Ik ben vegetariër, ik zweer het, maar ik had al meerdere dagen niet gegeten en nood breekt wet en wat betreft chocolade breekt lichte zin ook al wet, dus ik ben als een gek achter dat Balistobeertje aangegaan. Ik ving hem met een zelfgemaakte lasso die zo krakkemikkig in elkaar geknutseld was, dat ik even kon geloven dat het beertje zelf ook heel graag opgegeten wilde worden als het zich door zo’n brol liet vangen. Ik ben erop gesprongen, heb zijn been afgekraakt en naar binnen gewerkt nog voor twijfel of spijt kon toeslaan. En Joost, God en mijn familieleden weten hoe snel beide mij overvallen.

 Uiteindelijk hadden het beertje en ik nog een goed gesprek. Hij weigerde eerst te praten, maar ik heb gedreigd dat ik zijn tweede been ook zou afkraken als hij zo zou blijven mokken. Daarna begon hij honderduit te vertellen over de terreur die zijn soort bedreigde, hoe er overal ter wereld verminkte balistobeertjes rondhinkten. Hij was één van de laatste volledige exemplaren geweest. De spijt sloeg toe. Ik stak mijn vinger in mijn keel en braakte zijn been uit, maar hij viel niet meer in elkaar te puzzelen.
 Het Balistobeertje en ik zijn goede vrienden geworden. Balistobeertjes zijn niet zoals mensen, ze zijn veel vergevingsgezinder.
 Ze hebben een heel slecht geheugen, wat helpt.
 Echt waar.
 Wij hebben mailadressen uitgewisseld en heel soms chatten we op msn. Hij kan alleen maar woorden van twee letters typen. Dus ik stel zo veel mogelijk ja-vragen.

 Nee forel, nee, dat is het niet. Ik vind niet alle mensen vervelend. Je kan moeilijk de hele mensheid, acht miljard verschillende exemplaren over één kam scheren. Ik ken ze ook niet allemaal. Het is gewoon - dat eeuwige communiceren vermoeit me zo.
 Die verzwegen verwijten, de nauwelijks merkbare maar niet mis te verstane toonwijzigingen, de herkauwde platitudes, altijd dezelfde discussies, de roekeloze, slechtgemikte woorden die ik niet kan loslaten of begrijpen, de bijbedoelingen, de misverstanden. Een eindeloze kettingreactie is het.

