De eerste druppel

U weet van water vanaf het vroegste begin, vanaf het vruchtwater van 37° in de baarmoeder waarin u kon gedijen. U weet van de overgang direct ná de geboorte in de koude droogte met een eerste schreeuw.[^1]Ook van de productie van waterdruppels uit de traanklieren, afgescheiden van de totale hoeveelheid water waaruit uw lichaampje toen al voor 70 procent bestond. Het huilen dus.

Tranen. Weliswaar met een puntje fysiologisch zout, maar het zijn waterdruppels, driedimensionaal waarneembaar. Een kleine watermassa die zichzelf moleculair bij elkaar houdt. Het zou de aanzet kunnen zijn voor een waterbewustzijn. Na de kraamkamer word je ‘in het diepe gegooid’, een watergerelateerde term voor de samenleving. Zie het lied van Walter Mehring uit de film Das Lied vom Leben (1931).[^2]

Hören Sie? Hörten Sie? Wie es schrie?
Es weiß noch nicht was seiner wartet
Wenn es zum großen Lebenslaufe startet.
Doch sein Signal, dass es geboren sei –
Das ist der Schrei!

Hoe verhoud ik me tot water?
Voor eenieder is dat anders en in retrospectief kan ik het proces alleen voor mijzelf op een rij zetten. Waterbewust worden is een langjarig proces.[^3]Later hoor je dat het Diaconessen Ziekenhuis aan de Overtoom in Amsterdam op nap – 1,25m ligt en de Röntgenstraat in de hoofdstad op nap – 5m. Geofysisch vond mijn eicelbevruchting dus al onder zeeniveau plaats, mijn geboorte ook. Gegevens die hun plaats krijgen in de werdegang van mijn waterbewustwording vanaf 20 november 1922.

Mijn vader Louis van Gasteren was toneelspeler en mijn moeder Elise Menagé Challa concertzangeres. Toen ik twee jaar oud was kwam mijn vader bij het Hofstadtoneel en verhuisden we naar Den Haag. Ik maak melding van hun beroepen daar ik noch in toneelteksten, noch in het concertrepertoire referenties aan water of aan de zee van mijn ouders heb gehoord. Die waren mij anders wel bijgebleven. Wel een gedicht, mogelijk van De Genestet, waarin een regel staat vol trots over ons land ‘dat aan de zee was ontrukt’, waarbij mijn moeder zich afvroeg: Waarom in hemelsnaam?

Elf jaar lang ben ik in Den Haag grootgebracht en mijn jeugd speelde zich af met Scheveningen op loopafstand. Mijn moeder gaf concerten in het Kurhaus, maar met het strand noch met de zee had zij enige relatie. Integendeel.

Zij had wel iets met rivieren tussen de bergen en zij koos de Sûre in Luxemburg uit voor de vakanties. Daar, in Echternach, heb ik mijn zwemdiploma gehaald (1929) – 50 meter met de stroom mee en 50 meter tegen de stroom in. In een zijbeekje, de Aesbach, was ik waterbouwkundig in de weer, maakte dammen en stuurde het water, ving forellen met de hand. Daarna drie maanden per jaar vissen langs de Sûre met een opleiding zoetwatervissen door een gepensioneerd spoorwegbeambte, met wie ik om zes uur ’s morgens naar de rivier wandelde. Verkoop van mijn vis aan de hotels, eerste fotocamera gekocht, waarmee de keuze van mijn toekomst vast kwam te staan.

Langs die rivier, denk ik, heb ik mijzelf gevormd. Dat rivierwater, dat oppervlak, waarop mijn kunstvliegen dreven. Dat water dat de warmte van de zon absorbeerde, maar dat ook de klanken uit het Hitlerjugendkamp aan de overkant in Duitsland ‘Heute gehört uns Deutschland und morgen die ganze Welt’ afvoerde, via de Mosel en de Rijn, de Noordzee in.

Gelukkig heb ik schaatswinters meegemaakt. In Wassenaar op het ijs gestaan, dat eens met een enorme klap 25 centimeter lager viel in de sloot die droog was komen te staan. Later terug in Amsterdam op de kunstijsbaan en in de Apollohal mijn internationale examen kunstrijden vierde klasse gehaald. Wat deed die hol geslepen schaats op dat ijsoppervlak? Wetenschappelijk onderzoek ernaar heb ik later gevolgd, en ik heb inzicht gekregen in de bijzondere aard van H2O en zijn oppervlakte. Met silicium de enige stof die bij kristallisatie uitzet en bij smelten krimpt.

