Dit is de slaapstad en iedereen slaapt, het is dan ook half drie ’s nachts. Daniël rijdt door donkere straten met rijtjeshuizen. Een wijk van veertig, vijftig jaar geleden, in voortuinen staan grote bomen en hoge coniferen. Zijn vrouw is hier opgegroeid. Ze zit naast hem, ze kijkt naar buiten, ze zijn op weg naar haar ouders.

De straten zijn leeg, ook onderweg hiernaartoe was er nauwelijks verkeer. Dit is beter dan de file ’s ochtends, bedenkt hij tevreden, dit is waar auto’s voor bedoeld zijn, ongehinderd doorrijden tot je op je bestemming bent aangekomen. Jammer dat zijn schoonouders zo dichtbij wonen. Hij moet vaker ’s nachts gaan rijden, alles gaat bijna vanzelf. Hoe doet hij dat toch elke ochtend, stoppen en weer een stukje rijden, stoppen en weer een stukje rijden, hoe overleeft hij dat toch steeds, hoe slecht voor zijn hart moet dat niet zijn. Met je vingers op het stuur trommelen. Een liedje neuriën en dan zelf niet weten welk liedje het is. De radio aanzetten. Een andere zender opzoeken. Verkeersinformatie. Ja, we staan in een file, dat weet ik zelf ook wel.

Hij kijkt opzij naar Marion. ‘Heb je vanmorgen nog naar de radio geluisterd?’

Ze kijkt hem verbaasd aan, met samengeknepen ogen, verbazing die elk moment in verontwaardiging kan veranderen.

‘Toen ik in de file stond,’ zegt hij. ‘Radio 4. Ik viel ermiddenin, er belde een vrouw, ik weet niet precies wat het was, iets met de muziekvoorkeur van bekende Nederlanders of zo, ze had een heel verhaal over het verschil tussen Bach en Mozart, ik dacht, misschien heb je het wel gehoord, jij hebt daar meer verstand van dan ik.’

Marion kijkt naar buiten en schudt haar hoofd.

Er was iets met die vrouw geweest, ze had een heel verhaal gehouden, maar daar ging het niet om, nou ja, ook wel, ze hield maar niet op, maar het ging vooral om de klaaglijke toon waarop ze haar verhaal had gedaan. Hij weet nog wat hij had gedacht terwijl hij naar haar luisterde: een vrouw die vroeger mooi geweest is. Hij wist niet eens precies waarom hij dat dacht, het had met die stem te maken.

‘Bach was te perfect, of zoiets,’ zegt hij. ‘Daar kwam het op neer wat ze vertelde. En nu wilde ze van Mozart houden.’

Marion kijkt hem aan. ‘Waar héb je het over?’

‘Gewoon,’ zegt hij, ‘misschien had je het ook gehoord.’ Ze heeft gelijk, waar heeft hij het over, ze zijn met andere dingen bezig. Hij kijkt opzij. Ze lijkt niet boos of verbeten, en dat stelt hem weer een beetje gerust. ‘Maak je je bezorgd?’

Ze haalt haar schouders op.

‘Nou ja, domme vraag,’ zegt hij. ‘We zullen het zo wel zien.’

Ze sliepen al toen ze werden gebeld. Daniël stapte uit bed en liep naar de woonkamer, werktuiglijk, bijna slaapwandelend. Toen hij zag dat het Johanna was, nam hij de telefoon zonder op te nemen mee terug naar de slaapkamer en gaf hem aan Marion, die ondertussen het licht had aangedaan en hem vragend aankeek. ‘Je zuster,’ zei hij. Hij bleef naast het bed staan, het was midden in de nacht, er was vast iets met iemand gebeurd.

Marion luisterde naar haar zus. Johanna praatte zo hard dat Daniël haar vrijwel woordelijk kon verstaan. Ze zei dat ze er vanmiddag nog was geweest en toen waren ze allebei ziek geweest. En nu namen ze niet op, de hele avond al niet. Ze hadden een telefoon naast hun bed, dus het kon niet zo zijn dat ze de telefoon niet hoorden. Ze had drie keer gebeld, minstens. Ze moesten thuis zijn, ze waren veel te ziek om weg te gaan, en bovendien, ze gaan niet meer uit, ’s avonds. Ze wist dat het laat was maar ze kon er niet van slapen, er was vast iets aan de hand. Ze moesten zo’n alarmknop hebben, hoe vaak had ze dat nou al niet gezegd?

