Inleiding en historisch perspectief

Er gaat geen dag voorbij of de media melden: het klimaat verandert, de zeespiegel rijst, de stormen worden heviger en frequenter, de neerslag extremer. Ook schrijft men dat dijkversterking niet meer mogelijk is. Dat er nog maar één oplossing is: het water de ruimte geven anders neemt het die zelf.

Gaat het hier om feiten en staat het water ons aan de lippen, of zijn het meningen?

Laten we de discussie starten, dat is nodig om verstandige besluiten te kunnen nemen over de toekomst van ons Nederlandse polderland.

Nederland is een typische rivierdelta. Het land is vlak en laag omdat het opgebouwd is uit sediment van de rivier. Aan de randen waar de interactie met de zee plaatsvindt ontstaan zandduinen, daarachter kleivlakten en veenmoerassen. De mens heeft die vlakten vanuit de hoger gelegen duingronden gekoloniseerd. Om veilig en comfortabel te wonen in dit lage land bouwde men zijn hoeven op terpen of wierden. Later beschermde men ook de landerijen rond de hoeven door een systeem van dijken. De dijkaanleg had tot gevolg dat het land niet meer opslibde maar ten gevolge van de verbeterde drainage ging zetten. Omdat tevens de zeespiegel met enkele mm per jaar rees, raakte na enige generaties de afvoer van regenwater uit de polder onder vrij verval (zwaartekracht) in de knel. Windenergie was nodig om het te lozen polderwater op te voeren naar het zeeniveau. De Hollandse windmolen heeft die taak eeuwenlang vervuld.

De verbeterde drainage stimuleerde de agrarische productie, maar de versnelde zetting van het land vormde de schaduwzijde. De langzame stijging van de zeespiegel en de voortgaande zetting van het land maakten een betrouwbare bemaling steeds belangrijker. Met meer en betere windmolens bleek dit geen groot probleem.

De afdamming van veenriviertjes, de kustlijnverkorting, is de tweede vernieuwing waarmee onze voorouders de natuur naar hun hand zetten. Tijdens storm op zee drong het zoute water via deze riviertjes het land binnen en bedreigde de ter weerszijden gelegen dijkringen. Menige dijk brak door en een overstroming met zout water was het gevolg. Door een dam aan te leggen in de monding van de veenrivier werd dit gevaar bezworen. Uiteraard werd die dam voorzien van een uitwateringssluis om het rivierwater te lozen en een schutsluis om de scheepvaart naar zee te faciliteren. Deze uitvinding was zeer succesvol en nam een grote vlucht. Bloeiende nederzettingen ontstonden nabij de dammen. Amsterdam en Rotterdam zijn daarvan de grootste. De voordelen van deze dammen zijn enorm: een kortere kustlijn, minder onderhoud, zoet water voor de landbouw, rustig water voor de scheepvaart, rustig water in de grachten van de nederzetting en tot slot een kortere landverbinding.

Deze inrichting van het land met door dijken beschermde polders en met dammen afgesloten getijrivieren bleek zeer efficiënt en leidde tot een bloei van landbouw, veeteelt, visserij en handel. Een forse groei van de bevolking volgde. De rijkdom was zo groot en de vraag naar nieuwe grond zo sterk, dat men binnenlandse meren ging droogleggen. Aanvankelijk kleine, maar later durfde men onder leiding van Leeghwater ook grote meren droog te leggen zoals de tabel laat zien.

1533 Achtermeer: 35 ha
1564 Egmondermeer: 686 ha
1564 Bergermeer: 620 ha
1612 Beemster: 7100 ha
1622 Purmer: 2756 ha
1626 Wijde Wormer: 1620 ha
1635 Heerhugowaard: 3500 ha
1635 Schermer: 4770 ha
1839 Zuidplaspolder: 4000 ha
1852 Haarlemmermeer: 18.100 ha
1873 Alexanderpolder: 2700 ha

De laatste drie droogmakerijen in de tabel betreffen uitgeveende plassen. Door hun omvang en diepte werd de golfslag op deze meren zo hevig dat zij de oevers met daarop gelegen dorpen verzwolg. Het temmen van de waterwolf was naast de landwinst de drijfveer tot de drooglegging van deze diepe polders in de negentiende eeuw.

In alle droogmakerijen zijn woonwijken aangelegd. De Alexanderpolder, de diepste van alle met een bodemligging op NAP-6m is vrijwel geheel volgebouwd. Op dit moment wordt de laatste wijk, Nesselande, voltooid. Merkwaardig is dat in de bodem van deze polder weer de Zevenhuizerplas is gegraven vanwege de zandwinning. Wat water was, is nu weer water, alleen ongeveer 6m lager.

