De onoverzienbaar uitvoerige culturele agenda waarmee iedere aflevering van het Amerikaanse weekblad The New Yorker opent – grotendeels nutteloze informatie voor de talloze lezers van dat blad die niet in New York City wonen – mondt meestal zo rond pagina 40 uit in een subrubriekje getiteld ‘On the horizon’. Elke lezer begrijpt direct: daar staan een paar tentoonstellingen, concerten of festivals vermeld die nog niet, maar wel binnenkort bezocht kunnen worden. Maar goed beschouwd is die titel een merkwaardige aanduiding. Hij veronderstelt dat datgene wat zich ‘on the horizon’ bevindt vanzelf – althans onvoorwaardelijk – dichterbij komt. Of beter gezegd: dat wij als lezers ons in de richting van die horizon voortbewegen en dat wij over enige tijd het punt in de tijd zullen bereiken dat zich nu nog in de verte bevindt. Deze omslachtige uitleg is volkomen overbodig, want zoals gezegd is de uitdrukking ‘On the horizon’ voor iedereen duidelijk. Toch is het de vraag hoe het komt dat iedereen bij die uitdrukking blijkbaar dezelfde associaties heeft. Kennelijk gaat daar, even impliciet als vanzelfsprekend, een bepaald denkpatroon achter schuil.

Dat denkpatroon heeft te maken met de mindset van onze westerse cultuur waar het de beleving van tijd en ruimte betreft. Die mindset wordt door een lineair denkpatroon gekenmerkt (‘wij bewegen ons in een rechte lijn op weg naar de toekomst’) en hij wordt beïnvloed door de aantrekkingskracht van datgene wat wij niet of nog niet waarnemen (‘achter de uiterste grens van ons blikveld zijn ontdekkingen te doen’). In dat onschuldige journalistieke rubriekskopje in The New Yorker openbaart zich de geestesgesteldheid van de mens, althans de westerse mens, die altijd op weg is om de wijkende grenzen van de individuele en collectieve eindigheid te verkennen. Het is die horizon van (on)eindigheid en vooral de geschiedenis daarvan, die het onderwerp vormt van de onlangs verschenen studie The Horizon. A History of Our Infinite Longing, geschreven door Didier Maleuvre (University of California Press, 2011).

Maleuvre is hoogleraar Frans en vergelijkende literatuurwetenschap aan de University of California, maar zijn boek bestrijkt veel meer terreinen, zoals de egyptologie, assyriologie, kunstgeschiedenis, filosofie, theologie, wetenschapsgeschiedenis, natuurkunde en wiskunde. Kortom, The Horizon is ideeëngeschiedenis met een breedte en een overkoepeling die in onze tijd nog maar zelden door een academisch auteur worden aangedurfd. Dat heeft zijn boek in Amerika dan ook het curieuze verwijt opgeleverd dat zijn boek ‘retro’ zou zijn. De foto van de auteur op de achterflap van zijn boek – een lamswollen pullover losjes over de schouders geslagen – suggereert een moeiteloos gemak in het omgaan met al deze uiteenlopende disciplines, maar die schijn bedriegt in zoverre dat The Horizon als boek zeer gedisciplineerd en kunstig is opgebouwd. Verdeeld in 25 hoofdstukken, die elk aan de hand van een periode of jaartal of zelfs een concrete datum een tijdvak in de westerse cultuurgeschiedenis bestrijken, loopt The Horizon van de Egyptische beschaving uit circa 2500 voor Christus tot aan de meest recente theorieën over de oerknal.

In zijn beschrijving van de Egyptische cultuur haalt Maleuvre bijvoorbeeld als karaktertrek vooral de obsessieve onbeweeglijkheid naar voren, de angst voor verandering en in het bijzonder die voor de verandering van het leven in de dood. Hij leest de Egyptische dodencultus, die zijn overledenen door balseming van een eeuwig en onveranderlijk bestaan wilde verzekeren, als de uiterste consequentie van een samenleving die grosso modo drieduizend jaar lang zichzelf is gebleven, in zichzelf gekeerd en zich richtend naar de regels van zijn goddelijke heersers. De Egyptische beeldcultuur, met haar over het algemeen uitdrukkingsloze gezichten en louter in het platte vlak weergegeven lichamen, is van dat tweedimensionale wereldbeeld de ons welbekende visualisering. De Egyptenaren hebben ook nooit systematisch gebieden buiten hun eigen rijk gekoloniseerd. Hun existentiële belangstelling gold bovenal het dodenrijk, de wereld aan de andere kant van de levenshorizon, niet wat er aan gene zijde van de fysieke horizon zou liggen. De eeuwigheid, aldus Maleuvre, was het toneel waarvoor hun kunstwerken bedoeld waren. Daartoe werd de levensgrens tot voorbij de dood opgerekt, waardoor de Egyptische cultuur haar immanente en permanente gestalte kreeg.

