Read the English version here.

Op 14 november 2012 ontving Daniel C. Dennett in het Paleis op de Dam uit handen van Prins Willem-Alexander de prestigieuze Erasmusprijs (150.000 euro). Als thema voor de prijs was dat jaar gekozen: de culturele betekenis van de natuurwetenschappen. De Stichting Praemium Erasmianum zocht ‘een alom bekende en gerespecteerde wetenschapper, die een breed overzicht heeft over de natuurwetenschappen, zich heeft ingespannen om die inzichten te vertalen naar de samenleving, en een inspirerende rol heeft gespeeld vanuit de overtuiging dat de wetenschap essentieel en in positieve zin bijdraagt aan de beschaving’. Daniel Dennett, auteur van onder meer van het controversiële Het bewustzijn verklaard en Darwins gevaarlijke idee, voldeed prachtig aan deze eisen.

De Stichting gaf mij de gelegenheid Dennett te interviewen voor De Gids. Ik was daar heel blij mee, want ik zat al lange tijd met een aantal nijpende vragen over de waarde van het wetenschappelijk onderzoek naar bewustzijn en ik wilde deze graag voorleggen aan iemand die we gerust de leidende filosoof van het bewustzijn van dit moment kunnen noemen. Ik stelde professor Dennett voor ons interview te beschouwen als deel van het gesprek tussen kunst en wetenschap, of tussen literatuur en filosofie. Ikzelf zou de kunst en literatuur vertegenwoordigen (wat in wetenschappelijk jargon het first person perspective heet) en hij zou de afgevaardigde zijn van de wetenschap en filosofie (het third person perspective).

Dennett ging hiermee akkoord, en toen legde ik hem meteen mijn prangendste vraag voor. Deze komt in de loop van het gesprek in allerlei variaties terug. Ik moet bekennen dat het me niet meevalt, wat Dennett zoal antwoordt, vooral niet als hij aan het slot van het interview ingaat op mijn allerbelangrijkste vraag: waarom hebben we überhaupt bewustzijn nodig? Professor Dennett heeft onderstaande weergave van het gesprek goedgekeurd.

AM: Wat winnen we ermee als we begrijpen hoe het bewustzijn werkt? Of omgekeerd: wat zouden we missen als we voor het bewustzijn geen wetenschappelijke of objectieve verklaring hadden, of wat u omschrijft als het ‘derdepersoonsperspectief’?

DD: Laten we om die vraag te beantwoorden eens doen of we marsmannetjes zijn. We landen op Aarde en zien al die tweebenigen rondlopen, druk bezig met van alles en nog wat, boeken schrijven, naar de bioscoop gaan, en al die andere dingen die mensen doen: vechten, beminnen, op het land werken, eten. We willen deze complexe levensvorm begrijpen. Als wij als marsmannetjes nu de taal van de mensen leren verstaan, zodat we iets begrijpen van de geluiden die ze maken als ze de delen bewegen waarmee ze eten, en van de boeken die ze schrijven, dan komen we er al snel achter dat ze het niet alleen maar hebben over het weer en het eten en dat soort dingen. Ze praten over wat ze denken, over wat er zich in hun hoofd afspeelt. Ze praten niet (of zelden) over wat er in hun longen gebeurt, in hun alvleesklier, hun darmen. Maar ze hebben het voortdurend over wat er tussen hun oren plaatsgrijpt. Hoe lukt ze dat? En is het waar wat ze zeggen?

Zo zouden we erachter komen dat dat niet altijd het geval is. Soms liegen mensen, en soms liegen ze niet maar hebben ze het gewoon mis. Maar als we tussen hun oren kijken, in hun hersenen, dan is het knap lastig om te zien in hoeverre iets van al de elektrische en chemische activiteiten die daar plaatsvinden – de verspreiding van neuromodulatoren, het gezoem van actiepotentialen – het onderwerp van hun gesprek zou kunnen zijn. En toch moet er zoiets aan de hand zijn. Het is een raadsel, en volgens velen is het het laatste onontgonnen terrein van de wetenschap. We snappen hoe voortplanting werkt, hoe aardbevingen kunnen ontstaan. We begrijpen bijna alles, maar juist dit ene gaat ons boven de pet. Sommigen gaan nog verder en zeggen dat het een mysterie is dat we nooit zullen doorgronden.