 In de zomer van 1935 was ik aan zee. Eigenlijk alle andere jaren ook, behalve van 1986 tot 1988 toen ik tijdelijk bij een konijnenroedel verbleef.
 De zon scheen onbehouwen zoals altijd in mijn herinneringen aan zee, of toch zeker zoals de voorkant van de postkaartjes die ik stuurde naar mezelf en bij thuiskomst geëmotioneerd las. Mijn broer, zus en ik waren allerminst hittebestendig. We verbrandden al bij de schrielste zon. Mijn moeder smeerde ons in met een mengsel van drie verschillende factor-vijftig-zonnecrèmes in de hoop dat wiskunde in de praktijk ook steekhield, maar wij waren koppig en verbrandden toch.
 Mijn ouders zagen zich genoodzaakt om onze pijn af te kopen met ijsjes. Wat goed lukte op korte termijn, maar er op lange termijn voor zorgde dat we bij de stranddouches de zonnecrème zo snel mogelijk van ons afwasten en verderop in de duinen, de zon een handje hielpen en met vergrootglazen brandblaasjes op elkaars rug branden. Zo leerden we op jonge leeftijd dat destructief gedrag altijd beloond kan worden met een bolletje straciatella.
 Roodverbrand en etterend staan we aan te schuiven bij het ijsjeskraam. Ik heb een grasgroen t-shirt aan dat vloekt met mijn knalrode short. Mijn short heeft exact dezelfde kleur als mijn verbrand lichaam dus dat matcht heel mooi, denk ik die ochtend nog. ‘s Middags besef ik dat het van ver moet lijken alsof ik helemaal geen broek draag, dus smeer ik om een zeker contrast te creëren, mijn benen alsnog met zoveel mogelijk zonnecrème in.
 De rij staat vol zwetende, halfnaakte, vuurvaste mensen. De jobstudente achter het kraam is van een ongemakkelijk makende schoonheid. Ze stoort zich aan de besluiteloosheid van de klanten en schept ijs met zo’n evidente weerzin dat het haar siert.
 Ze kan amper een jaar ouder zijn dan ik, wat haar nog imposanter maakt. Alsof iemand mij wil voorhouden hoe ik had kunnen zijn, maar nooit zal worden. Zij komt toe met zonnecrèmefactor 15, stuurt geen postkaartjes naar zichzelf, maar sms’jes naar haar vriendinnen. Zij zoent met haar vriendje in de duinen, ik bestudeer er konijnenkeutels en gestreepte rupsjes. Zij kan in een ijsjeskraam werken zonder de diepgevoelde wens te koesteren het een faillissement in te eten. Ze draagt een simpel zwart topje, draagt een échte beha en heeft echte borsten. Ik draag enkel sportbeha’s. Sportbeha, enkelvoud, ik heb er maar één. Heel mijn jeugd ging ik door voor jongen en ik zit ondanks mijn puberteit nog steeds in de ontkenningsfase wat betreft mijn sekse. Mijn gebit heb ik van mijn moeder, van mijn vader heb ik de borstjes.
 Mijn vader staat achter mij en neemt een euro uit zijn portefeuille. Hij geeft hem aan mij en zegt: ‘Jij mag het straks zeggen.’ Ik hou het muntje vast in mijn dikke, trillende vingertjes. Ik wil heel graag een ijsje, ik wil er ook graag één zelf kiezen, maar ik wil niet zelf luidop moeten zeggen welk ijsje ik wil hebben. Ik fluister gepijnigd dat ik verbrand ben aan mijn mond, dat hoe spijtig ik het ook vind, hij het woord zal moeten voeren.
 Hij wil niet. Mijn moeders wensen weigert hij nooit. Bij ons probeert hij steeds vaker de tips uit die hij tijdens zijn wekelijkse assertiviteitstraining krijgt.
 De rij slinkt.
 Er bestaan achtentwintig soorten ijs en ik zou twee smaken moeten kunnen uitkiezen in een tijdspanne van ongeveer tien minuten. Dat wil zeggen dat ik éénentwintig seconden heb om elke smaak te overwegen. Geluk zit in de kleine dingen, dat weet ik als geen ander, dus ook deze beslissing is van levensbelang.
 We staan bijna vooraan in de rij. Mijn ongemak is nog drukkender dan de hitte. Het is aan mij. Ik zal nu moeten praten. Mijn vader geeft me een klopje op mijn schouder en zegt: ‘Ai, vooruit.’

 Ja, forel, ja, de ontknoping is me een beetje ontgaan. Ik herinner mij vooral het aanschuiven. Nee, forelletje, dat zie je verkeerd. Dat was geen goede afloop, ik heb niks overwonnen of geleerd. Zo’n verhalen zou ik nooit vertellen. Mijn idee werd gewoon bevestigd, ik dacht dat het vreselijk zou zijn en dat was het ook.
 Ja, dat vraag ik me ook af. Achteraf bekeken, denk ik dat mijn vader eigenlijk zelf niet durfde bestellen. Dat zijn ongemak zich verdubbelde met het mijne, dat ik mij misschien daarom dat moment zo goed herinner. Twee wezens die al hun moed bij elkaar moeten schrapen om een ijsje te vragen.
 Ja, forel, ja, dan had je je maar niet moeten laten vangen, he. Het echte leven bulkt van de non-verhalen. Ik heb lang gehoopt dat ik zoals in de stripverhalen eens op een geheime schatkaart zou stuiten of dat een achtertante uit Oost-Antartica mij zou opbellen om een geheimschrift te ontcijferen, maar nee.
 Waarom Jommeke, Kuifje en Kiekeboe wel en ik niet?