De traumatisering na het zien van de Duitse film F.P.1 antwortet nicht met Hans Albers als vlieger, begin jaren 1930 in Echternach. De film speelt zich af op een kunstmatig eiland, dat langzaam de zee in verdwijnt. Een oudere vriend had me de bioscoop binnengesmokkeld, de film heeft me jarenlang angst voor een verdrinkingsdood bezorgd.

Een verdere bewustwording was het Museum Schokland, eens een eiland. De wrakken van de schepen die het niet hadden gered in de korte golfslag en het schoeisel van de bemanning in de vitrine. Daar stond ik dan in die drooggemalen Noordoostpolder, met mijn voeten op de zeebodem en een diep besef van de betekenis van de ongelooflijke watermassa die ooit de Zuiderzee was. Daar is een film uit geresulteerd, Nieuw dorp op nieuw land (1960), die uitdrukking geeft aan mijn respect voor wat ons volk mans is.

Als kunstenaar ga ik daarin misschien wat verder dan mijn buurman. Wellicht beschikken kunstenaars over kwaliteiten die natuurlijke fenomenen in hun maatschappelijke betekenis kunnen duiden. Hoe krijg je nou greep op zo’n fenomeen? Ik heb het niet over H2O als molecuul, maar over een waterstraal uit de kraan, die je glas vult.

In Amsterdam heeft het water in dat glas een traject afgelegd van 100 kilometer vanaf het innamepunt bij Nieuwegein. Ga zitten, bekijk dat glas en zie de omvatting van een kleine massa water. De confrontatie met wat zich in dit land als watermassa aandient is beangstigend, net zoals de watermassa van oceanen en zeeën. De enige zekerheid is ons zwemdiploma dat de beheersing inhoudt van die watermassa. Ons leven staat op het spel wanneer we erin vallen, als tweebenigen, die grond onder de voeten moeten hebben.

Dat die (on)zekerheid ons psychisch mede bepaalt, behoeft geen betoog. In zijn film Stem van het water (1966) heeft collega Bert Haanstra het behalen van het zwemdiploma magnifiek neergezet. Wat is er niet allemaal op de gezichten van de kinderen af te lezen? Wat zit er allemaal achter de gepaste trots wanneer het A-diploma wordt uitgereikt?

Mijn grootvader was hofmeester op de grote vaart. Hij liet mijn vader van de boeg van zijn schip in de Golf van Napels springen. Hij dook hem na en de eerste zwemslagen werden in praktijk gebracht. Voor mijn vader was zwemmen tijdens vakanties daarom nooit echt een ontspannen genoegen. Stoeien in de rivier was er niet bij. Alles voorzichtig, zelfs niet worden natgespat. Ik was niet bang voor water en stond open voor onderzoek.

Met een gezond protest jegens mijn ouders richtte zich dat op de zee. Bezoeken aan Noordwijk en Zandvoort met zwemmen, strand en ontluikende liefdes.

Toch wordt er in Nederland geslapen
In het Paradijs bestaat geen zee. Er wordt in de Bijbel gerept van vier rivieren, maar geen woord over de uitmondingen. Ook de schrijvers en dichters die in de loop der eeuwen vol weemoed de verloren gegane Gouden Eeuw bezongen, hebben het nooit over de zee. Er zijn koele dalen, beekjes met kristalhelder water. Geen woelige, kolkende, onstabiele watermassa’s, waarop je geen huis kunt bouwen.[^4]

Ik heb gezien hoe in Sardinië de dorpen zo’n anderhalve kilometer van de kust verwijderd zijn. En dat niet alleen: de huizen staan met de rug naar de kust toe, een gesloten front vormend. Van de zee kwamen alleen maar gevaren. Noormannen en Saracenen, de zwarte pest, piraten, schipbreukelingen, smokkelaars en strandrovers, zeeoorlogen. ‘Chi viene dal mare, viene per rubare,’ zeggen de Sardijnen: Wie van de zee komt, komt ons beroven.