Zegt u nu dat wetenschap in wezen bedoeld is voor marsmannetjes? Of althans voor mensen die zich als buitenstaander opstellen?

Wetenschap is er voor de nieuwsgierigheid, voor nieuwsgierige mensen, voor nieuwsgierige actoren, of dat nu marsmannetjes zijn of aardbewoners. Wij zijn de soort die vraagt naar het waarom. Soms willen we weten wat mensen ertoe brengt om iets te doen – waarom dragen we kleren? Soms vragen we naar de bestaansreden van iets. En soms vragen we hoe dingen zo hebben kunnen worden als ze nu zijn. Waarom zit er in gedroogde modder zo’n patroon van scheuren? Dat dient nergens toe, het is gewoon een natuurproces. Dat proces kun je zo omschrijven: als modder opdroogt gaat hij krimpen, het water verdampt en de scheuren moeten toch ergens ontstaan. Zo vormt zich dat patroon, en desgewenst kun je het nog veel gedetailleerder beschrijven. Als we nu vragen naar het waarom van het bewustzijn, blijkt zowel de vraag waar het toe dient moeilijk te beantwoorden als die hoe het zo is geworden. Maar we komen wel steeds verder.

Natuurlijk hoef je niet letterlijk alles te willen weten, tot in het kleinste detail. Ik vraag me af of Jane Austen of Charles Dickens of Cervantes of Marcel Proust… Laten we hem als voorbeeld nemen. Zou Marcel Proust geïnteresseerd zijn geweest in de huidige cognitieve neurowetenschap? Ik betwijfel het. Hij had zo zijn eigen manier om zijn nieuwsgierigheid te bevredigen naar wat er zich in iemands hoofd afspeelt. Toch zou het me erg van hem tegenvallen als hij die andere vorm van nieuwsgierigheid niet zou begrijpen, ook als hij er zelf niet op door zou willen gaan. Ik zou denken dat Proust in elk geval snapt dat er meerdere soorten vragen zijn die het verdienen te worden onderzocht, en dat er naast zijn vorm van nieuwsgierigheid naar ons innerlijke leven ook andere vormen bestaan. Hij kan daar zelfs een bijdrage aan leveren. Ik heb het bewustzijn ooit omschreven als de Joyceaanse machine, bij wijze van algemene term voor de processen die het menselijk bewustzijn ondersteunen in de hersenen.

In uw boeken en artikelen noemt u deze mechanische of materialistische benadering van de werking van het brein ‘heterofenomenologie’. Daarmee bedoelt u dat mensen iets vertellen over wat ze ervaren, maar dat er zich in hun hersenen iets heel anders afspeelt. Mensen formuleren in wezen wat ze geloven dat er gebeurt, en het is aan de wetenschap om te formuleren wat er werkelijk plaatsgrijpt.

In zekere zin berust alles wat we zeggen op wat we geloven, of dat nu een wetenschappelijke aanname is of een vermoeden over wat er in ons hoofd gebeurt. Maar waar het om gaat is dat we de juiste vragen stellen voordat we een theorie ontwikkelen. Wat zijn onze feitelijke gegevens? Welke reeks fenomenen dient de wetenschap te verklaren? Ik zou zeggen: trek geen overhaaste conclusies door te zeggen dat we de innerlijke gevoelens van mensen moeten verklaren. Daar hebben we geen feitelijke gegevens over, want we hebben geen directe toegang tot die gevoelens. We hebben alleen toegang tot wat mensen denken dat hun innerlijke gevoelens zijn. Daar kunnen ze iets over vertellen als we ernaar vragen.