 Herinneren is een soort van sport. Hoe meer je oefent, hoe beter je wordt.

 In 1982 was ik maandenlang een toonbeeld van succes. Ik was geslaagd volgens alle maatstaven van de neoliberale maatschappij. Ik verdiende geld, woonde in een huis en er was zelfs iemand die me 24 uur op 7 op de vingers keek en die ik aan vreemden voorstelde als ‘mijn vriend’.
 In die tijd was het plots hip geworden om een betere versie van jezelf te willen zijn. Men verdiende groot geld met zelfhulpboeken, communicatiecursussen en plastische chirurgie. Ik was op de kar gesprongen met een cursus die ik zonder al te veel nadenken ‘Zelfontplooien of dichtvouwen’ had genoemd. Leek me wazig genoeg, zo kon ik er altijd nog een origami-workshop van maken.
 Mijn cursus kende een onverklaarbaar grote toestroom. Er schreef zich een reeks mensen in die ooit aangenaam moesten zijn geweest, maar die door toedoen van hun carrière, fortuin of doorgeslagen prestatiedrang getransformeerd waren tot onuitstaanbare schepsels. Mensen die met plezier after-work drinks organiseerden, die vonden dat geluk een keuze was, die iedere week een nieuw in plastic verpakt basilicumplantje in de Albert Heijn kochten en die het recht op vrije meningsuiting aanhaalden wanneer ze de kassierster uitscholden voor gore hoer.
 Nog voor we aan niveau drie ‘het origami-zwaantje’ konden beginnen, moest ik mijn cursus al stopzetten. Mijn cursisten volgden mijn workshop niet zozeer uit interesse, als wel omdat ze fiscale voordelen zouden krijgen van hun werkgever als ze een bepaald aantal bijscholingen per jaar volgden. Iemand ontdekte dat het inschrijfgeld van mijn cursus helemaal niet aftrekbaar was want mijn cursus bestond blijkbaar niet eens. Hoewel ik toch echt twee avonden per week lesgaf. Blijkbaar moet je allemaal papiertjes invullen voor je werk mag hebben. Daar had ik niet bij stilgestaan. Of ja, wel eens eventjes, maar niet al te lang.
 Ik had het inschrijfgeld al lang omgewisseld tegen kindersurprises et cetera, dus er kwam een deurwaarder bij kijken die mijn spulletjes in beslag nam.
 Geen van mijn cursisten heeft het zwaantje leren plooien, ik verloor mijn baan, huis en de pottenkijker.
 Zo erg was het niet. Succes hebben paste toch niet in mijn wereldbeeld.
 Ach ja, mensen, ik ken ze nu wel. Ik weet hoe ze zijn. Ze zijn enthousiast als ze je zien en zodra je ze een bericht stuurt om te vragen of je een kaasschaaf mag lenen, kennen ze je niet meer.