Alain Corbin citeert Henri Camion, die in 1644 in zijn Memoires schrijft: ‘… rondom mijn verblijf dat naar de zee gewend stond [cursief LvG] en mij uitzicht bood op dat uitgestrekte, veranderlijke element…’ Hij kijkt uit op de zee en vindt dit zo uitzonderlijk dat hij het opschrijft.

De eerste inspectie van de aangelande reiziger gold de haven: Ben ik hier veilig? Zijn de verdedigingswerken toereikend?

Cervantes laat Don Quijote de historische bendeleider Roque Guinart ontmoeten. Hij vertelt Quijote zijn verhaal en vertrouwt hem toe: ‘… dat ik, al zie ik mij midden in den doolhof van mijn verwarringen, niet alle hoop verlies daaruit in veilige [cursief LvG] haven te landen.’[^5]

Met de zee nu hebben de Nederlanden vanaf de vroegste tijden te maken. Tweeduizend jaar geleden schreef Plinius de Oude (42 na Chr.):

Daar stort de oceaan zich met twee tussenpozen des daags en des nachts in een geweldige stroom over een onmetelijk land uit, zodat men bij deze eeuwige strijd in de gang van de natuur twijfelt, of de bodem tot de aarde of tot de zee behoort. Daar leeft een armzalig volk op hoge heuvels of liever op door hen met de handen opgeworpen hoogten tot op het uit ervaring bekende peil van de hoogste vloed en daarop hebben zij hun hutten gebouwd…[^6]

Waarom is dit volk hier in godsnaam gaan wonen? En waarom leven we hier nog steeds? Corbin citeert de hertog van Rohan, die in zijn Grand Tour ook Holland heeft opgenomen:

Holland is een wonderbaarlijk land, een wonder alleen al door zijn ligging. Want de Hollanders hebben de zee durven afgrenzen; ze hebben het werk van de schepper niet verstoord, maar zijn er, met zijn zegen, in geslaagd het te voltooien.

Corbin becommentarieert:

De gedachte dat de mens en God hier een overeenkomst hebben gesloten is niet voldoende om de constante dreiging van het water uit de reizigersgeest te bannen. Met name de Franse reizigers […] geven vaak te kennen doodsbenauwd te zijn als ze bedenken dat ze ‘in dat overstromingenland’ vertoeven.

En toch wordt er in dit land geslapen, constateert Diderot met verbazing.

Peilloos is heilloos
Uit het citaat van Plinius blijkt dat de terpbewoners al wisten van het belang van het observeren van eb en vloed. Dit is tot een bijna abstracte wetenschap geworden, met hoogtemetingen van vier cijfers achter de komma. Het gps meet tot 1 centimeter nauwkeurig, maar dan moet – indien nodig – een geodetische meting met meetinstrument, driepoot en barcode-baak de laatste millimeters nauwkeurig invullen.

Observatie van de waterstand was en is noodzakelijk omdat ons land voortdurend aan inklinking onderhevig is. Mede door het ontwateren van het veen daalt de bodem en blijft het niveau van het zee- en rivierwater relatief stijgen – buiten de dreigende extra zeespiegelstijging.

In de Middeleeuwen was er geen uniform meetsysteem. Iedere regio/stad hield er zijn eigen peil op na. De meeteenheid wisselde – hier duimen, daar voeten – en men had een eigen referentievlak. Zo was er een Rottepeil, een Lingepeil, een Delfland Peil en het Stadts Peyl van Amsterdam.

De wiskundigen Johannes Hudde en Christiaan Huygens kregen in de zeventiende eeuw opdracht van de Staten-Generaal metingen te verrichten naar het verval van de grote rivieren. Deze metingen werden voor het eerst wetenschappelijk aangepakt en Huygens ontwikkelde een nieuw waterpasinstrument voor deze hoogtemetingen.

Op 4 november 1675 kwamen grote delen van Amsterdam blank te staan na een stormvloed. Hudde, toen burgemeester van Amsterdam, besloot het stadspeil definitief vast te leggen. Het stadspeil werd de gemiddelde zomervloedstand van het IJ, dat toen nog in open verbinding stond met de zee.