Ze kunnen daar niet alleen over praten, maar ons er ook iets over laten weten door op een knop te drukken, een auto te besturen of een lijn te trekken in een grafiek. Ik heb het over het gedrag waarin hun bewustzijn tot uiting komt, niet zoals een gedragspsycholoog dat zou omschrijven, maar in de zin van iemands pogingen om aan een ander te vertellen hoe het is om ‘mij’ te zijn. ‘Dit is de wereld zoals ik hem ervaar, dit is nu mijn wereld.’ John Irving schreef de roman De wereld volgens Garp, en daar hebben we er allemaal eentje van. Dat levert volgens mij het maximale aantal gegevens op waarover we kunnen beschikken. Als er zich binnen de persoon X dingen afspelen waar X ons niets over kan melden omdat X zich daar geen voorstelling van kan maken, of die nu juist is of niet, dan behoort dat niet tot het deel van X’ bewustzijn waar wij – en X – toegang toe hebben.

Als iemand vertelt wat hij of zij voelt, zei u daarnet, dan kan dat gelogen zijn. Hoe valt zoiets te controleren?

Ten eerste zijn er naast de niet al te nauwkeurige leugendetectoren die overal ter wereld door de politie worden gebruikt inmiddels geavanceerdere manieren om de hersenactiviteit van mensen te onderzoeken. Een leugendetector kan dus een redelijk betrouwbaar onderzoeksinstrument zijn. Ten tweede bereidt de heterofenomenologische methode het subject op zo’n manier voor dat we hem of haar geen antwoorden in de mond leggen. Daarin verschilt dit type onderzoek sterk van andere vormen van wetenschap. Als je als chemicus in een laboratorium werkt, hoef je niet te fluisteren uit angst dat je onderzoeksmateriaal kan horen wat je wilt dat het doet. In het heterofenomenologische lab fluister je zelfs niet eens en houd je het doel van het experiment angstvallig geheim, zodat je proefpersonen geen enkele reden hebben om te gaan liegen.

Liegen is feitelijk: je weet hoe het zit, maar je zegt iets anders. Maar mensen vertellen ook vaak de waarheid, en dan nog is de wetenschap niet echt geïnteresseerd. Ik zag eens op tv twee gewone mensen praten over hun bijna-doodervaring. Een man vertelde hoe hij in een meer verdronk en opeens het gevoel kreeg naar een licht te worden getrokken. Hij voelde zich heel gelukkig en rustig, maar toen verschenen er oude vrienden van hem die jaren terug waren overleden en zij zeiden hem dat hij terug moest, dat hij nog verder moest leven. Hij vertelde hoe verdrietig hij was dat hij terug was gekeerd. Het was een heel emotioneel verhaal over een aangrijpende gebeurtenis. Daarna kwam de wetenschapper aan het woord en zei: o, dat is een typisch geval van zuurstofgebrek in de hersenen, een bekend fenomeen, dat zie je ook bij mensen die extreem dronken zijn of aan wurgseks doen. Mijn conclusie was toen dat er tussen het eerste- en het derdepersoonsperspectief nooit een echt gesprek zal plaatsvinden. Aan de ene kant hebben we iemand die een existentiële ervaring heeft gehad. Dat kan een illusie zijn, maar het is wel een heel fundamentele. En anderzijds hebben we iemand die het heeft over zuurstof en rare seks. Ik vind het subjectieve, eerstepersoonsperspectief hier veel interessanter en overtuigender dan de uitleg vanuit de derde persoon.

Ik vind ze allebei interessant. Ik geloof niet dat de een veel interessanter is dan de ander. Als je meent dat een aan den lijve ondervonden ervaring overtuigender is, of op de een of andere manier weet door te dringen tot een rijk van betekenissen waar we op geen enkele andere manier toegang toe hebben, en dat zo’n reis door dat andere rijk accuraat is beschreven, dan stel je je iets voor wat misschien waar zou kunnen zijn. Maar we hebben tegelijk alle reden om aan te nemen dat dat niet het geval is.