Na de overstromingen in 1916 en in 1953 is het principe van de kustlijnverkorting opnieuw toegepast. In de jaren dertig van de vorige eeuw werd de Zuiderzee afgesloten met de Afsluitdijk, een 30km lange dam met twee spuisluizen en twee schutsluizen. In tweede helft van de twintigste eeuw werd het Deltaplan tot uitvoering gebracht dat de afsluiting van alle zeegaten in Zeeland behalve de Westerschelde omvatte.

Het waterkeringssysteem dat wij door de eeuwen heen hebben aangelegd, bestaande uit polders omringd door dijken en duinen en een systematisch beleid om de kustlijn te verkorten door in zee uitstromende rivieren af te dammen, heeft ons de ruimte en de veiligheid verschaft om een grote welvaart op te bouwen.

Dit succes creëert echter naast de voortdurende relatieve daling van het land ten opzichte van de zee door zeespiegelstijging en zetting, een tweede probleem. Door de economische groei neemt de waarde in de polder toe, stijgt het inkomen per inwoner en neemt de levensverwachting toe. Daardoor neemt ook de potentiële schade bij een overstroming toe. Het economische succes van de polder schept dus zelf bij goed onderhoud het probleem van het toenemende risico. Dit noopt tot een regelmatige herijking van het veiligheidsniveau.

De nieuwe Waterbouw

Door de discussie over de klimaatverandering, maar ook door de aardgasbaten die aan kennisprogramma’s als Leven met Water worden besteed, is de belangstelling voor waterbouw recentelijk sterk toegenomen. Deze nieuwe waterbouwers zijn het eens over twee dingen: de zeespiegel rijst en dijkverhoging kan niet meer. Daarom komen zij met ‘nieuwe’ oplossingen als terpen, drijvend wonen, het water de ruimte geven, het bestrijden van de gevolgen van een overstroming, omdat een overstroming niet te voorkomen is. Daarnaast huldigen zij de meer filosofische gedachten dat duurzaamheid beter is dan techniek, dat ecologie en natuurlijke processen een betere beveiliging geven dan harde oplossingen. Stellingen die zo plezierig klinken dat bewijs overbodig lijkt.

De klassieke waterbouw met dijken, dammen en gemalen lijkt achterhaald. De Britse professor Richard Asley formuleerde het zo: ‘Climate change requires climate adaptation, but sadly the engineers are proposing the same old solutions.’

In Nederland wordt wel de volgende vergelijking gemaakt: ‘De oude waterbouw verbergt het water achter betonnen stormvloedkeringen en meters hoge dijken, de nieuwe waterbouw geeft het water de ruimte en laat kinderen ermee spelen.’

Om te laten zien dat de tweede visie gebruikmaakt van verworvenheden van de eerste geef ik graag de volgende vertaling: ‘In de oude dierentuin bergt men de tijgers achter dikke stalen tralies, in de nieuwe dierentuin laat men de kinderen ermee spelen.’ De kinderen kunnen alleen veilig met het water spelen als zij niet verrast worden door een plotselinge aanval van de waterwolf.

De bewijsvoering dat dijkverhoging geen oplossing biedt, is voor de nieuwe waterbouwers vrij eenvoudig. De zeespiegel rijst, de rivierafvoeren worden extremer, het land zet. Daardoor komt er geen einde aan dijkverhoging en is het geen oplossing. In de pers wordt deze opvatting unaniem gesteund. De Directeur-Generaal Water stelde in 2006 een retorische vraag: ‘Daarbij stuit ik op de vraag in hoeverre we kunnen doorgaan op de bekende, tot dusver zo succesvolle, weg: met de beproefde ingenieursrationaliteit die op elke waterstand of golfaanval een technisch antwoord kent. Misschien een beetje een karikatuur, maar toch… Is daar in onze verstedelijkte omgeving wel plek voor? Wat moet daarvoor wijken? Is dat eigenlijk wel handig?’

Dr. Cees Veerman, voorzitter van de nieuwe Deltacommissie is in de PZC van 22 september 2007 glashelder: ‘Wij kunnen niet langer eenvoudigweg dijken versterken.’