Hudde plaatste in acht sluizen een marmeren steen met daarin een horizontale streep:

‘zee dijks hooghte, zijnde negen voet vijf duym boven stadts peyl’.

Hij was de eerste op deze aardbol die wetenschappelijk een waterniveau kalibreerde. Hij sloot als het ware een verbond met de zee: tot hier en niet hoger.

Dat de zee zich niet aan dit eenzijdige contract heeft gehouden, moge duidelijk zijn.

Het stadspeil was niet alleen belangrijk voor de hoogte van de dijken maar ook voor het inlaten en lozen van het water in de stad, teneinde de grachten schoon te spoelen. Amsterdam rioleerde immers op de grachten.

Het Stadspeil, Amsterdams Peyl of ap werd al in de achttiende eeuw als standaard verspreid over de omliggende gebieden, bijvoorbeeld in het hoogheemraadschap Rijnland. In 1818 vaardigde koning Willem i een besluit uit om het ap als referentiepunt voor het hele land te gebruiken bij het opmeten van de grote rivieren. De naam Normaal Amsterdams Peil (nap) werd ingevoerd na de eerste nauwkeurigheidswaterpassing van 1875 tot 1885, waarbij het hele land opnieuw, maar nu nauwkeuriger en uitgebreider, werd aangesloten op het Amsterdams Peil.

Om het nap te conserveren werd in 1953 onder de Dam in Amsterdam een paal geslagen op de stevige diluviale zandlaag. Een nauwkeurige waterpassing wees uit dat de bovenkant van de bronzen knop op de paal nap + 1,4278m hoog is.

Om het nap toegankelijk te maken bouwde ik in 1988 met Kees van der Veer het nap-monument in de doorgang van het Stadhuis Muziektheater (Stopera) te Amsterdam. Ook daar werd een paal (nr. 2001) geheid op de diluviale zandlaag – los van het gebouw dat immers zou kunnen zakken – met een bronzen knop op nap-nulniveau, waarop de Nederlandse burger en buitenlandse bezoekers hun hand kunnen leggen.

Na twee metingen vanuit de Dam (terrestraal en hydrostatisch) werd de bovenkant van de bronzen bout op nap + 0m gekalibreerd.

Om te voorkomen dat men iedere keer vanuit de Dam of het Stadhuis zou moeten meten, zijn op ongeveer 47.000 plaatsen in Nederland zogeheten ‘peilmerken’ aangebracht. Dit zijn bronzen bouten, geplaatst in de gevels van stabiele gebouwen. Van deze peilmerken zijn de hoogten vastgesteld en gepubliceerd. De peilmerken worden regelmatig gecontroleerd op verzakking of verdwijning.

De Pruisische regering toonde in 1868 interesse voor het ap. Duitsers zijn sterk in normaliseren en hun din is daar als Deutsche Industrie-Norm een helder voorbeeld van. Normloos is ernstiger dan peilloos.

Na de Frans-Duitse oorlog (1870-1871) was er bij de Nederlandse regering een zekere terughoudendheid een Duitse meetploeg in Nederland toe te laten. In 1879 werd door een Nederlandse meetploeg het nap genehmigst übertragen aan een Duitse meetploeg bij een grenspost in het oosten van ons land. Het peil werd vervolgens doorgemeten tot in Berlijn en in de muur van de Sterrenwacht gekalibreerd op nap + 37m. Dit werd het uitgangspunt voor het Duitse meetnet onder de naam Normal Null. Verbinding van de nationale West-Europese netwerken resulteerde in 1955 in het Réseau Européen Unifié de Nivellement (reun). Unaniem werd het nap wederom als standaardreferentie gekozen. Na de Wende is ook het voormalige Oostblok op het nap aangesloten.

Bijna-dood-ervaringen in de zee
Als ikzelf er niet een paar maal mee te maken had gehad, zou ik ze buiten beschouwing laten. Maar in alle gevallen werd die massa water, dat ongelooflijke waterlichaam, die alles omvattende baarmoeder aan mij opgedrongen als een schijnbaar aanspreekbare partner/vijand.