Stel je voor dat iemand zegt: ik kom net terug van de planeet Venus en laat ik je zeggen dat het daar heel merkwaardig is, waarna hij er allemaal prachtige verhalen over opdist. Als je die verhalen gewoon mooi vindt en niet per se wilt weten of die man daar echt is geweest, prima, dan ben je een sciencefictionschrijver, en dat kan geweldig zijn. Maar je bent een dwaas als je die verhalenverteller zonder iets te checken op zijn woord gelooft wanneer je achter de waarheid wilt komen.

Als we checken wat er gebeurt tijdens een bijna-doodervaring valt alles op zijn plek. Het zijn voorspelbare ervaringen en ze zijn te verklaren, al gebeurt dat op een manier die er misschien iets aan af lijkt te doen. Dat is misschien jammer, misschien houden we die verhalen liever overeind omdat ze zo spannend zijn. Maar dan moeten we wel beseffen waar we mee bezig zijn. We verkiezen dan fictie boven de feiten omdat we zo van fictie houden.

Maar wat deze mensen vertellen is geen fictie. Ze hebben een overweldigende ervaring gehad en proberen daar de juiste beelden voor te vinden om uit te leggen of te verwerken wat hen is overkomen.

Dat is waar. Mijn vriend en collega Nicholas Humphrey en ik hebben in de jaren tachtig jarenlang onderzoek gedaan naar meervoudige-persoonlijkheidsstoornis. Hij is daar verder in gegaan en heeft mensen onderzocht die beweerden contact te hebben gehad met buitenaardsen, die waren ontvoerd en meegenomen in ruimteschepen. Veel mensen zijn dol op die verhalen en nemen ze ook heel serieus. Maar bij elk geval dat hij onder de loep nam, stuitte hij op overtuigend, zij het niet altijd sluitend bewijs dat diegene ooit seksueel was misbruikt. Die abductees zochten een manier om hun verhaal te kunnen doen, en deze vorm van fictie, die voor het grijpen lag, was prettiger voor ze dan de waarheid. Wat Humphrey nu zei was: als je geen overhaaste conclusies trekt, het fantastische aspect van de verhalen even buiten beschouwing laat en je afvraagt: waar hebben deze mensen het nu precies over? Dan kun je erachter komen dat ze allemaal slachtoffers van een misdrijf zijn, en dat verdient het zeker om nader te worden onderzocht.

Dat doet me weer denken aan Marcel Proust, als schrijver van fictie. Van wie kunnen we meer leren over de feitelijke werking van het bewustzijn of het geheugen: van Proust met de lange reeks romans van zijn Op zoek naar de verloren tijd_, of van de cognitieve wetenschap en de filosofie van het bewustzijn?_

We kunnen niets van de neurowetenschap leren als die niet heel veel leert van Proust. Uit de schat aan literatuur en uit de verhalen die gewone mensen vertellen, putten neurowetenschappers al hun ideeën. Waar zouden ze ze anders vandaan moeten halen? De cognitieve neurowetenschap bestaat zo’n vijfentwintig jaar, misschien vijftig als je het begrip wat oprekt. Er was niets wat er ook maar enigszins op leek of wat zo genoemd kon worden toen ik met onderzoek begon. Als je het hebt over ‘cognitieve’ neurowetenschap bedoel je de neurowetenschap die, voor het eerst in de geschiedenis, probeert om vanuit het perspectief van de geest naar de hersenen te kijken en over het brein na te denken alsof het een denkend ding is, een ding dat hoopt, gelooft, herinnert, dagdroomt, opmerkt. En waar begin je wanneer je cognitieve neurowetenschap wilt bedrijven? Je gaat naar de schrijvers en de autobiografieën, voor al hun verslagen over hopen, verwonderen, dagdromen, listen verzinnen, bang zijn.

