Achter haar werd een nieuwe bus toeristen uitgeladen. Kwetterend en foto’s makend, de reisgidsen in de hand, kwamen ze op haar af. Misschien dat ze daardoor niets speciaals voelde toen ze op de rotsen van Land’s End stond, met beneden zich de oceaan, op deze mooie dag een vrijwel rimpelloze vlakte. Land’s End, het verste puntje van Engeland, de plek waar haar tocht zou beginnen. Hoewel tocht, het was niet de Himalaya die ze ging beklimmen. Ze zou maximaal vijftien kilometer per dag afleggen en had een serie hotels en bed and breakfasts gereserveerd. Haar bagage droeg ze zelf.
Een korte wandelvakantie, een reisje van niks. Desondanks had ze het zo tegen de jongens gezegd: ik ga een tocht maken. Boven haar hoofd wiekte een helikopter, het bulderde door haar lichaam. De jongens die nu in de studiezaal zaten, hun roes uitsliepen, een pak drinkontbijt kochten. Het was buiten haar bereik. Zo hoort het te gaan, dacht ze, zo is het leven. Het leerde lopen, het groeide op, het maakte fouten, viel, krabbelde weer op, ging dood. Niets kon je vasthouden, langer dan een omhelzing duurde.
Tegen dit soort gedachten in stond ze hier, op dit platgestampte pad. Aan de randen van de kliffen groeide taai gras, dat bleef staan hoe hard het ook waaide. Ze wilde haar blik op de oceaan richten en lopen, verder niets. Zich niet laten beïnvloeden door het boek dat ze voor vertrek had gelezen, het was van Paul Theroux. De Amerikaanse schrijver was heel Engeland doorgereisd, de kustlijn volgend, meestal te voet, soms per trein. De zuidkust, waarvan zij nu een fractie zou zien, bracht hij terug tot twee woorden: bungalows en bejaarden. Het land te dicht bebouwd, de gebakken eieren te vet, de mensen ingehouden. Overal zag hij bejaarden zij aan zij naar zee staren, liefst zonder hun auto’s te verlaten. Soms was er een afgelegen baaitje dat hem vrolijk stemde, verder was het vooral chagrijn.
Meters onder haar beukten de golven tegen de rotsen. De wind blies haar haren voor haar gezicht. Ze had nooit veel gehouden van de drie-eenheid zee, strand en wind. Bijna elke zomer waren ze naar zee gegaan, voor de jongens. Waar de gelegenheid zich voordeed stortten die zich in de golven, voorgegaan door Mik, zodra het kon trotseerden ze in hun surfpakken de koude zee. Zij plooide zich dan tegen een rots of een duin, een vest om haar schouders geslagen. Tegen het felle licht in had ze haar ogen tot spleetjes geknepen, en las, of probeerde te lezen. Toen de jongens heel klein waren bouwde ze wel eens mee aan een zandkasteel of zocht schelpen die emmersvol mee naar huis gingen. Hier in Cornwall hadden ze hoorntjes gevonden. Jarenlang hadden die op de badrand gelegen.
Liever dan de zee te zien, keek ze uit over weidse polders, lege vlaktes afgebakend door een rij stevige essen, een dijk, een eindeloze sloot. Maar dit keer wilde ze zich door hem laten overrompelen. De oceaan. Wennen aan de wind en het geraas. Elke dag een paar uur lopen over de kliffen, vrienden worden met het Atlantisch water.
Ze rechtte haar rug, haar schouders waren stijf van de rugzak. Misschien kon er nog wat gewicht uit? De kaft van de wandelgids trekken, de gelopen pagina’s uit het boekje scheuren, de shampoofles legen.