Marion zei: ‘Ja… ja… ja…’ Niet verveeld, maar peinzend, alsof ze informatie verwerkte. ‘Hoe ziek waren ze vanmiddag?’

Behoorlijk ziek. Koorts. Allebei. Griep, misschien was het wel longontsteking.

Daniël probeerde Marions blik te vangen en geruststellend zijn hoofd te schudden. Johanna maakte zich altijd veel te druk. Alsof mensen meteen dood waren als ze de telefoon niet opnamen. Waarom wachtte ze niet tot morgenochtend, waarom ging ze er zelf niet naartoe? Oké, ze had geen auto. Maar toch.

Marion keek hem vragend aan, alsof hij een geluid had gemaakt. Meteen begon hij geruststellend zijn hoofd te schudden, maar Marions blik veranderde niet. De vragende blik was niet voor hem bedoeld. Johanna’s zorgen waren naar Marion overgeslagen, als een virus dat haar via de telefoonlijn had besmet. Het wás natuurlijk ook raar, als ze een telefoon naast hun bed hadden staan. Maar zouden ze dan allebei te ziek zijn om op te nemen? Dat was ook raar. Laat staan dat ze allebei tegelijk zouden zijn overleden.

‘Johanna vraagt zich af of ze de politie moet bellen,’ zei Marion. Hij schudde zijn hoofd. ‘We rijden er wel even naartoe.’ Hij verbaasde zichzelf, maar voelde meteen dat hij een goede beslissing had genomen. Hij zei het nog eens, harder, zodat Johanna het ook kon horen: ‘We rijden er wel even naartoe! ’t Is vast niks, misschien ligt de hoorn eraf! Maar we gaan wel even kijken!’

‘Ik bel je wel als we er geweest zijn,’ zei Marion, daarna verbrak ze de verbinding.

Zie je wel, dacht hij, ze maakt zich zorgen, ze protesteert niet. Als ze tegen hem had gezegd: hoe bedoel je, wíj gaan er wel even heen, beslis jij dat? Ga er zelf maar heen, het is jouw idee – dan was hij weer in bed gekropen, dan hadden de zusjes het zelf mogen uitzoeken.

Ze parkeren op de plek waar ze de auto altijd neerzetten, op de parkeerplaats bij de garageboxen. Daniël loopt naar de voordeur. Marion roept hem terug, zachtjes. ‘Achterom!’

Natuurlijk, denkt hij, terwijl hij achter haar aan het gangetje tussen de achtertuinen in loopt (schuttingen links, schuttingen rechts), voor je het weet bezorg je ze een hartaanval door om half drie ’s nachts aan te bellen. Gaan ze alsnog dood. ‘Hoe komen we binnen?’ fluistert hij. Marion maakt een geruststellend gebaar, zonder zich om te draaien. Zij heeft de leiding. Prima, het zijn haar ouders.

Ze hadden een zaklantaarn mee moeten nemen. In de achtertuin loopt hij tegen een waslijn aan. Hij voelt aan zijn voorhoofd. Geen bloed, en de pijn is meteen weer weg. Het was geen pijn, het was schrik.

Marion tilt een bloempot op en haalt er een sleutel onder vandaan.

‘Ach,’ fluistert hij. ‘De methoden van de provincie. En je weet nog steeds welke bloempot.’

‘Natuurlijk.’ Marion opent de achterdeur. Geen extra grendels, dievenklauwen, wat dan ook. Alsof ze teruggereisd zijn in de tijd. Binnen is het donker. Daniël snuift. Geen lijkenlucht. Niet dat hij weet hoe lijken ruiken, maar toch. Marion kijkt om. Stel je niet zo aan, zegt haar blik, natuurlijk ruik je niets.