Terschelling (1956)

Met mijn vriend Bert van de Pijpekamp uit Sneek, productieleider bij mijn film Stranding, heb ik gedoken naar de geleende sloep van reder Volkert Doeksen op Terschelling. Die was gezonken op meer dan 10 meter, en moest door ons – zonder enige apparatuur – in een strop worden gebracht. Hoe zit dat daar op die diepte? Dat is een gesprek met jezelf in milliseconden. Het is er stil, doodstil, maar jij moet en zal het overleven. De sloep zat door de stroming onder het zand en we kregen de staalkabels er niet onder. Kiele kiele hebben we het gehaald. Met bloed uit onze oren werden we omhooggetrokken na ons noodsignaal.

Maar wat doet eigenaar en reder Volkert Doeksen, een man die bij iedere uitvaart met zijn zeesleepboot Holland zeeziek was? Hij had ons het verlies van zijn sloep al vergeven na ons relaas en belde op Oudejaarsavond om vijf voor twaalf: ‘Hé Van Gasteren, een voorspoedig Nieuwjaar!’ En hangt op.

Sao Tome (1970)

Op het eiland Sao Tome, onze laatste stop in de Golf van Guinea op weg naar Biafra (Nigeria) ging ik zwemmen en werd door een aflandige stroom meegenomen. Het gaat zo snel en relaxed, dat je honderden meters buiten de kust bent voor je het weet. Mijn makkers aan de kust, Johan van der Keuken en Roeland Kerbosch (wij waren daar voor de film Bericht uit Biafra) bleven op de kust, maar ik zie ze niet. Wat je ziet is de zee om je heen, soms een close-up van een golf die je het zicht beneemt en heel ver weg die kust.

De enige mogelijkheid is – na nuchter denken, na zeer nuchter denken – een dialoog aangaan met de zee: ‘Ik ben hier met een bedoeling, mijn leven heeft hier een functie. Voor jou heb ik geen enkele betekenis.’

Er is overmacht, met een absoluut karakter, zelfs uitnodigend, verleidelijk, je bent ook helemaal omvat. Dus moest ik door een proces van aanvaarding, van verdwijnen, van opgaan in, en een besef: als dit de dood is, waarin kom ik dan terecht? Om je heen is die bewegende, zuigende baarmoedermassa, die je wil opnemen, een golf erover en weg.[^7]

Het water geeft geen antwoord, kent zijn macht en zwijgt. Een dialoog is bij voorbaat onbegonnen. Mijn emoties ben ik de baas gebleven, ik ging inventariseren, rationeel: hoeveel energie heb je nog, zo is die stroming, zover is de kust, als je per tien slagen een meter richting kust komt en daar anderhalf uur voor uittrekt, dan moet je het kunnen halen.

Er is ook geen kleur meer. Een interessant fenomeen, dat ik later in mijn leven, bij de dood van derden, nog zou tegenkomen. Er zijn die golven en er is die grijze watermassa. Uitsluitend naar de kust kijken, zien en weten dat je een meter vordert op het wateroppervlak. Dat is niet vlak, dat zijn bewegende golven. Je bent omgevormd tot een machine, er is geen denken in termen van ik, slechts van de machine met zijn longen, de armslagen en de beenbewegingen, een ánder lichaam zonder overbodige onderdelen en functies, mechanisch werkend. Ik raak vervreemd en bij het vastpakken van de rotsen zoek ik naar de rest van mijn lichaam, mijn machine, en moet de boel weer compleet zien te krijgen. Mijn ik dus. Kerbosch komt aanlopen en zegt zoiets als: ‘Heerlijk hè, andere koek dan Zandvoort.’

Uruguay (1990)

Een vriend van mij in Argentinië heeft een huisje aan zee in La Paloma, Uruguay. Eenmaal in zee wist ik mij plotseling in een gevaarlijke toestand. Strand was ver weg. Ik zag mijn vrienden, aangenaam bivakkerend. Maar ook dat de afstand steeds groter werd, groter dan ik zou kunnen terugzwemmen, een aflandige stroom. Het strand was verder leeg, geen mensen met een bootje, geen redders met een touw. Mijn vriend liep de branding in en wij gebaarden naar elkaar op een afstand van 80 à 100 meter. Ik was fit als een hoen, had nauwelijks nog gezwommen, alles was als vanzelf gegaan. Belachelijk, niet omkomen hier, niet hier in Uruguay. Hij wenkte en wees mij de directe weg naar hem toe. Dat ging, schuin tegen de stroom in, heel moeizaam, tot ik zijn stem hoorde: hou vol! Hij zag en wist, als een coach bij de roeitraining stond hij daar. Ik moest naar hem toe. Naar hem toe, naar hem toe…