Ze liet het bezoekerscentrum links liggen en ging het pad op. Als ze met zijn vieren op vakantie gingen had ze steevast folders verzameld. Elke dag begon met een stapel papier op schoot, voor een plan waarin ieders wensen gehoord werden. Nu hoefde ze niet te zoeken waar het dichtstbijzijnde zwembad was, de stoomtrein, het zeeaquarium. Als het maar groen was en stil. De eerste bramen langs het pad naar het strand. Of landweggetjes. De geur van kamperfoelie die bij valavond uit hoge heggen steeg, heggen die je het zicht benamen om dan ineens, bij een hek, het heuvellandschap prijs te geven.
Twee vriendinnen in regenjacks en beige broeken kruisten haar pad, daarna een gezin met drie kinderen. Eentje hing in een draagzak aan zijn vaders schouders. De andere twee zwaaiden met stokken. De moeder, schelle stem: ‘Nog een half uur, dan krijgen jullie een ijsje.’
Ze daalde een stuk, in de zee stonden kleine rotsen, eilandjes waar schelpen en mossels aan kleefden. Een paar rezen als bulten uit het water omhoog. Eentje had de vorm van een boog. Ze had ze al gezien op foto’s van internet, vaak in avondzon, statig en onveranderlijk. Hoewel, zo onveranderlijk was deze kust niet. De golven vraten aan de rotsen. Engeland brokkelde af, werd langzaam kleiner, de krijtrotsen bij Dover grijzer en smaller. Dat had die Theroux in haar hoofd geplant, zijn boek was al bijna dertig jaar oud. Toen al.
De zon brandde in haar nek. Ze trok de kraag van haar jack omhoog. De route was makkelijk. Volgens een bordje was het volgende plaatsje een minuut of tien lopen: Porthgwarra. De wandeling ging snel, niemand die wilde zwemmen in de baai beneden, die de rots wilde verkennen op grotten en gaten, die moest plassen achter het eerstvolgende bosje.
Ze stopte om een slok water te nemen.
‘Wel genoeg drinken,’ had Mik gezegd, ‘en altijd minstens een liter water meenemen.’ Toen ze over haar reis vertelde had hij gevraagd waarom ze niet met een vriendin ging. Toen hij er voor de derde keer over begon werd ze zo boos dat hij er verder over had gezwegen. In plaats daarvan was hij de woorden ‘minstens een liter water’ gaan herhalen. Waarop zij telkens had geknikt.
In Porthgwarra was een granieten huisje waar ijsjes, koeken en ansichtkaarten verkocht werden. Ze had geen lunch bij zich, niet eens een pak kaakjes. Gelukkig serveerden ze thee en pasteitjes. Op de ruw houten banken zaten nog enkele wandelaars, men groette beleefd maar sprak niet met elkaar. Ze bekeek de ansichtkaarten en kocht er toen niet een. Nog niet. Eerst moesten de jongens echt voelen dat zij er niet was. Jonathan in zijn nieuwe kamer in Utrecht, in de collegezaal? Met een vriend op een terras? Hij zou vast weinig gedachten aan haar wijden. Hoe moeilijk zij de jongens en hun omzwervingen uit haar hoofd kon bannen, voor hen was zij een rotsvaste werkelijkheid. Een gegeven.
Bram, waar zou die nu zijn, zou hij echt naar die vriend zijn gegaan? Met alleen een tas had hij het huis verlaten, precies twee weken geleden. Het adres zou hij nog doorgeven. Het was vlak bij Centraal Station. Ze hadden niets meer gehoord, behalve vier sms’jes, de meeste ’s nachts. ‘Alles goed.’ Of: ‘Ik kom morgen mijn gitaar ophalen.’ Dat had ie gedaan, toen hadden ze nog samen theegedronken. Was zij zo stom geweest er weer over te beginnen of hij al ideeën had over een opleiding, of een baantje.
‘Nog geen tijd voor gehad,’ had hij geantwoord. Waarna het gesprek op een ondervraging was gaan lijken en hij steeds chagrijniger werd. Pas toen hij zijn jas stond aan te trekken durfde ze nog eens om zijn adres te vragen. Ze stonden in de smalle hal, dicht op elkaar.