De keuken, de kamer, de gang. Alles is leeg. Ze blijven van de schakelaars af, Marion licht bij met haar mobiele telefoon. Dat had ze net in de tuin moeten doen, dan was hij niet tegen die waslijn aangelopen. De trap op, de hal. Wat is hun slaapkamer? Marion weet het, ze doet de deur open. Hij stapt achter haar aan naar binnen. De lucht is dikker hier, en warmer.

Er klinkt tweestemmig gesnurk. Er is niets aan de hand. Ze liggen in bed en ze slapen. Allebei in dezelfde houding, op hun rug, hun hoofden een beetje achterover, alsof ze dromen dat er zo iemand langskomt met neusdruppels. Ze snurken vol overgave, alsof ze een wedstrijd houden. Kan je wel snurken met je hoofd zo ver achterover? Blijkbaar kan het, want ze doen het. Hoe dan ook, zijn schoonouders leven nog, dat is het belangrijkste. Het gesnurk gaat door, een vervelend, droog geluid, hij krijgt de neiging zijn keel te schrapen en slijm uit te spugen.

Marion laat het licht van haar telefoon over het nachtkastje glijden. Een waterglas, een opengescheurd pakje aspirines, daarnaast de telefoon, een ouderwets toestel met kleine zwarte druktoetsen. Marion wijst, en Daniël knikt: de hoorn ligt gewoon op de haak.

Hij glimlacht. Ze snurken zo hard dat ze door het geluid van de telefoon heen slapen, dat zal het zijn. Of misschien is het toestel kapot. Hij loopt naar het nachtkastje, tilt voorzichtig de hoorn op en luistert. Een ver gezoem. Hij knikt naar Marion en legt de hoorn terug. ‘En nu?’ fluistert hij. Zijn schoonouders zagen door, in een onzeker, kwetsbaar ritme, het geluid van haperende, taaie machines uit fabrieken die dingen produceren waarnaar allang geen vraag meer is.

‘Laten slapen,’ zegt Marion zacht.

Daniël knikt. Kussen erop, even aanduwen, klaar. Hoe lang zou het duren? Niet zo lang, zo sterk zijn ze niet meer. Of zouden ze op zo’n moment over onvermoede krachten beschikken? Iedereen wil blijven leven. Het zou een uitputtend gevecht worden, met veel gehijg, uiteindelijk zou hij winnen. Hij voelt zich niet eens schuldig, waarschijnlijk denkt Marion hetzelfde, met nog meer overtuiging, het zijn haar ouders, niet de zijne.

‘Zullen we gaan?’ fluistert hij.

Marion knikt.

Daniël begint achterwaarts de slaapkamer uit te lopen, alsof hij bang is dat ze wakker worden zodra hij ze de rug toekeert. Zachtjes de trap weer af, de kamer door. Ze zijn al bijna bij de keuken als Marion een hand op zijn arm legt.

‘Kijk nou.’

Hij volgt haar blik. Midden in de kamer zitten twee Siamese katten, rechtop, naast elkaar. Zwarte koppen, zwarte poten, lichte lijven. Ze zitten midden in een vage lichtvlek. Waar komt dat licht vandaan, de maan, een lantarenpaal? De katten kijken hen kalm en berustend aan, alsof het om een ontmoeting gaat die al lang op de agenda stond. Er heerst volkomen bewegingloosheid. Daniël glimlacht, hij doet het niet eens zelf, hij voelt het gebeuren. Dit is sterker dan hij, hij moet zich hierbij neerleggen. Fris water spoelt door hem heen, het is alleen geen water, het is opgetogenheid. Het is alsof hij dit herkent, alsof hij altijd al heeft vermoed dat het op deze manier aan hem zou worden geopenbaard – iets, wat dan ook, dit hier, dit wat zich niet laat benoemen, twee Siamese katten in een lichtvlek. De vorm waarin het zich openbaart is toeval, het had ook iets anders kunnen zijn, twee hijgende draakjes desnoods, met bekjes waaruit damp ontsnapt. Maar dat is juist het mooie, dat het twee katten zijn, alsof het vanzelf spreekt, alsof het echt gebeurt.

‘We hebben vast de keukendeur open laten staan toen we binnenkwamen,’ zegt Marion zacht. Ze loopt bij hem weg, naar de keuken. ‘Ja, zie je wel.’ Hij hoort hoe ze de keukendeur verder openduwt. ‘Jaag ze maar deze kant op.’