Vlak voor de branding was ik uitgeput. Nog 15 of 20 meter te gaan. Ik wilde hem toeroepen, dat ik het niet kon redden, had geen energie meer over om me op te richten. Hij zag en begreep het, praatte mij naar het strand toe met aanmoedigingen die verder strekten dan ‘hou vol’. Alle registers werden opengetrokken om de laatste energie bij mij eruit te persen. Weten dat je grond onder je voeten hebt en niet kunt staan in die branding, uitgeput als ik was. Kijken naar elkaar, je kan en mag het in die laatste meters niet af laten weten.

Onze vriendschap laat dat niet toe!

Ten slotte lag ik op mijn buik in het zand en het was pas daar dat ik zeewater in mijn mond en longen kreeg. Toen trok hij me omhoog. Ik was tot geen woord in staat.

Wat is het geheim van Nederland?
Bij deze vraag ontkom ik er niet aan iets te zeggen over mijn film Een zaak van niveau (1990)[^8]over 1000 jaar Nederlandse waterhuishouding. De film is de visualisering van een dialoog tussen mij en een sprekende computer, waarin ik het door mij geschreven programma Spade consulteer. Die naam ontleen ik aan de spade, waarmee het veen ontgonnen werd en spade betekent ook: Spade Protection And Decision Engineering. Het programma bevat alle informatie aangaande de Nederlandse waterhuishouding, oproepbaar door mijn vragen.

Op de vraag: Wat is het geheim van Nederland? antwoordt Spade:

Dit volk weet van water op een stille diepe manier, dag en nacht balancerend op de nulstreep van het Normaal Amsterdams Peil. Dit volk is getekend door de strijd tegen het water, getekend zijn daardoor de handen, de gedachten en ook de geest. Onverwerkt verleden. Beseft dit volk wel wat er aan de hand is?

Tevens wordt het dossier geopsychiatrie gepresenteerd, waarin de diagnostiek van de ziekte waaraan dit volk lijdt:

nap-syndroom: een dubbele binding met water, peilloos schuldgevoel, bemoeizucht, combi van koopman en dominee,[^9]hoogmoed, niet vrij van hysterie.
Aantal patiënten: 15.000.000.
Locatie: de lage landen.
Therapie: stimuleren bol- en waterbewustzijn.
Consequentie: weg van bron en oorzaak, emigratie.

Spade concludeert verder:

Dit land is vlak, veel kerktorens aan de horizon
Soberheid, discreet calvinistisch verpompen
Tot in alle eeuwigheid.
Geen uitbundige fonteinen in dit land.
In de zeventiende eeuw dachten ze een uitverkoren volk te zijn,
gestraft en gevormd door het water,
het instrument van de goddelijke wil.

Is er hoogmoed in Nederland? Ja, nog steeds.

Houd goed in gedachten dat de zee waarmee Hudde een contract sloot, door een streepje vastgelegd, een onbetrouwbare partner is gebleken. Hier is geen boosaardigheid aan de orde, maar de Natuur, die we lange tijd met God hebben geïdentificeerd. En anno 2008 erkennen wij royaal dat wij op onze geoïde, ondanks hedendaagse inzichten in het heelal en de stand van de waterbouwkunde, de boel niet onder controle hebben.

Met het zicht op een mogelijke zeespiegelstijging wordt het er in Nederland niet vrolijker op. Na de watersnoodramp in 1953 zijn de zee- en rivierdijken al verhoogd tot nap + 5m.