 Vrienden?
 Jij bent er nu toch, forel. Nee, jou zou ik nooit pijn doen, nooit. Echt waar, de laatste keer dat ik een ander wezen heb verminkt dateert al van 1986 en dat was per ongeluk. Het konijntje, An. Enkele jaren eerder had ik me bij een konijnenroedel gevoegd. Dat gaat makkelijker dan je denkt, je moet gewoon een toelatingsproef doorstaan. Ik was cum laude geslaagd: mijn speurtochten naar konijnenkeutels in de duinen hadden geloond. Het ijskraammeisje zou er nooit door geraakt zijn.
De konijnen en ik stuiterden rond bij valavond, we troefden de mollen af in het graven van tunnels en we zwegen. Dat was het allermooiste: konijnen voelen niet de nood constant allerlei boodschappen over te brengen. Ze praten niet. Ze stampen alleen af en toe met hun achterpoten op de grond en gillen als ze bang zijn. Mijn jaren bij hen waren de gelukkigste van mijn leven. Ik voelde me thuis. Ik herinner me dat Tommy, een rammelaar, eens zei: ‘Jij, een mens? Nee, in mijn ogen niet! Jij bent gewoon een grandioos misvormd konijn’. Zelden voelde ik me zo geaccepteerd.
Soms wanneer we ’s avonds met z’n allen in de konijnenpijp lagen te slapen, lukte het me om te vergeten, dan trof ik geen enkele herinnering in mijn hoofd aan.
Ik was volmaakt gelukkig tot ze me in 1988 na een groepsraad verstootten. Het was een unanieme beslissing, op één stem na - die van mezelf.
 De konijnen vonden mijn non-verbale communicatie heel verwarrend, mijn lichaamstaal was moeilijk te lezen en dat kon in de toekomst problemen opleveren, dachten ze. Daarbij moesten ze door mij hun holen altijd veel groter maken. Dat hadden ze eerst niet erg gevonden, maar na verloop van tijd vonden ze dat ik zelf te weinig hielp. Ik hielp zoveel ik kon, maar mijn graaftechnieken waren gewoon niet zo goed als die van hen.
 Het was een bijzonder bittere ervaring. Maandenlang had ik iedere nacht twee touwtjes aan mijn oren gebonden waarvan ik de uiteinden vastknoopte aan het plafond om langere oren te krijgen. En dat terwijl ik niet eens hou van luisteren naar anderen.
 In feite namen de konijntjes het me kwalijk dat ik een mensenlichaam had, alsof ik dat zelf niet erg genoeg vond.
 Ik werd razend. Ik had deze situatie al zo vaak eerder meegemaakt dat al mijn herinneringen samen leken te vallen. De tijd vormde geen lijn, maar één dom punt.
 Ik begon hevig op de grond te stampen. Kleine An had mij willen kalmeren. Door de tranen in mijn ogen had ik niet gezien dat ze naast me was komen staan. Ik stampte woedend verder en voelde plots iets kraken onder mijn voeten. De konijntjes gilden.

 Ik reis niet graag in de ruimte. Ik reis zelfs niet eens graag in de tijd, forel. Maar ik kan er niet mee ophouden.
 Mijn geheugen bepaalt zijn eigen werkuren, mijn herinneringen schuiven aan wanneer het hen past of ik nu in gesprek verkeer, of ik me moet haasten, trein nemen, bus halen, of ik in bed lig en wil slapen, het maakt hen niet uit.
 Ik probeer er wel bij te blijven. Ik probeer erbij te blijven, maar bevind me al terug in een nazomer, op een huisfeest van mensen die ik niet ken, op een balkon met een voorbije man en mijn mond vol tanden. Ik bevind mij in de duinen met een gestreepte rups op mijn hand. Op de drempel voor oma’s huis, hoor haar voetstappen door de gang galmen. Terug naar het onweer, seconden tellen na de bliksem, alle lichten uit.
 Ik moet alles opnieuw minutieus beleven: weer voor me zien hoe ik naar woorden zoek en als ik ze vind, ze toch voor mezelf hou. Alles moet ik nagaan: de vergissingen, mijn opzettelijk gemaakte fouten. Ik moet mijn schuld berekenen tot ze weer vers en onvergeeflijk aanvoelt. Opnieuw zien hoe het ultramarijn verbleekt. Nooit meer durven, niks leren, de verkeerde spreekwoorden naleven. Eén bonte kraai maakt nog geen herfst. Of winter.
 Ik moet alle kunstjes aanschouwen tot de apen zich weer in mijn mouwen terugtrekken. De konijnen de hoed in kruipen. Pas dan, mag ik terug naar het heden komen.
 Ik wil mij niks meer herinneren, dus ik ga ook niks meer beleven.
 Geen hoogmoed, geen val.
 Ik zal zoals mijn vader achteraf de video bekijken.

 Misschien samen met jou?
 Forel?




Jutta Callebaut (1992) studeerde in 2013 af als beeldend vormgeefster en ging meteen daarna werken als creatief copywriter. In 2017 nam ze deel aan het Das Mag zomerkamp. Nu volgt ze de opleiding Woordkunst aan het Conservatorium van Antwerpen. Ze schrijft fictie en boze lezersbrieven.

Meer van deze auteur