Hij blijft naar de katten staren, hoe ze daar zitten, sierlijk en statig tegelijk, met hun staart voor hun voorpoten gedrapeerd, alsof ze zo hun tenen warm houden. Hij voelt betekenis groeien, nog even en hij zal het weten, hij krijgt de neiging om ze te vragen waar ze zijn hele leven zijn geweest. Maar na nog een aansporing van Marion roept hij: ‘Ksst!’ Hij maakt er zwaaiende armgebaren bij. ‘Ksst!’ Pas als hij op ze af loopt, schieten ze weg. Geluidloos rennen ze de kamer uit, door de keuken, langs Marion naar buiten.

Daniël kijkt om zich heen, tevreden nu ze weg zijn, een klus geklaard. ‘Zo,’ zegt hij, ‘en nu naar huis.’ Hij loopt naar buiten. Marion sluit af en stopt de sleutel onder de bloempot. Van de katten geen spoor.

‘Bel Johanna maar even,’ zegt hij wanneer ze de wijk uit rijden. Ze werpt hem een blik toe die hij herkent, niet boos, maar berustend, met een zweem van verontwaardiging. Ze houdt er niet van als hij dit soort suggesties doet, voor haar is hij op dergelijke momenten te vaderlijk, en meestal heeft ze alles wat hij suggereert zelf al verzonnen, kijk maar, ook nu weer: ze had haar telefoon al gepakt voor hij het zei.

Maar hij torpedeert zijn eigen suggestie. ‘Nee, wacht.’ Hij stopt, midden op de weg, ze kijkt hem verbaasd aan. ‘Wat,’ zegt hij, en hij moet een glimlach onderdrukken, even lijkt het er zelfs op dat hij de slappe lach krijgt, en hoe vreemd is dat, de slappe lach, nu? Nee, de aanvechting zakt weg zonder sporen achter te laten. ‘Wat als ze vandaag twee katten hebben gekocht?’

Marion kijkt hem aan. Ze zwijgt een seconde. Dan zegt ze: ‘Waarom zouden ze dat nou gedaan hebben? Op hun leeftijd? En dan nog wel twéé?’ Maar ze twijfelt al, hij ziet het.

‘Waarom niet? Ze worden steeds vager, daar waren we het toch over eens? Misschien voelden ze zich eenzaam, en kregen ze opeens een opwelling… Of wie weet, wacht!’ Een ander idee. ‘Misschien logeren die katten wel bij hen, van vrienden die op vakantie zijn of zo.’

‘Welnee… Hun vrienden zijn allemaal veel te oud en gebrekkig om op vakantie te gaan.’

‘Nou ja, wie weet. Vrienden die naar een verzorgingstehuis moeten dan, waar ze geen huisdieren mogen meenemen. En dat zij die katten hebben overgenomen.’

Marion bijt op haar onderlip en knikt.

‘We rijden gewoon even terug,’ zegt hij. ‘Als we een kattenbak en voerbakjes zien staan, weten we dat die katten daar horen. Het zal wel niet, anders was het ons net wel opgevallen. Maar toch, je ziet niet alles in het donker. En als we niets zien, dan weten we zeker dat ze naar binnen zijn geslopen. Laten we het hopen, anders moeten we er ook nog voor zorgen dat ze weer terugkomen. Staan we straks die hele wijk vol te plakken met van die A-viertjes. Vermist. Poekie en Snoekie.’

‘Poekie en Snoekie?’

‘Beffie en Kleffie, weet ik veel. Ja? Gaan we terug?’

Marion knikt, hij keert, ze rijden terug en parkeren op dezelfde plek. Het gangetje tussen de schuttingen, de achtertuin. De sleutel onder de bloempot. Ze sluipen naar binnen, Marion licht weer bij. Nergens in de keuken een kattenbak of voederbakjes, het ruikt ook helemaal niet naar kat, natuurlijk, ze hebben geen katten, het is onzin. Waar zou nog meer een kattenbak kunnen staan, in de gang? Ze lopen door, ook daar is niets te zien. Bij de trap kijkt hij omhoog. Nee, denkt hij, niemand zet boven een kattenbak neer, ook niet als je dementeert, en anders hadden we boven wel iets geroken, daarnet.