Je kunt elke roman zien als een rijke verzameling van in principe mogelijke fenomenen die je kunt onderzoeken. En vergeet niet dat er in de wereld van de literatuur een krachtig zelfcorrigerend mechanisme werkzaam is. Mensen die graag romans lezen, lezen het liefst romans die niet zozeer feitelijk kloppen als wel naar het leven getekend zijn. Maar kijk eens naar alle slechte romans, en alle romans die überhaupt nooit zijn uitgegeven: de meeste schrijvers bakken er weinig van als ze iemands innerlijke leven beschrijven vanuit de eerste of zelfs de derde persoon. Degenen die dat wel goed kunnen, zijn beroemd. We kunnen zelf zien en erkennen dat dat grote schrijvers zijn. We zijn het erover eens dat Proust, Jane Austen, Joyce, Dickens, Flaubert werkelijk iets in woorden weten te vatten wat wij herkennen, zelfs als het wat zwaar is aangezet, een vertekend beeld geeft of omstandigheden schetst die ons vreemd zijn – denk aan Dostojevski’s Misdaad en straf. Je kunt romans met recht beschouwen als een rijke informatiebron over het menselijk bewustzijn.

Laten we iets meer afdalen in de cognitieve wetenschap. Volgens u ontstaan onze herinneringen en ons bewustzijn omdat onze hersenen volgens een model functioneren dat u aanduidt als ‘Fame in the Brain’ (roem in ons brein). Als iets maar vaak genoeg in de hersenen wordt herhaald, wordt dat deel van ons geheugen en bewustzijn. Dat deed me in eerste instantie aan televisie denken…

O nee, het hele punt van Fame in the Brain is nu juist dat het niet op televisie lijkt. Het begon allemaal met een artikel van mijn hand waarin ik zei dat het bewustzijn meer op roem lijkt dan op tv. Ik was erop uit met een goed tegenbeeld te komen, een tegengif voor het anders zo onweerstaanbare beeld van het bewustzijn als een innerlijke voorstelling die wordt geprojecteerd op een speciaal privéscherm in het cartesiaanse theater van de geest. Hoe verleidelijk dat beeld ook is, het slaat de plank volledig mis. Ik zocht naar een manier om dat denkpatroon te doorbreken, en zo kwam ik op roem. Op de televisie zijn is één ding, beroemd zijn is iets heel anders. Er komen veel mensen op tv die nooit beroemd worden, en veel beroemde mensen zie je nooit op tv. Als je nadenkt over het verschil tussen die twee fenomenen, denk je ipso facto na over het verschil tussen roem en televisie, en het bewustzijn is meer zoals roem dan als televisie in de hersenen.

Roem in de zin van iets wat steeds weer in beeld komt?

Roem is een soort politieke invloed. Sommige gebeurtenissen in de hersenen slagen erin alle aandacht naar zich toe te trekken. Andere gebeuren gewoon en zijn ook zo weer vergeten. Ze lossen op. In Amerika kun je van iemand zeggen dat hij clout heeft, waarmee wordt bedoeld dat hij politiek aanzien geniet. Het is niet helemaal hetzelfde als roem, maar wat in de hersenen gebeurt is ook niet echt roem. Ons brein is geen samenleving met kranten en zo meer. Maar sommige zaken in onze hersenen genieten meer clout dan andere, en juist die weten door te dringen tot ons bewustzijn. In de hersenen verwerf je op precies dezelfde manier clout als in de samenleving. Namelijk door krachtdadig en effectief in wisselwerking te treden met een heleboel andere dingen, zodat je een steeds grotere rol gaat spelen in alles wat er zich om je heen afspeelt.

In latere teksten vervangt u ‘Fame in the Brain’ door iets wat u het ‘Fantasy Echo model’ noemt. Het mooie van die term is dat hij berust op een misverstand: een student dacht dat zijn leraar het over fantasie-echo had, terwijl hij in werkelijkheid ‘fin de siècle’ had gezegd.

Een prachtig misverstand. Een vorm van serendipiteit die nauwelijks te weerstaan is.