Zo komt de nieuwe waterbouw op terpen als de oplossing. tno en het IVM (Instituut voor Milieuvraagstukken) van de VU hebben ieder met hun terpontwerpen de krant gehaald. Maar als de zeespiegel rijst, de rivierafvoeren extremer worden, het land zet onder het gewicht van de hoge terp, dan zal ook de terp op korte termijn verhoogd moeten worden. En dat is niet eenvoudig met al die bebouwing erop.

De tweede oplossing van de nieuwe waterbouw is het water de ruimte te geven. Bij beperkte toevloed, zoals volgt uit neerslag en rivieren, helpt dat, bij een stormvloed op zee biedt het geen uitkomst.

Het is mogelijk om hoge rivierwaterstanden in Nederland te voorkomen door bij Lobith een deel van de Rijnafvoer tijdelijk op te slaan in een noodoverloopgebied. De Commissie-Luteijn heeft dat ooit voorgesteld. Een kleine kwantitatieve beschouwing maakt duidelijk wat dat vergt. Als we de toename in ontwerpdebiet van 15.000 tot 18.000 m3/s = 3000 m3/s gedurende drie dagen zouden willen bergen, zodat de op 15.000 m3/s gedimensioneerde dijken niet hoeven te worden versterkt, vergt dat een opslagcapaciteit van 770 Mm3. Indien de waterdiepte in het overloopgebied verloopt van 0 tot 3m is een oppervlak van 520 km2 nodig. Dat is ongeveer de Betuwe. Hebben wij dat ervoor over?

De Directeur-Generaal Water had in 2006 een ander voorstel: ‘Japan doet bijvoorbeeld heel praktische dingen met meervoudig ruimtegebruik: een parkeerterrein onder een stadion en een sportpark als tijdelijk waterbergingsgebied. Dichter bij huis in Keulen is er een 3km lange parkeergarage langs de Rijn die water kan bergen.’

Het overloopdebiet van 3000 m3/s heeft die garage in 150s gevuld.

Kortom, een noodoverloopgebied helpt, maar het kost heel veel ruimte.

Het is ook mogelijk om de rivier in de breedte de ruimte te geven. In plaats van een verhoging van de dijken met 20% van 5 naar 6m kan ook het, zeg 1000m brede, winterbed met 20% worden verbreed. De bandijk zou dan 200m moeten worden teruggelegd. De verhoging van de twee bandijken met 1m zou bij taludhellingen van 1:3 links en rechts van de rivier 6m ruimte hebben gekost, dus slechts 12m in totaal.

In werkelijkheid is de vergelijking nog iets ongunstiger omdat een diepere rivier ook sneller gaat stromen. Bij een dijkverhoging van 20% neemt de afvoer niet met 20% maar met 32% toe. Voor een vergelijkbare prestatie moet de rivier dus 32% verbreed worden, een dijkteruglegging van 320m!

Het ruimtebezwaar van dijkverhoging, dat de Directeur-Generaal Water signaleert voor onze ‘verstedelijkte omgeving’, wordt met rivierverruiming veeleer vergroot dan verkleind. Ook zijn de kosten veel hoger. Waar men eerst kon volstaan met een klein kapje van 1m op de beide dijken moet nu 320m achter de oude dijk een volledig nieuwe worden aangelegd. Het budget van het project Ruimte voor de Rivier bedraagt 2,2 miljard euro terwijl het dijkversterkingsalternatief op 0,7 miljard was begroot. Verruiming kost dus 1,5 miljard meer. Tegenover die 1,5 miljard staan als baten de nieuwe natuurgebieden. Het teruggeven van de Biesbosch aan de rivier is het grootste deelproject. De ontpolderde Noordwaard wordt een fantastisch natuurgebied, maar onder de enigszins misleidende leuze: ‘Het water moet de ruimte krijgen anders neemt het die.’

Hoeveel mensen is duidelijk dat Ruimte voor de Rivier voor tweederde een natuurproject is en slechts voor eenderde om hoogwaterbestrijding gaat?

Evenals dijkverhoging wordt het wonen in diepe polders niet langer verstandig geacht. Men wijst op dezelfde fenomenen: de zeespiegel rijst, de rivierafvoeren worden extremer, het land zet, de zoute kwel neemt toe en door de grote diepte is het gevaarlijk. Zo wordt de uitbreiding van Gouda met Westergouwe in de Zuidplaspolder op nap-6m zeer kritisch bezien. Zelfs de econoom prof. dr. Jaap van Duijn, tevens lid van de nieuwe Deltacommissie, schrijft in zijn boek De groei voorbij: ‘Onze voorouders zouden het niet in hun hoofd gehaald hebben om op de laagste plekken van het land te gaan bouwen, maar hedendaagse planners zien er geen been in.’ De planners van Westergouwe hebben de moeite genomen de woningen op terpjes van 1,30m hoog te ontwerpen, terwijl de polder toch echt 6m onder water komt te staan als het mis gaat.