Een van die straten achter de singel, mompelde hij.
‘Geef het me nou vanavond even door,’ had ze gezegd, zo nonchalant mogelijk. ‘Is wel handig toch.’
Hij had geknikt. ‘Ik moet even het nummer uitzoeken.’
Ze hoorde weer niets. Zou Mik er nog achteraan zijn gegaan? Hij had het beloofd, maar hij zag er zo moe uit, uitgeput van het laatste jaar, het jaar van Bram, van het zoeken naar Bram, het steunen van Bram, het praten met Bram, het praten over Bram en niet in de laatste plaats het negeren van Bram, wat van alle opties nog de meeste energie kostte. Dit was het vierde adres waar hij was gaan wonen, kraak, antikraak, tijdelijk, bij een vriend. Een vriend. Vrienden van Bram hadden vaak geen naam.
De vrouw van de Boumanstichting had gezegd dat ze hem de kans moest geven zijn eigen fouten te maken. Dus geen regenjas meer stiekem in zijn gitaarhoes proppen, geen buisjes multivitaminen in de zakken van zijn jack. Volgens de vrouw zou hij zich alleen maar schuldiger voelen en zich afzetten.
Ze was het steeds vaker gaan denken, het afgelopen jaar: wat als ik nou wegga? Een gedachte die eerst een lastig insectje was, dat ze nog wel weg kon slaan, maar langzamerhand stevig had postgevat. Als zij er niet was, kregen de jongens meer ruimte. En dat moest, daar hadden ze de leeftijd voor. Mik was er beter in, zijn werk prioriteit geven, stug doorgaan, bij het avondeten een grapje maken, alsof onbekommerd en van zorgen vrij. Hij deed het wel, voor haar, maar praten bracht je niet veel verder, in je daden leefde je voort, had hij een keer gezegd. Was het daarom dat hij steeds meer was gaan werken? Of was het gewoonte, het gemak van een doel? Zou ze hem vanavond toch even bellen?
De mok was leeg. Ze bestelde nog een thee. De eerste anderhalf uur zat erop. Ze keek op de kaart. Overal bordjes, maar daarmee wist je nog niet waar je was.
Een dik half uur later beklom ze de met gras begroeide trappen van een openluchttheater. Het bejubelde Minack. Het decor van granieten zuilen, balkonnetjes en ramen met uitzicht op zee deed haar denken aan kostuumdrama en luid declamerende acteurs. De mens die de natuur de natuur niet kon laten maar er pal voor moest gaan staan. Ze lachte. Vroeger zou ze meteen kaartjes hebben gekocht. Ze kon echt weinig meer hebben. Alleen nog het kale pad, de struiken en varens die erlangs groeiden. Ze moest maar snel verder. Solvitur ambulando, had haar vriendin Sigrid eens gezegd. Ze maakte voettochten door Nepal, de Himalaya, de Rocky Mountains en kwam daarbij volledig tot rust. Ze had geen kinderen gekregen. Nooit het genoegen van een kinderlijf tegen het jouwe, warm en zacht. Als ze ’s avonds thuiskwam de pluizige haren op het kussen, even eraan ruiken. Het warme gezicht. De blote buik aaien, nog een keer toedekken. Overweldigd worden als ze op je schoot klommen, hun armen om je heen sloegen, hun handen voor je ogen legden. Het lijfelijke. Vooral Jonathan was net een klimgeitje toen hij klein was. Bram was rustiger, die bleef vaak langer bij haar in de buurt. Soms vergat ze wel eens dat hij nog op haar schoot zat. Stond ze op, kukelde hij eraf. Sommige dagen had ze hem als een kangoeroemoeder bij zich gedragen. Sigrid had nooit die angst gekend, de angst om ze te verliezen, aan een auto, aan het water, aan wat dan ook.