Fantasy Echo betekent dat vrijwel alles dat wij ervaren fantasie is, of een illusie, of een geloof. Maar als dat vervolgens maar genoeg rondzingt in de hersenen en daar keer op keer echoot, wordt het deel van het bewustzijn. Dat is volgens mij precies wat kunstenaars en schrijvers proberen te bereiken bij hun toeschouwers of lezers: weerklank vinden voor hun fantasieën waardoor die als herinnering in het geheugen worden opgeslagen.

Een van de aspecten die ik zo mooi vind aan de metafoor of analogie van de Fantasy Echo is dat we nu eindelijk het juiste soort fenomenen hebben gevonden waarmee we modellen kunnen maken van wat er zich feitelijk in de hersenen afspeelt. Op dit moment wordt er binnen de neurowetenschap gewerkt aan modellen voor recurrent re–entry circuits: hersenloops of -lussen die een soort echo in zichzelf vormen. Neurologen ontwikkelen een model waarin hersenactiviteit wordt voorgesteld als lussen binnen lussen binnen lussen. Daarin klinken kleine, korte echo’s, grotere echo’s, en dan echt heel grote echo’s van de ene naar de andere hersenhelft, en ze kaatsen op allerlei manieren door het lichaam terug. Allemaal zijn ze in een of andere vorm recurrent, dus telkens terugkerend. De beste metaforische en beeldende beschrijving daarvan vind je in Doug Hofstadters prachtige boek Ik ben een vreemde lus. Maar overal duiken nu ook uitgebreidere, technische versies van hetzelfde idee op.

En de vraag is dan: hoe lang duurt zo’n echo?

Tot je doodgaat. En misschien nog langer als je een autobiografie schrijft.

Maar u beschrijft ook dat bij honden die echo hooguit een paar dagen duurt en dan wordt vergeten. Dan vraag ik me toch af hoe een hond denkt, met zo’n beperkte horizon van hooguit drie dagen.

Waarom denk je dat honden kunnen denken?

Ze nemen beslissingen, ze schatten situaties in en dan doen ze het een in plaats van het ander. Blijkbaar vindt er toch een soort rationeel proces plaats.

Laat me expres wat provoceren. We weten dat mensen dit een belangrijke ethische kwestie vinden en zich al vijfhonderd jaar lopen op te winden over de suggestie van Descartes dat dieren niet kunnen denken, omdat dat iets zou zeggen over wat je dieren aan mag doen. Het gaat dus om een moreel beladen kwestie. We kunnen er evenwel van uitgaan dat mensen doorgaans meer mensachtig denkvermogen aan dieren toeschrijven dan terecht is. Ze vergissen zich simpelweg in wat menselijk is – niet in wat een mens is – want ze rekken dat begrip zo op dat ook dieren eronder vallen, omdat dieren net als wij kunnen denken. Ik zou zeggen, van mij mag je, maar ga dan niet de fout in door te beweren dat je dat doet omdat dieren net als wij denken, want daar is bar weinig bewijs voor.

En zijn redenen te over om te beweren dat het denkvermogen, het bewustzijn en de ervaringswereld van dieren vele malen grover, simpeler en armoediger zijn dan die van ons. Het verschil tussen het bewustzijn van een hond en dat van een kind kun je vergelijken met het verschil tussen vogelzang en de menselijke taal. Het gaat dus om een enorm verschil. Vogelgezang is een vorm van communicatie, er zit enige structuur, grammatica, fonologie in, maar je kunt geen leugens verkopen, grappen maken, of je jeugd beschrijven. Je kunt maar heel weinig zeggen in vogelzang.

Weten we dat echt zeker?