De grote overstromingen in de vijftiende, zestiende en zeventiende eeuw inspireerden dominees tot felle boetepredikaties. Jacobus van Oudenhoven bijvoorbeeld noemt in 1659 nog eens de overstroming van de Alblasserwaard in 1421, de St.-Elisabethsvloed:[^10]

[…] dat Godt in den Jare 1421 den Grooten Zuyt Hollandtsche Waert met den inbreuck van eenen hoogen Watervloedt alzoo gestraft heeft dat hij daar de Menschen ende Beesten uitgeroeidt heeft […] Of ze verdronken zijn, want hij met die Menschen voor heeft zal de Tijdt leren. De Menschen zitten op zolders. De huizen zitten vol Waters. Het is nu het Hertje van de Winter…[^11]

Die arme Hollanders. Altijd in de weer met meten en weten. En vol schuld, die onmiddellijk wordt afgestraft. De zondvloed is nog stevig verankerd in de mensen, die op de zolders zitten.

De Amerikaanse Mary Mapes Dodge simplificeerde in haar boek Hans Brinkers, or The Silver Skates (1865) onze veiligstelling door dat jochie zijn vinger in de dijk te laten steken. Tot op deze dag refereren Amerikaanse toeristen aan de heldendaad van onze Hans. Sterker nog: misleidende bestuurders hebben een monument voor hem opgericht. Het doet het Nederlandse specialisme waterbouw schade aan.

Hier is een zakdoek
Bescherm onze [bedoeld wordt: Nederlandse, LvG] rijkdom tegen het water. Natuurlijk heb ik het interview gelezen met Cees Veerman en Louise Fresco over de Deltacommissie.[^12]Er moet echter een mondiale visie komen. Een tweede schreeuw, die verder strekt, die zich met onze aardbol bezighoudt, en wel van ieder individu van de wereldbevolking. Een innerlijke omslag. Een poging daartoe wordt gedaan door de Koninklijke Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen met hun conferentie van 6 december 2007 en hun verslag ervan in september van dit jaar, voor een beoogd vierde regime.[^13]Eveneens is daarbij betrokken de Nationale DenkTank en De Jonge Maatschappij. Na lezing wil ik me beperken tot de vaststelling nergens een woord te hebben gelezen over de mens als individu, behorend tot een soort die verder evolueert. Evenmin een benadering van de vraagstukken vanuit het diepe besef van ons tijdelijk verblijf op deze aardbol. We zijn al aardig op weg ons tijdelijke verblijf eerder te beëindigen dan alleen door geofysische oorzaken die we in het vooruitzicht hebben. Op alle fronten is al danig huisgehouden, de overige diersoorten liggen in de schappen van Albert Heijn en zo kunstmatig als ons landje overeind wordt gehouden, zo kunstmatig zijn onze kweekvijvers en kwartelfokkerijen.[^14]

Natte voeten zullen leiden tot wereldoorlogen en volksverhuizingen. Het behoud van droge voeten zal moeten komen uit de hoek van de technici, ja inderdaad, van onze watermannen. Mondiaal waterbeheer is aan de orde en Nederland kan daarin het voortouw nemen. Ook anderen moeten opstaan, die naast hun discipline beschikken over enige kunstenaarstalenten. Een soort adviescommissie zoals die heeft bestaan bij de Stichting artec[^15]in de jaren 1970-1980. Speculerend op de behoefte aan creatieve talenten zou zo’n streng geselecteerde denktank in conclaaf moeten gaan, opgesloten moeten worden met een deadline. Zoals Sicco Mansholt, Europese Landbouwcommissaris zich in de jaren 1960 met politieke besluitvormers van de eeg opsloot in een hotel, de klok liet verwijderen en doorvergaderde tot het ochtendgloren. Dan waren zij eruit, zeven uur. Om acht uur persconferentie!

Voorlopig geen congressen, geen tijdrovende productie van ad-hocstukken voor politiek geneuzel bij regeringsleiders, een vrijblijvend verdragje hier en een toezegging daar. Bij waterbeheer op mondiaal niveau komt het begrip democratie aan de orde en wellicht onvermijdelijk eenzijdige besluitvorming. Het zij zo.

De laatste druppel
In die tussentijd blijkt het in ons kleine stukje aardbol onvermijdelijk – met natte voeten en het water tot aan de lippen – rigoureuze maatregelen van de overheid te accepteren: een verbod om tranen te storten, er kan geen druppel meer bij. Dat is het slot van de Wateropera die mij voor ogen stond als finale consequentie van de vastgelopen relatie tussen de Landman en de Watervrouw: Er kan geen druppel meer bij. De overheid moet ingrijpen.

slechts droog verdriet is toegestaan.