’s Ochtends gaf ze ze pap en ’s avonds een warme maaltijd. Twintig jaar lang. Eerst Bram, toen nog een jaar alleen Jonathan. Verse groente. Ook als ze een lange vergadering had en ze ’s avonds op het stadhuis moest blijven. Als ze weg moest, liet ze voedsel achter. En als dat een keertje niet lukte, voelde ze zich rusteloos, wilde ze naar huis, alsof ze tegen een oerinstinct inging. Aardappels schillen, andijvie wassen en snijden, uitstervende gewoontes. Haar moeder breide elke dag sokken, shawls, truien. Zij had dat niet overgenomen, en zo zouden haar kinderen geen aardappels meer schillen.
Een tunnel van eiken. De bed and breakfast was gehuisvest in een oude pottenbakkerij, vertelde de rustige oude heer die haar een lange toelichting gaf. Alsof ze weken in deze streek zou blijven. Ze bedankte voor een rondleiding, ‘misschien morgenochtend’, en ging naar haar kamer. Op een bed met een huisgeweven blauwe sprei haalde ze de helft van het pasteitje uit een servetje en at het op. Toen pakte ze haar telefoon en zocht Miks nummer. Ze drukte het knopje in om te bellen, toen het knopje ernaast. Vervolgens typte ze een bericht dat ze aangekomen was.
Ook de dag erna hield ze het bij een kort bericht, dat ze ’s avonds bij aankomst in de volgende b&b verzond. Normaal gebruikte ze haar telefoon als horloge maar nu keek ze er nauwelijks op. De tijd deed er niet langer toe, als ze maar onderweg bleef. Verbazingwekkend hoe gemakkelijk het haar afging, het geen contact zoeken. In sommige baaien had haar telefoon geen bereik. Het gaf haar een vreemd gevoel van troost, op plekken te komen waar je niks kon bijdragen, waar ze alleen haar ene voet voor de andere zette, waar ze soms op een steen ging zitten, uitstaren over de zee, de lucht die steeds van kleur veranderde, daarmee het water ook. En dan, als ze zo een tijdje had gezeten, stond ze op en ging weer verder, zonder dat ze ook maar één keer had gekeken hoe laat het was of hoeveel tijd er verstreken was. Geen schuldgevoel over verspilde minuten, geen gedachten over wat ze nog moest doen.
De route die ze liep lag in een dichter bevolkt gebied dan dat waar ze gisteren was. Het laatste stuk ging over asfalt. Haar schoenen knelden bij de enkels, verder had ze nergens last van. Het wende snel, de b&b’s waar men gul was met kussens en andere vormen van stoffering, de donkere pubs met hun lage plafonds, het uitzicht op granieten huizen en vissersboten. Het leidde genoeg af. Het was hier anders dan thuis, maar niet zo anders dat ze zich ontheemd voelde. Het deed haar denken aan vroeger.
Ze at in een pub met een plafond waaraan rijen bierpullen hingen. Vegetarische hamburger van gepureerde kikkererwten. In de meeste kroegen leken ze gewend aan solitaire wandelaars. Men keek niet vreemd op en sprak haar niet aan. De locals die aan de bar hingen wierpen een blik opzij, de barman of vrouw was vriendelijk, daar bleef het bij.
Ze spreidde de kaart uit, zag de route van morgen. Lauw, donker bier gaf haar een aangenaam gevoel.
Na het eten liep ze nog even langs de zee. Penzance was een grote plaats, naar Cornish maatstaven, met een niet al te brede strook zand erlangs. Het was vloed en de zee nam vrijwel het hele strand in beslag. In de verte doemde St Michael’s Mount op, een merkwaardig eilandje dat gedomineerd werd door een oud klooster. Met eb kon je ernaartoe lopen. Het lag erbij als een pretparkattractie. Flarden mist om de go-
thische vormen. Iets voor de jongens.