Ja, dat weten we zeker. Iemand zei eens over dolfijnen: ‘Het zou best kunnen dat ze heel intelligent zijn, misschien wel intelligenter dan wij. Maar als dat zo is, weten ze dat verdomd goed te verbergen.’ Voor ieder experiment dat aantoont hoe slim dieren zijn – en mensen zijn dol op die verhalen – bestaan tien experimenten waaruit blijkt hoe dom ze zijn. Natuurlijk kun je zeggen: o, het dier had gewoon z’n dag niet, of dit experiment slaagt er niet in door te dringen tot het echte, wonderbaarlijke innerlijk van het dier. Nou ja, als je dat per se wilt, kun je onderzoek altijd aanvechten. Maar het gaat om gedegen onderzoek waarbij altijd sprake is van gedrag waar het dier op dat specifieke moment enorm bij gebaat zou zijn. Hij kan dan iets krijgen wat hij wil hebben, of iets vermijden wat hij niet wil. Die informatie geef je hem op een manier die voor hem herkenbaar zou moeten zijn, en toch gaat hij daar dan niet op in.

Een van mijn favoriete voorbeelden zijn de dolfijnen met hun legendarische intelligentie. Ja, het zijn zoogdieren en ze zijn dus een stuk intelligenter dan welke vis dan ook. Maar wacht even: waarom hebben tonijnvissers scubaduikers nodig om de dolfijnen uit hun netten te bevrijden? Dolfijnen kunnen enorme sprongen maken. Ze hoeven alleen maar over het net te duiken. Zo ingewikkeld is dat toch niet. Maar je moet ze helpen alsof het pasgeboren baby’s zijn. Kunnen ze niet zien waar ze uit de netten kunnen komen? Zijn ze dan zo in de war en gedesoriënteerd? Je zou denken dat het sluwe ontsnappers zijn, maar nee.

U erkent wel dat er zoiets als dierlijk bewustzijn bestaat?

Tuurlijk, er bestaat zoiets als dierlijk bewustzijn.

Maar is er bij dieren dan ook sprake van diezelfde Fantasy Echo?

Ja en nee. Bij lange na niet zoveel echo, en bij lange na niet zoveel fantasie. In de allereerste plaats, om weer advocaat van de duivel te spelen: ik wil mensen erop wijzen hoe sterk de argumenten zijn die pleiten voor scepsis ten aanzien van veel van de zaken waar we het hier over hebben. Er zijn veel dingen die dieren doen met een goede reden, maar het is niet per se zo dat ze die ook kennen.

De dwergplevier, een vogel die op de grond nestelt en bekendstaat om zijn afleidingsmanoeuvres, lokt het naderende roofdier weg bij het nest. Dat doet hij heel slim. Maar het is een vergissing om te menen dat de vogel denkt: eens even kijken, ik kan mijn jongen redden door die vos weg te lokken. Ik moet zo dicht bij de vos zien te komen dat hij denkt mij te kunnen pakken, maar ik moet ook net buiten zijn bereik blijven. En als de vos zijn belangstelling voor mij verliest, moet ik meer lawaai maken en nog zieliger gaan doen. Want dat doen ze dan. Maar uit niets blijkt dat ze nadenken over de vos. Het is een heel sluw instinct waar ze de vruchten van plukken, maar nadenken hoeven ze er niet bij.

Een dier hoeft niet na te denken om rationeel te zijn?

Om baat te hebben bij een rationele strategie hoeft een dier die rationele strategie niet zelf te kunnen bedenken. Stel je voor dat een vogel een nest heeft gebouwd voor het slaapkamerraam van een kind. Het kind kijkt hoe die vogel het nest bouwt, en bouwt dan zelf een nest dat er erg op lijkt. Het kind denkt: hoe doe ik dit? Ik moet iets hebben wat precies goed is voor het nest. Er zou een heel geavanceerd denkproces ten grondslag liggen aan de bouw van dat nest door het kind.

Het is een vergissing te menen dat het denkproces van de vogel ook zo geavanceerd is. Het is geweldig, en we kunnen er experimenten mee doen, we kunnen vogels ertoe aanzetten een nest te bouwen en ze verschillende materialen leveren en zien hoe bijdehand ze zijn. Maar dan zien we ook hoe ze simpelweg de vruchten plukken van gewoontes die ze niet noodzakelijkerwijs hoeven te begrijpen.