Het is merkwaardig te zien dat de nieuwe waterbouwers plotseling en selectief het vertrouwen in polders verliezen. Nederlanders wonen al meer dan vier eeuwen op de bodem van diepe meren als de Beemster. En onze voorvaderen kozen ervoor om Rotterdam uit te breiden in de diepste polder van allemaal, de Alexanderpolder. De eerste woonwijk noemden zij nog het Lage Land, later volgden Ommoord, Zevenkamp en Oosterflank. Als laatste wordt nu Nesselande aangelegd, maar Westergouwe gaat kennelijk te ver. En misschien gaat het ook wel te ver omdat men terpjes bouwt en niet de dijk langs de Hollandse IJssel flink versterkt, zoals de ‘klassieke’ waterbouw adviseert.

In dit debat vraag ik de tegenstanders van diepe polders vaak of ze weleens vliegen. Met enige verbazing over de plotselinge wending van het gesprek, zegt men meestal trots: ‘Ja, natuurlijk.’ Een vliegtuig dat op 12km hoogte vliegt is echter vergelijkbaar met een polder met een enkele dijk van 1,5mm dik aluminium met een buitentemperatuur van -50°C en op een diepte van nap-8m. Wij kunnen zeer veilig in diepe polders wonen mits de dijken goed onderhouden en op peil gehouden worden.

De nieuwste waterbouwinnovatie is de aanleg van een reeks eilanden voor de Nederlandse kust of één indrukwekkend tulpeiland. Deze eilanden, die bestemd zijn voor nieuwe natuur, zouden helpen tegen de zeespiegelrijzing. De zeespiegelrijzing wordt echter helemaal niet opgevangen door deze eilanden. Wel wordt de golfaanval op de kust enigszins gedempt. Met eilanden bezorgen wij onszelf echter een tweede kustlijn, die ook onderhouden moet worden, net als het huidige strandkust. Eilanden zijn ook bijzonder kostbaar. Vijf jaar geleden werd een ontwerp gemaakt voor Schiphol in Zee. De kosten van dit eiland met landverbinding bedroegen 80 miljard gulden. De baten van een nieuw Schiphol konden de kosten toen niet dragen en het plan verdween in een la.

Veel beter is het de eilanden tegen de kust aan te leggen. Dan verschuift de kustlijn 1 à 2km naar zee en blijft het onderhoud beperkt tot de ene nieuwe kustlijn. Ronald Waterman pleit al vele jaren voor deze oplossing, die bij uitstek multifunctioneel kan worden ingericht. De nieuwe Deltacommissie zou er goed aan doen dit plan te steunen.

De lessen van New Orleans

Op 29 augustus 2005 braken de dijken rond New Orleans. Sommige waterkeringen werden overweldigd door de hoogte van de stormvloed, maar een aantal schoof weg voordat het water de kruin van de kering bereikt had. Enkele zakten naar beneden omdat het water ze ondermijnde. Drie polders met een gezamenlijke grootte van de provincie Utrecht liepen onder, circa duizend mensen verloren hun leven en de geraamde schade bedroeg meer dan 20 miljard dollar.

Het type en de omvang van de overstroming is representatief voor Nederland.

De oorzaak van de overstroming is echter geen Act of God maar Neglect of Man.

De waterkeringen faalden bij een matige storm met een herhalingstijd van 30 tot 100 jaar. Het ontwerp van de keringen was naar Nederlandse maatstaven volstrekt onvoldoende.

Het merkwaardige was dat de Nederlandse regering zich na deze les niet richtte op het perfect onderhouden van onze waterkeringen, maar op de lessen uit Amerika. Men meende van Amerika te kunnen leren hoe je de gevolgen van een overstroming vermindert (repressie). Evacueren, verzekeren tegen overstroming, compartimentering, terpen en overstromingsbestendig bouwen kregen volop aandacht. In deze aanpak voelde men zich gesteund door het concept van de veiligheidsketen. De schakels van de veiligheidsketen worden respectievelijk proactie, preventie, preparatie, repressie en nazorg genoemd. Bij proactie gaat het om de inspanningen die gericht zijn op het vermijden van risicovolle situaties. Bijvoorbeeld niet in polders wonen. Preventie behelst alle activiteiten die erop gericht zijn om risicovolle activiteiten zo veilig mogelijk te maken. Dijken aanleggen die ons beschermen tegen overstromingen. Bij preparatie gaat het over de voorbereiding op rampen. Zijn de rampenplannen en het benodigde materieel aanwezig? Repressie gaat over de verkleining van de gevolgen na de ramp. Het evacueren van de getroffenen, het redden van drenkelingen. De nazorg ten slotte tracht alle schade te herstellen en het leven van getroffenen weer snel te normaliseren.