Het was de eerste avond dat ze na tienen nog op was. Ze liep terug, omhoog, door de stille straten naar het gasthuis. Hortensia’s stonden roerloos tegen een witte gevel. Het gasthuis was in diepe rust, nergens brandde nog licht. Ze stak de sleutel in het slot en ging naar binnen. In de gang rook het muf, het bordje nooduitgang gaf net genoeg licht om het slot van haar kamerdeur bij te openen. Ze ging op het eenpersoonsbed zitten. Het kraakte hevig. Ze trok haar kleren uit, hield alleen haar t-shirt aan. Ze ging op het bed liggen, zag het abrikooskleurige behang, de behangrand met oranje bloemen boven aan de muur, het brandalarm dat tegen het plafond hing. De stilte om zich heen.
Toen ze overeind kwam om haar tanden te poetsen, viel haar blik op haar telefoon. Hij lag op het tafeltje naast haar bed, op een abrikooskleurige kleedje, het scherm een donker vlak. Slaapstand. Ze drukte er even op. Miks naam verscheen. Zes keer had hij haar geprobeerd te bellen, een paar keer vlak achter elkaar om een uur of negen vanochtend, toen nog een keer later in de middag, en een uur geleden nog eens.
Met bonzend hart drukte ze de toetsen in.
Hij nam direct op. ‘Daar ben je eindelijk,’ zei hij. ‘Niet schrikken maar er is iets vervelends gebeurd. Bram ligt in het ziekenhuis. Hij heeft een ongeluk gehad.’
‘Wat heeft hij?’
‘Hij heeft zijn sleutelbeen gebroken en een hoofdwond. Hij is van zijn fiets gevallen.’
‘Heeft hij veel pijn?’
‘Valt mee, hij was heel duf toen het gebeurde.’
‘Een aanrijding?’ zei ze.
‘Een stoeprand,’ zei hij. ‘Hij is ertegenaan geknald en toen op straat geflikkerd. Hij was knetterstoned,’ zei hij, en toen: ‘Sorry.’
‘Jezus christus,’ zei ze. Terwijl zij naar een eik staarde, een nachtvlinder het raam uit joeg, klapte haar kind tegen de straatstenen.
‘Hij ligt zijn roes uit te slapen.’
‘Welk ziekenhuis?’
‘Het Sint-Servaas. Ze willen ’m even houden, ter observatie.’
‘Maar een hoofdwond, dat kan toch heel gevaarlijk zijn? Is er niks met zijn hersens? Moeten ze geen scan maken?’ Te veel vragen voor de kleine kamer. ‘Heb je gevraagd of ze een scan willen maken?’
‘De wond zit voor op zijn hoofd, dat schijnt niet zo risicovol te zijn. Het bloedde alleen vreselijk.’ Zijn stem brak. Hij schraapte zijn keel. Vreemd slikgeluid. ‘De schrik zit er wel in.’
‘Ik kom meteen terug,’ zei ze.
‘Nee, nee, het is een regulier ongeluk, zeggen ze.’
‘En waar ben jij nu?’
‘Gewoon thuis.’
‘Kon je niet bij hem blijven?’
‘Ellen, het bezoekuur is voorbij. Wat moet ik ’s avonds in dat ziekenhuis? Hij is twintig.’
‘En als hij bijkomt, later? Dan ligt hij daar helemaal alleen.’
‘De verzorging is goed.’
‘Ik kom meteen terug.’
‘Dan voelt hij zich alleen maar slechter,’ zei Mik. Hij klonk kortaf. ‘Ik bel je morgenochtend, zodra ik meer weet.’
Kort, rommelig afscheid. Hij wilde alleen zijn, er niet meer over praten. Of wilde ze dat zelf? Ze liet zich op het bed vallen, voelde zich duizelig, kwam weer overeind. Rechtop zitten en nadenken. Achter de receptie van het muffe gasthuis stond een computer. Zou ze daarop een vlucht kunnen boeken? Misschien zouden er alleen nog zakenvluchten beschikbaar zijn. Hoeveel zou het kosten? Hoeveel had ze over voor een enkeltje Bram? Zoon, zorgenzoon, zoon die het allemaal zelf wilde doen, leverancier van valse hoop.
