Het is een terugkerend thema in de moderniteit: een poging om contact te maken met een voormoderne omgang met de wereld, het lichaam, de natuur en de geschiedenis. Ook nu we tegen de grenzen, of beter: tegen de destructieve macht van onze technische en industriële leefwijze aan lopen, groeit de interesse weer in wat inmiddels Traditioneel Ecologische Kennis wordt genoemd. Daarbij moet je niet alleen denken aan diepgaande kennis van planten, dieren, landschap, het weer en de bewegingen van hemellichamen, maar vooral ook aan de verweving van zulke kennis met de manier waarop mensen leven: de productie en de bereiding van voedsel, geneeskunde, religie en moraal, poëzie en muziek. Zulke tradities en praktijken maken deel uit van een leefwijze waarin de mens niet de heerser en verwoester van de aarde is, maar een betekenisvol onderdeel van het netwerk van leven op aarde.

Eenzelfde ambitie ligt ten grondslag aan de muziektheatervoorstelling Adem van het woud, van het Nederlands Blazers Ensemble en de Braziliaanse theatermaker Duda Paiva. Deze voorstelling is geïnspireerd door het wereldbeeld van de in de Amazone levende Kamayurá-gemeenschap en de muziek van de Braziliaanse componist Heitor Villa-Lobos. Villa-Lobos (1887–1959) maakte als jongeling furore in Parijs. Daar ontwikkelde hij een nieuwe Braziliaanse nationale muziek, waarbij hij zich liet inspireren door de inheemse en Afro-Braziliaanse muziek. Dit nummer van De Gids haakt aan bij de voorstelling Adem van het woud. We vroegen schrijvers, dichters en essayisten naar hun belangstelling voor en omgang met traditionele (ecologische) kennis.

Joep Stapel verdiepte zich in de dubbelzinnige relatie die Villa-Lobos met de muziek uit het binnenland en zijn bewoners had. Sander van Maas stelt in zijn essay de vraag of het mogelijk is het Andere wérkelijk te ontmoeten en te leren kennen. Pelumi Adejumo beschrijft hoe ze als vertaler te gast is in de Odù, de verzameling aan gedichten en verhalen die het kennissysteem van de Ifá-traditie in Nigeria bevatten. Miek Zwamborn geeft een indringend portret van haar buurman John, een boer op het Schotse eiland Mull, die zich laat leiden door praktijken die ter plekke ontstaan zijn en mens en landschap al eeuwenlang met elkaar verbinden. De door Harrie Lemmens vertaalde poëzie van Ricardo Domeneck bezingt de wonderlijke wereld van planten en dieren van Brazilië, met een schuin oog op de povere vermogens van de mens. De beeldbijdrage is van Theo Frids Hutabarat, een schilder met Javaanse wortels, die een in Batak-rituelen gebruikte staf cadeau krijgt en een poging doet de ceremoniële wereld waaruit de staf afkomstig is, binnen te laten in zijn schilderpraktijk. Henkjan Honing gaat in op de oorsprong van muziek en muzikale aanleg, en Mattijs van de Port denkt na over de menselijke neiging de natuurlijke wereld te benoemen en observaties te verweven met de kennis, herinnering, mythologie en morele lessen die van belang zijn in relatie met het landschap.

Piet Gerbrandy, Edzard Mik, Dirk Vis en Dirk van Weelden

namens de redactie