De grote nadruk in het beleid op repressie, de bestrijding van de gevolgen, werd gemotiveerd vanuit de aandacht die jarenlang is besteed aan preventie. In de waterkeringswereld is de aandacht van oudsher hoofdzakelijk gericht op preventie door veilige keringen. Aan preparatie/repressie werd weinig energie besteed. Kennelijk dacht de regering snel verbetering te kunnen bereiken.

Het onderliggende theoretische argument is dat elke schakel van de veiligheidsketen moet zijn ingevuld. Een keten is immers zo sterk als de zwakste schakel. Als er een schakel ontbreekt, dan is de keten verbroken.

Bij nauwkeuriger bestudering blijkt de ‘veiligheidsketen’ geen keten te zijn, maar een stelsel van opeenvolgende beschermingslagen. Zo’n stelsel heeft een hoge veiligheid omdat alle lagen moeten falen voordat er een ongeval plaatsvindt. Meer lagen zijn dus gewenst, maar elke extra laag brengt ook kosten met zich. Steeds staat men voor de vraag al het geld te besteden aan één laag of het te verdelen over een aantal lagen.

Indien men een evacuatieorganisatie opricht en van rijdend en varend materieel voorziet, zal die in het goed beveiligde Nederland eens in de honderd tot duizend jaar in actie moeten komen. Als de evacuatie slaagt mag een reductie van het aantal verdronkenen met een factor 2 à 3 worden verwacht. Aan de schade van (on)roerende goederen verandert evacuatie niets. Indien men de kosten van de evacuatieorganisatie aan de verbetering van de waterkeringen zou besteden, is een vergroting van de veiligheid met een factor 10 niet denkbeeldig. Dan wordt zowel de kans op schade als op het verlies aan mensenlevens verkleind.

Kortom, de kosten en de baten van elke laag moeten worden afgewogen om tot een efficiënt systeem te komen.

Ook het privaat verzekeren van overstromingsschade, dat in de ogen van een individuele burger misschien een goed idee lijkt, blijkt bij nadere beschouwing op nationaal niveau niet verstandig.

Het grote verschil met een auto- of brandverzekering is dat een overstroming in Nederland een grote groep tegelijk treft. De totale schade zal zeker 10 tot 20 miljard euro bedragen, hetgeen de draagkracht van bijna alle verzekeraars te boven gaat. Dientengevolge zal de verzekeringspremie, indien een verzekeraar bereid is, zeker 5 à 10 x het risico (= kans x gevolg) bedragen. Een economisch onvoordelige transactie.

In 1960 bepaalde de vorige Deltacommissie de optimale combinatie van dijkverhoging en verzekeren tegen overstroming bij de Staat. De staatsverzekeringspremie werd gelijkgesteld aan het risico = kans x gevolg. Sterkere dijken kosten geld, maar de overstromingskans daalt snel. Het economisch optimum is bereikt als de marginale dijkkosten gelijk zijn aan de marginale kosten van de staatsverzekering. De uitkomst was het huidige veiligheidsniveau waarbij de dijken rond Centraal-Holland ontworpen zijn op een storm met een herhalingstijd van 10.000 jaar. Er is geen rationele reden om dit concept van staatsverzekering te verlaten.

Er is wel reden het advies van de vorige Deltacommissie uit 1960 eens te herzien, mede in het licht van de gevolgen van Katrina. Nu, in 2008, zijn de gevolgen van een overstroming veel groter. Zuid-Holland herbergt nu tweemaal zo veel inwoners en vijfmaal zo veel economische waarde. De Kamerleden Koppejan en Vermeij vroegen op 19 december 2007 bij motie om een herziening van de normen vóór 2011. De staatssecretaris heeft de herziening toegezegd na 2011. Deze herziening is van het grootste belang.