Als ze vanaf Londen wilde vliegen, moest ze morgenochtend de trein nemen. Het moest mogelijk zijn. Het station was op loopafstand van het gasthuis.
Droomloze nacht waarin ze steeds wakker werd. Om zes uur kleedde ze zich aan, zat nog een tijdje op de bedrand, om zeven uur stond ze bij de receptie. Een blozende dame met dik opgestoken haar, pot thee in bevende hand, was duidelijk geïrriteerd dat ze meteen naar de computer vroeg en niet eerst wilde ontbijten.
Ze drong aan, nam plaats, wachtte tot het oude apparaat opgestart was, de verbinding gemaakt.
Het bleek nog mogelijk, de kosten te overzien. Ze vulde haar gegevens in, het creditcardnummer, toen bewoog haar rechterhand iets naar links, vloog het pijltje naar linksboven. Ze had op het kruisje in de linkerbovenhoek geklikt. Het scherm met het bestelformulier verdween terstond. Zwevende klaprozen vulden het beeldscherm. Ze staarde ernaar, stond toen op en liep naar de voorkamer waar het ontbijt werd geserveerd. Een ouder echtpaar knikte naar haar. Ze koos het tafeltje dat het verst bij hen vandaan was. Ze voelde zich zwaar en leeg, at eieren en spek tot op de laatste kruimel op en pakte toen haar spullen. Om kwart over acht sms’te ze Mik: ‘sterkte’ en dat hij haar kon bellen als het nodig was.
De straten waren niet veel drukker dan gisteravond. Een paar mensen op weg naar hun werk, een enkele auto, een kat op een dak.
Het strand glinsterde en de lucht was lila met vlagen oranje. Ze haalde zich het gezicht van Bram voor de geest, zijn nieuwsgierige ogen, de wakkere blik, hoe hij bewoog, de ongedurigheid die uit zijn bewegingen sprak, zijn lange dunne gestalte. Een slingeraap. Ze zette zijn gezicht tussen de lila wolken, groot, en liep toen het strand af, nam een pad parallel aan het spoor.
Het klooster van St Michael’s Mount lag er stil bij, een speelgoedeiland dat tot leven zou worden gewekt als de toeristen kwamen. Helikopters trokken door de lucht naar gindse eilanden. De Iles of Scilly, die hoorden ook bij het koninkrijk. Vandaag zou ze verder lopen dan gisteren. Langer, verder. Zandstranden, een paar stevige stukken stijgen, enkele schitterende vergezichten, porties paarse heide. Ze zag er niet tegen op. Ze verheugde zich ook niet. Ze zou doorlopen. Slapen zou ze in de buurt van een klein badplaatsje, waar veel surfers kwamen en jonge gezinnen. Emmertjes, schepjes, parasollen. Jonge lichamen die de zee in renden, alsof ze het niet voelden, dat hun spieren moe waren, dat het koud was, en laat, dat er iemand op hen wachtte. Ze zou ze ontlopen.
Het uitzicht de rug toedraaien. Landinwaarts, de heggen volgen, naar haar b&b, ergens gaan zitten, bij een raam, op een terras, ergens waar maar één lege stoel stond. Ze zou haar telefoon uit haar tas halen en in de zak van haar jas doen. Je weet het nooit. Er zou vast iets groeien waar je naar kon kijken. De lucht werd langzaam donker, toch zou ze nog veel kunnen zien. Daar kon je je over verbazen. Misschien vleermuizen. En misschien zouden er sterren zijn, als er niet te veel wolken waren. Echt donker was het bijna nooit.

Sanneke van Hassel (1971) schrijft romans en korte verhalen. Ze ontving de Anna Blaman Prijs en de BNG Nieuwe literatuurprijs voor haar werk. In september 2017 verscheen haar roman Stille grond over samenleven in de stad.

Meer van deze auteur