Er zijn veel dingen waarvan we niet hoeven te begrijpen waarom we ze doen: we niezen, we rillen als we het koud hebben, we geven over als we iets verkeerds hebben gegeten. We hebben goede redenen voor dat soort gedrag, maar het zijn niet onze redenen. We hoeven niet te snappen waarom we overgeven. De evolutie heeft ons allerlei goede redenen gegeven om dingen te doen die we niet snappen.

Maar waarom hebben mensen dan een bewustzijn nodig, waarom moeten wij kunnen denken als het ook zonder kan?

Kort gezegd is dat natuurlijk omdat andere mensen ook denken. Als je in een groep van denkers leeft, kun je maar beter zelf ook een denker zijn. Het is een talent waarmee je jezelf in leven kunt houden.

Maar waarom zijn mensen dan ooit begonnen met denken? Is dat evolutionair gezien een ontwikkeling die in ons voordeel werkt?

Met die vraag betreed je een heel ander terrein, daar moet je je goed bewust van zijn. En dan zou je moeten erkennen dat de ontwikkeling van het bewustzijn misschien toch niet zo’n goed idee was. Misschien ging het geleidelijk aan en was er sprake van een ongestuurde vorm van natuurlijke selectie. Het is net als met de pauwenstaart. Toen dat eenmaal was begonnen, was je enorm in het nadeel als je niet heel veel energie stak in de aanmaak van een gigantisch grote staart.

Misschien waren we allemaal beter af geweest als we nooit bewustzijn hadden ontwikkeld en in taal hadden leren spreken. Toen onze hersenen eenmaal met taal geïnfecteerd raakten, leidde dat tot een groeispurt en allerlei veranderingen waardoor we deze verbijsterende wezens met grote hersenen zijn geworden die zoveel energie steken in nadenken. Maar misschien zijn we daarmee wel in een evolutionair doodlopende steeg beland.

Kijk eens wat we hebben gedaan. Tienduizend jaar geleden, toen de landbouw ontstond, waren er zo’n vijfhonderdduizend mensen, misschien iets meer. Paul McCready berekende dat in die tijd de Homo sapiens plus hun gedomesticeerde dieren, hun vee en honden, een fractie van 1 procent vormden van de gewervelde biomassa, oftewel van de grote dieren hier op aarde. We waren veruit in de minderheid: 99,9 procent waren andere dieren. En dan rekenen we de zeevissen niet mee en de insecten, enzovoort. Nu, tienduizend jaar later, in evolutionaire termen gezien een oogwenk, wat denk je dat het percentage is? Wij mensen plus onze dieren – voornamelijk vee – vormen samen 98 procent van de gewervelde biomassa op onze planeet!

Tussen de mens nu en die van twintigduizend jaar geleden bestaat er amper genetisch verschil. Het verschil zit hem in de cultuur. De taal, het bewustzijn en de cultuur, die vormen vermoedelijk de grootste evolutionaire sprong in de geschiedenis van het leven op aarde. Zij zijn het snelst veranderd.

Bewustzijn houdt voor mij ook in dat wij mensen ons de dingen anders kunnen voorstellen dan ze zijn.

Dat is ook zo. Als we naar evolutionaire processen kijken, zien we dat dat over het algemeen processen bergopwaarts zijn. Het zijn plaatselijke verbeteringen. Totdat wij er waren, was niemand in staat om te zeggen: kijk daar, dat zou wel eens een bergtop kunnen zijn en om daar te komen moeten we door dit dal. Dus laten we eerst de koppen bij elkaar steken om te overleggen hoe we van hier naar daar kunnen komen. Ons vermogen om ons verschillende alternatieven voor te stellen is enorm effectief, en naar het zich laat aanzien beschikken andere soorten over niets wat daar ook maar enigszins op lijkt.

Vertaling uit het engels: maaike post