De toestand van de Nederlandse waterkeringen

De meeste Nederlanders zullen denken dat het gezien onze reputatie in het buitenland wel goed zit met de veiligheid van onze waterkeringen. Dat is echter onjuist. Volgens de Wet op de Waterkering moeten onze keringen sinds 2001 elke vijf jaar getoetst worden. Het resultaat van deze toetsing (een apk-keuring voor dijken) is onthutsend; bijna een kwart van de keringen voldeed in 2006 niet aan de eisen (zie tabel).

Toetsing Primaire waterkeringen (a+b)
2001 / 2006
19% / 24% (onvoldoende)
41% / 32% (onbekend)
40% / 44% (voldoende)

Dat was geen verrassing, want in 2001 voldeed eenvijfde deel niet. Politiek leidde dat echter tot geen enkele actie, zelfs niet nadat de beelden van New Orleans hadden laten zien wat een overstroming voor een moderne maatschappij betekent. Tot de schrik van de klassieke waterbouwers richtten de politici zich zoals reeds vermeld op het bestrijden van de gevolgen en níét op het voorkomen van de ramp door onmiddellijk een grootscheepse onderhoudsactie van de waterkeringen te gelasten. De kosten van een dergelijke actie kunnen niet de oorzaak zijn geweest, omdat een jaarlijks budget van circa 0,1% van het nationaal inkomen voldoende is. Ook de toetsingsresultaten van 2006 werden voor kennisgeving aangenomen; men studeerde op verzekeren, evacueren en compartimenteren, maar nauwelijks op onderhoud. Pas in 2007 veranderde de stemming, kwam er geld beschikbaar en werden er plannen gemaakt. Momenteel zitten veel plannen in de procedure, maar is nog weinig werk voltooid. Wel is inmiddels de wettelijke toetsingscyclus opgerekt tot zes jaar, zodat de volgende toetsing pas in 2012 plaatsvindt.

De resultaten van de toetsing staan overigens niet alleen. In het project Veiligheid Nederland in Kaart (vnk) worden de overstromingskansen van de Nederlandse polders bepaald met de modernste wiskundige kansberekeningsmethoden. Daarbij wordt niet alleen rekening gehouden met de kans dat het water over de dijk stroomt, maar ook met de kans dat de dijk wegschuift (denk aan New Orleans en Wilnis), dat de dijk ondermijnd wordt of dat hij doorbreekt door golfaanval. De uitkomsten van deze berekeningen vormen géén goed bericht als men herhalingstijden van 10.000 jaar voor Centraal-Holland of 1250 jaar voor het rivierengebied in het hoofd heeft.

Polder / Overstromingskans per jaar
Zuid-Holland / 1/2500 per jaar
Noord-Holland / <1/500 per jaar
Noordoostpolder / 1/900 per jaar
Betuwe, Tieler- en Culemborgerwaard / >1/100 per jaar
De Maaskant / >1/100 per jaar

Nederland is niet zo onveilig als New Orleans, dat in de afgelopen zestig jaar tweemaal onderliep, maar ons rivierengebied gaat volgens deze berekeningen wel die kant op. Ook Zuid-Holland komt niet in de buurt van de veiligheidsambitie die hoort bij een tweemaal zo grote bevolking en een vijfmaal zo waardevolle economie. Integendeel, het haalt volgens deze berekeningen de norm van 1960 niet eens.

De VNK-berekeningen worden op dit moment voor alle polders van Nederland uitgevoerd. Deze resultaten zullen waarschijnlijk in 2009 beschikbaar komen.

De zeespiegelrijzing

Wanneer we de media mogen geloven is zeespiegelrijzing onze grootste bedreiging. De ene voorspelling is nog niet gepubliceerd of de waarneming van een nieuw of versneld fenomeen volgt erop. Het ijs van Groenland glijdt sneller naar beneden en kalft in hoog tempo af. Er is nog nooit zo weinig zeeijs rond de Noordpool geweest als dit jaar.

Het International Panel on Climate Change geeft in zijn vierde assessment report (2007) de scenario’s voor de veranderingen van het klimaat die het gevolg zijn van de uitstoot van broeikasgassen. Het knmi maakt op grond van die scenario’s schattingen van de zeespiegelrijzing tot 2100. Hun berekeningen geven een bandbreedte van 0,40 tot 0,85m stijging in 2100. De nieuwe Deltacommissie zal ongetwijfeld met ten minste dezelfde, zo niet hogere schattingen komen om de urgentie van hun plannen te onderstrepen. Het is niet ondenkbaar dat in hun rapport voorspelde waarden van meer dan 1m zeespiegelrijzing in 2100 worden genoemd.