‘Niets hè,’ fluistert Marion.

‘We kunnen wel weer gaan,’ zegt hij. Hij blijft nog even luisteren of hij boven iets hoort, daarna loopt hij achter Marion aan terug naar de keuken, naar buiten. De sleutel onder de bloempot, het gangetje door, naar de auto.

‘Nu gaan we niet meer terug hoor,’ zegt hij wanneer ze van de parkeerplaats wegrijden. Nergens in de wijk brandt licht, nog steeds is er niemand wakker. Naast hem belt Marion met haar zus. ‘Daniël had ze al Poekie en Snoekie gedoopt.’ Ze luistert, dan zegt ze: ‘Ja, dat was natuurlijk handiger geweest.’ Daniël kijkt opzij. Marion laat de telefoon een paar centimeter zakken. ‘We hadden haar meteen moeten bellen.’

‘Wie?’

‘Johanna.’ Kort knikje naar haar telefoon. ‘Ze was er vanmiddag nog. Zij had geweten of ze opeens twee siamezen hadden.’

‘Natuurlijk.’ Hij schudt zijn hoofd, met een toegeeflijke glimlach.

Marion brengt de telefoon weer naar haar oor en praat zachtjes verder. Hij luistert naar het geluid van haar stem, de kleine pauzes die ze laat vallen, vanuit zijn ooghoek ziet hij de kleine hoofdbewegingen die ze maakt. Zo praat en zwijgt ze ook als ze met mij belt, denkt hij, maar dan zie ik het niet, en het is ook niet hetzelfde, helemaal hetzelfde is het nooit. Hij stuurt de auto door donkere, lege straten, terug naar huis, en hij denkt weer aan de vrouw die hij vanmorgen op de radio hoorde. De dag was nog maar net begonnen, over de weilanden hing nog nevel. ‘Eeuwigheidswaarde’, daar had ze het over gehad, de eeuwigheidswaarde van de muziek van Bach, en de ‘wiskundige onvermijdelijkheid’ ervan, wat al niet. Ze had daar altijd veel van gehouden, vertelde ze, maar de laatste tijd had ze het idee dat die muziek iets miste, nee, dat die muziek haar buitensloot, dat had ze gezegd, ze had het idee gekregen dat die muziek haar buitensloot omdat hij zo perfect was dat hij ook wel zonder luisteraars kon. Ze had begrepen dat die muziek haar iets voorspiegelde waaraan ze nooit zou kunnen voldoen, en misschien was ze daardoor te streng en te rigide geworden. Nu deed ze haar best om van Mozart te houden, zei ze, Mozart was minder streng, menselijker, ze had het idee dat Mozart haar goed zou kunnen doen, ze zou er een ander mens door kunnen worden, vrijer, meer in evenwicht met haar omgeving. Maar ze was er tot nu niet in geslaagd tot die muziek door te dringen, ze kwam niet verder dan de oppervlakte, het lukte haar niet om ervan te houden, hoe ze haar best ook deed.

Hij hoort weer haar klaaglijke stem, de stem van een vrouw die ooit mooi moest zijn geweest. Ze had bijna wanhopig geklonken, alsof er veel van afhing, en hij had haar een aanstelster gevonden. Kom op, Bach of Mozart, zet gewoon wat muziek op en trek een fles wijn open, het is geen zaak van leven of dood. Maar nu hij eraan terugdenkt, voelt hij meer sympathie voor haar. Niet dat hij haar nu opeens begrijpt, zo is het niet, daarvoor heeft hij ook veel te weinig verstand van de verschillen tussen Bach en Mozart, maar ook al kan hij zich weinig bij haar worsteling voorstellen, voor haar was het belangrijk, en hij hoopt dat ze vindt wat ze zoekt.

Rob van Essen (1963) heeft in 2019 de Libris Literatuur Prijs ontvangen voor zijn roman De goede zoon. In het najaar van 2020 verschijnt zijn nieuwe verhalenbundel Een man met goede schoenen.

Meer van deze auteur