Voor de eerste echte confrontatie met de menselijke sterfelijkheid – niet de overgang naar het eeuwige leven, maar de dood als bron van pijn en verdriet – richt Maleuvre zijn blik op het Gilgamesj-epos, ontstaan in de eerste helft van het tweede millennium voor Christus in de Mesopotamische stad Uruk. In die confrontatie met de eindigheid van het bestaan komt, zo stelt Maleuvre, voor het eerst in een geschreven tekst het narratieve potentieel van het – van ieder – menselijk leven tot uitdrukking. Eenvoudig gezegd: de horizon van de dood maakt het mensenleven tot een verhaal. In Maleuvres reconstructie is het vervolgens aan de Homerische held Odysseus om de stap te zetten naar de sterfelijkheid als existentieel principe, en als bron van nieuwsgierigheid, van moed en van een onstilbaar verlangen. Een verlangen niet naar een ver weg gelegen eeuwigheid, maar naar het vertrouwde sterfelijke leven van het eigen huis, de eigen haard.

Het is even ondoenlijk als onnodig om hier alle stadia samen te vatten die Didier Maleuvre aflegt langs de uiteenlopende en elkaar in de tijd opvolgende culturele perspectieven op de horizon als symbool van de grens tussen het zichtbare en het oneindige, tussen het leven dat geleefd en begrepen moet worden en de eeuwigheid die het omringt. Via de oudtestamentische boeken Genesis en Exodus, de presocratische filosofen en aansluitend Plato en Aristoteles, komen wij met Maleuvre uit bij Paulus en Augustinus, de zoektocht naar de Heilige Graal, de kathedralenbouwers van de Gothiek, Thomas van Aquino en Nicolaas Cusanus, tot wij op een mooie aprildag van het jaar 1336 met Francesco Petrarca op de top van de Mont Ventoux staan, en enkele decennia later de eerste waarlijke landschapsschilderkunst kunnen begroeten. De Italiaanse uitvinding van het schilderkunstig perspectief krijgt uiteraard de volle aandacht, niet zozeer uit technisch oogpunt, als wel in verband met de ideeënontwikkeling die eraan ten grondslag lag en die erop volgde.

Heel karakteristiek in Maleuvres kroniek van de wisselwerking tussen de beperktheid van de mens en de goddelijke onmetelijkheid, is zijn behandeling van het werk van Leonardo en diens tijdgenoten, onder meer toegespitst op het genre van de Annunciatie, gevolgd door een mooi hoofdstuk over de humanistische levenskunstenaar Montaigne, van waaruit de auteur voor een korte ideeëngeschiedenis van de Barok overstapt naar het midden van de zeventiende eeuw.

Uit deze onvermijdelijk ietwat opsommerige weergave van nauwelijks meer dan de helft van The Horizon zou het kunnen lijken alsof het boek een soort encyclopedische opzet heeft, met lemma’s voor elke periode of stroming in het denken en de kunst. Die indruk zou onterecht zijn, want Maleuvre probeert juist om van zijn 4500 jaar omspannende studie een min of meer vloeiend betoog te maken, compleet met terug- en vooruitwijzingen en met charmante cliffhangers aan het slot van menig hoofdstuk. Ten overvloede excuseert hij zich in zijn voorwoord bij voorbaat voor wat hij noemt het episodische en peripatetische karakter van zijn werk, en geeft hij grif toe dat iedere pretentie van volledigheid bij een studie van deze opzet natuurlijk per definitie onmogelijk is.