Bij al dit publicitaire geweld wordt meestal vergeten te vermelden dat wij al jaren de feitelijke zeespiegelrijzing meten omdat dat een factor van belang is voor de beveiliging van ons land. Deze Nederlandse metingen van Rijkswaterstaat geven aan dat de zeespiegel nog steeds 2mm per jaar stijgt, dus 0,20m per eeuw en niet sneller. Het verschil tussen de voorspelde en de gemeten zeespiegelrijzing is een groot probleem, dat te weinig aandacht krijgt.

Het zou onverstandig zijn om onmiddellijk onze waterkeringen aan te passen aan deze nieuwe langetermijnvoorspellingen zonder de metingen enig gewicht te geven. Allereerst is het van belang te bedenken dat de stijgingssnelheid uiterst klein is in mm per jaar. Ten tweede is in de maatvoering van al onze keringen de gemeten 0,20m per eeuw verwerkt. Ten derde hoeft een volledige dijkversterkingsronde van Deltaplan-allure niet langer dan 30 jaar te duren. Dat kan dus driemaal in een eeuw. Ten vierde kost zo’n ronde circa 0,1% van ons nationaal inkomen extra per jaar.

Er is dus geen reden voor paniek. Ook de praktische omgang met het grote verschil tussen meting en modelvoorspelling is eenvoudig. De kostenstructuur van het versterkingsproject bepaalt de strategie. Als de initiële kosten om het project te ontwerpen, goed te keuren en de bouw te starten laag zijn, en de variabiliteit van de kosten met de omvang van de versterking relatief groot is, moet men de actuele zeespiegelrijzing in kleine stappen volgen. De zandsuppleties van de Nederlandse kust hebben een dergelijke kostenstructuur en lenen zich dus uitstekend voor een incrementeel volgen van de zeespiegel.

De bouw van een stormvloedkering heeft een andere kostenstructuur. Daar zijn de initiële kosten zeer hoog, maar de variabele kosten relatief laag. Het is dan economisch aantrekkelijk om uit te gaan van een hoge geloofwaardige schatting van de zeespiegelrijzing tijdens de levensduur. Zo is in het ontwerp van de Maeslantkering rekening gehouden met een zeespiegelrijzing van 0,50m in 100 jaar hetgeen toen een hoge schatting was.

Ook de veelgehoorde uitspraak dat de klimaatverandering aanleiding zal zijn tot frequentere en hevigere stormen op zee wordt niet door de observaties van de stormvloedstanden langs de Nederlandse kust ondersteund. De waarnemingen van de laatste twintig jaar liggen op of onder de hoogwaterfrequentielijn. Ook hier bestaat dus geen reden tot ongerustheid of actie.

Conclusies

Het lijkt erop dat de grote belangstelling van alle disciplines voor de problematiek van het water het wetenschappelijk debat qua waarheidsvinding heeft verschraald. Naar mijn mening worden sociaal wenselijke opinies als feiten gepresenteerd. Het debat wordt gevoerd met kreten als: de zeespiegel rijst, dijkverhoging kan niet meer, het water moet de ruimte krijgen, pompen is niet duurzaam, et cetera. Hoewel het in deze tijd sociaal niet gepast lijkt om de kreten kritisch te analyseren, blijven de natuurwetten gelden, ook voor de grootste natuurminnaars. Zelfs de grootste voorstanders van noodoverloopgebieden, die een tweede bestemming krijgen als natuurgebied, ontkomen niet aan de wet van behoud van volume.

Deze zelfde zeer betrouwbare natuurwet legt ook het verband tussen de zeespiegelrijzing en de snelle afkalving van de Groenlandse ijskap. Zonder enige twijfel moet de versnelde rijzing, die veroorzaakt wordt door de afkalving, snel tot uiting komen in de metingen van de rijzing. Ik hoop dat de nieuwe Deltacommissie aandacht vraagt voor dit dilemma en metingen naast de extreme voorspellingen legt. Zij zou een grote bijdrage kunnen leveren aan het vinden van de waarheid.

De discussie in kreten ontneemt ons het zicht op alternatieven. Er is geen enkele reden waarom dijkverhoging niet mogelijk zou zijn. Het is onjuist dat het water de ruimte moet krijgen omdat het die anders neemt. Dijkverhoging en dijkverlegging zijn alternatieven, die elk hun voor- en nadelen hebben. Onze voorouders kozen meestal voor dijkverhoging omdat dat economisch efficiënt is en weinig ruimte vraagt. In de eenentwintigste eeuw ligt de afweging kennelijk anders en geeft men graag ruimte aan de rivier omdat dat grote nieuwe natuurgebieden schept. De vraag is wel of men zich ervan bewust is dat het Ruimte voor de Rivier-project in geld uitgedrukt voor tweederde een natuurproject is en maar voor eenderde een hoogwaterbeschermingsproject. De discussie is vermeden door de stelling: het water moet de ruimte krijgen.