Noten

  1. Die eerste schreeuw is een mooie indicatie voor longfunctie-in-orde, maar als vreugde of als schrik geduid komen we bij de ouders terecht, die verrukt het leven van hun product vaststellen. Of bij vakbekwame zielzorgers, die de rest van dat leven – in de beestenbende van de het wachtende samenleving – moeten begeleiden.

  2. Muziek Hanns Eisler, zang Ernst Busch.

  3. Waterbewustzijn vergt absoluut een bolbewustzijn.

In 1952 heb ik tweemaal de Sahara doorkruist en ’s nachts meerdere malen op mijn rug gelegen in het zand, het heelal inkijkend. Ik voelde de bol onder mij tegen mijn rug drukken. Ik lag dus op die aarde, kon mijn hand omhoogsteken tot in het universum. Mijn eerste ervaring met bolbewustzijn.

Het was die ervaring, die ik Marshall McLuhan rapporteerde, de bedenker van het begrip globe consciousness. Hieruit resulteerde een samenwerking met hem, die direct leidde tot het maken van mijn bolbewuste schilderijen (Fodor/Stedelijk, 1968). We zitten op deze geoïde in een heelal met onbeantwoorde fysische vragen, maar wel reeds met de zekerheid van het eindige karakter van de planeet aarde. Voor de time being moeten wij leven met een hoeveelheid water die de aarde en de dampkring biedt. Geen kubieke centimeter meer. Veel is al aan het waterbestand onttrokken, door onherstelbare moleculaire chemische vervuiling. Zorgvuldigheid is geboden.

  1. Ontleend aan Alain Corbin, Het verlangen naar de kust, Nijmegen, 1988.

  2. Miguel Cervantes de Saavedra, De geestrijke ridder Don Quichot van de Mancha, vertaling Werumeus Buning en Van Dam, Amsterdam 1946, deel ii, hoofdstuk lx. Corbin noemt Cervantes niet, maar zou hij het gedaan hebben, dan had hij ongetwijfeld de doolhof van verwarringen als metafoor gezien voor de zee.

  3. Vertaling Peter Möricke.

  4. Met de drenkeling Lienhard Frey had ik daarvóór, ten behoeve van mijn film Mayday (1963), een gesprek. Hij zei tegen een maat in zee, die al verdronken was: ‘Du hast es jetzt gut,’ wilde (als belijdend katholiek) zelfmoord plegen om uit het moment te komen waaraan ik refereerde: na die dood, waar kom ik dan terecht. Er vrede mee hebben, de aanvaarding.

In de concentratiekampen werden gevangenen die het leven wilden opgeven Muselmannen genoemd. Zij voelden in onverschilligheid hun verzet tegen de dood wegglippen.

  1. Louis van Gasteren, film en boek Een zaak van niveau, samenstelling boek Ton van Luin, Amsterdam, 1990.

  2. Dit land is zo plat als een dubbeltje. De Nederlander drukt fysisch-geografisch zijn land uit in muntspecie.

  3. J. van Oudenhoven, Generale Beschrijvingen van ons Tegenwoordige ingebroken Alblasser-waert in Zuyt-Holland en de Strafpredikaties, 1659.

  4. Wellicht naar aanleiding van een bijbeltekst uit Job: De hemelen openbaren zijn schuld,/ En de aarde staat tegen hem op;/ Een stortvloed spoelt zijn woning weg,/ Een vloedgolf op de dag van zijn toorn./ Dit is het lot van den boze, door God hem bedeeld,/ Het erfdeel, dat de Godheid hem toewijst! (Job, 20:27-29).

  5. Interview met Louise Fresco en Cees Veerman in de Volkskrant, 24 mei 2008.

  6. khmw, Haarlem, 2008.

  7. Op mijn terras zie ik geen insecten en bijen meer die o.a. mijn kruisbestuiving regelen. Bij mijn vrienden in Zuid-Frankrijk zijn de bijenvolken met 50 procent gereduceerd. Is dit een mondiale trend? Zo ja, welke consequenties heeft dit voor de voedselproductie?

  8. De Stichting artec (Art and Technology) werd opgericht in 1969 en bemiddelt tussen kunstenaars en wetenschappers.