Maar het is wat mij betreft juist die onvermijdelijke onvolledigheid die een boek als dit zo’n grote aantrekkingskracht verleent. Wanneer men zich eenmaal het perspectief, de invalshoek van de auteur heeft eigen gemaakt, dan kan men met die bril op allerlei andere voorbeelden of tijdperken bezien en aldus eigen toepassingen vinden voor het centrale idee dat aan het boek ten grondslag ligt. Niet alleen bevestigt dat het wetenschappelijke karakter van een dergelijke studie (objectieve bruikbaarheid van de verworven inzichten), maar ook schuilt daarin de mogelijkheid van een klein eerbetoon aan een boek als The Horizon. Het ‘ijsschotsen springende’ karakter van Maleuvres zoektocht naar de menselijke horizon maakt het zowel tot een uitdaging als tot een genoegen zelf een paar ijsschotsen te vinden, die het boek – en dat in theorie tot in het oneindige – kunnen aanvullen.

In die geest mijmerend zou ik in The Horizon bijvoorbeeld nog wel een hoofdstuk hebben willen lezen over de Romeinen. Over hun begrip van sterfelijkheid en onsterfelijkheid, en over hun zelfmoordcultus. Of over het thema van de verbanning, waarbij Romeinse keizers hun onwelgevallige personen letterlijk naar de horizon van hun onafzienbare rijk stuurden. De dichter Ovidius, aan wiens verbanning naar de kust van de Zwarte Zee wij zijn Tristia danken, zou van dat hoofdstuk een dankbare centrale figuur zijn geweest. Vanuit zijn ballingsoord in het tegenwoordige Roemenië schreef hij verlangend over de horizon, waarachter zich het geboorteland bevindt dat hij nooit meer terug zou zien. Dat de Romeinen bovendien ter afgrenzing van de door hen gecontroleerde wereld echte ‘horizonbouwers’ waren (neem de ‘limes’ in de Lage Landen of de Muur van Hadrianus in Noord-Engeland) maakt deze omissie in Maleuvres boek des te uitnodigender.

Zo zijn er meer wensen voor aanvullende hoofdstukken te bedenken: eentje over het tijdperk van de grote Poolexpedities aan het begin van de twintigste eeuw, met Scott en Amundsen wedijverend in het horizonloze witte niets. Of een hoofdstuk over het merkwaardige gegeven dat bergachtige landen zoals Tibet en Zwitserland, waar de horizon een bijna denkbeeldig verschijnsel vormt, het minst geneigd lijken tot agressie en veroveringsdrift. Of over de vervorming of zelfs verdwijning van het vertelperspectief in de modernistische roman: de uitdijende bewustzijnswereld van Prousts À la recherche du temps perdu en de implosie daarvan in Joyce’ Ulysses. Of een hoofdstuk over het politieke gebruik van de horizon in de socialistisch-realistische schilderkunst van de Sovjet-Unie of in het algemeen in de visuele propaganda en de retoriek van totalitaire regimes.

Op een dergelijke associërende manier, en persoonlijke voorkeuren niet schuwend, heeft de Gids-redactie, voor deze gelegenheid uitgebreid met schrijver dezes als gastredacteur, het thema van de horizon naar eigen smaak in verschillende richtingen uitgebreid en daar een aantal essayisten en wetenschappers bij uitgenodigd. Ook werden enkele dichters en verhalenschrijvers uitgedaagd om de horizon als oriëntatie te nemen voor nieuwe poëzie respectievelijk voor een speciaal ten behoeve van dit nummer geschreven verhaal. Bij elkaar levert dat een onderling zeer divers boeket op, bijeengehouden door het centrale gegeven dat Didier Maleuvre ons in zijn studie aanreikt. Ter kennismaking voor de Nederlandse lezer met The Horizon is in vertaling de tekst van hoofdstuk 22 uit het boek opgenomen. Dat deze hulde aan Maleuvre dus in meerdere opzichten een ruiker uit zijn eigen tuin is, mag geen afbreuk doen aan het gebaar waarmee de redactie, uit erkentelijkheid voor zijn inspirerende idee, dit nummer aan hem opdraagt.

Namens de Gids-redactie,
Maarten Asscher

Maarten Asscher (1957) debuteerde in 1992 met de bundel essayistische verhalen Dodeneiland. Sindsdien publiceerde hij een dozijn boeken in diverse literaire genres en een proefschrift over gevangenschap als literaire ervaring (Het uur der waarheid, 2015). In 2020 ver- schijnt bij De Bezige Bij een autobiografische roman over het leven van zijn Engelse grootouders. 

Meer van deze auteur