De ‘veiligheidsketen’ is ook een voorbeeld van een model dat de toets der logica niet doorstaat en dat daardoor economisch efficiënte keuzen in de weg staat.

De kern van goed bestuur is dat men de alternatieven, bergen of afvoeren, ruimte geven of waterkeren, voorkomen of genezen, dijkverhogen of verzekeren, dijkverhogen of evacueren, nader uitwerkt en op kosten/baten in de brede zin (dus inclusief winst aan natuurwaarden en dergelijke) afweegt.

Het grootste gevaar is echter dat wij het zicht verliezen op de beveiliging tegen hoogwater die essentieel is voor ons land. Enerzijds voor de fysieke veiligheid van Nederland, maar anderzijds voor ons internationale imago als investeringsland. Hoe zal het buitenland oordelen over Holland dat overstroomd is, maar excellent geëvacueerd?

Het is merkwaardig dat de les van New Orleans, dat een waterkeringssysteem perfect moet worden onderhouden, niet aanstonds is geleerd. In 2006 accepteerde de politiek gelaten dat bijna een kwart van onze dijken niet aan de eisen voldoet. Er waren na New Orleans taskforces voor Evacueren, voor Verzekeren en voor Compartimenteren, maar niet voor Onderhouden. Gelukkig is het beleid recent bijgesteld en noemt men preventie weer het fundament, maar de concrete daden moeten nog volgen.

Wat moet er nu gebeuren?

Allereerst moet de onderhoudsachterstand van de waterkeringen worden ingehaald, zodat zij aan de eisen voldoen.

Nadat de dijken in perfecte staat van onderhoud zijn gebracht en in 2011 of 2012 de toetsing glansrijk hebben doorstaan, komt de vraag aan bod of het beschermingsniveau wel voldoende is. De laatste ijking van dat basisveiligheidsniveau werd in 1960 uitgevoerd door de Deltacommissie. Omdat er nu tweemaal zo veel mensen wonen en vijfmaal zo veel waarde is neergezet, komt dezelfde redenering van 1960 nu uit op een minstens vijfmaal veiliger systeem. En toepassing van de beslisregels, die rond het groepsrisico bij externe veiligheid gebruikelijk zijn, wijzen in de richting van nog veiliger systemen. Het nieuwe normenstelsel voor ons waterkeringssyteem wordt een van de belangrijkste keuzen van de eenentwintigste eeuw.

Na deze keuze volgt een ronde van verbetering, die 30 jaar gaat duren. Technisch en economisch is die verbeteringsronde goed mogelijk, bestuurlijk zal het moed vergen.

Aan het einde van die ronde, in 2040 of eerder, staat het vast of de zeespiegel versneld rijst zoals nu voorspeld wordt. Als de rijzing circa 1m bedraagt, geeft dat mijns inziens technisch en economisch geen problemen.

Pas als de zeespiegel meer dan 2m rijst, wordt het moeilijker. Dan komt de afsluiting van de Westerschelde met een stormvloedkering aan de orde, het beschermen van de Zeeuwse en Hollandse kust met een hoge, zware duinkering. Er moet dan gekozen worden om de Waddenzee binnen of buiten de waterkering te laten. Er zullen supergemalen moeten worden gebouwd om het water van Rijn en Maas uit te slaan naar zee. Dat klinkt misschien gek, maar de Rotte en de Amstel eindigen tegenwoordig al in gemalen.

Als het debat evenwichtig wordt gevoerd, kunnen er net als vroeger prachtige combinaties worden gemaakt van stedenbouw, natuurbouw en waterbouw om ons lage land veilig, aantrekkelijk en welvarend te houden.

Essentieel daarvoor is dat de vraag naar de waarheid blijft bestaan, want de natuur gehoorzaamt alleen aan haar eigen wetten.

Han Vrijling (1947) is hoogleraar Waterbouwkundige Constructies en Probabilistisch Ontwerpen aan de TU Delft. Van 1980 tot 2005 was hij betrokken bij een groot aantal waterbouwkundige ontwerpprojecten in binnen- en buitenland, waaronder de stormvloedkering in de Oosterschelde. 

Meer van deze auteur