Denkend aan Walt Whitman
ontplof ik

‘Zuiver en lieflijk is mijn ziel … zuiver en lieflijk
al wat niet mijn ziel is.’ En te midden van bommen,
berovingen, slachtpartijen, overvalt me stuitende

nostalgie. Het lommer ligt op straat, de bladblazers
razen, ik denk aan Whitman met zijn volle baard
en lieflijk onbestaand klaart zuiverheid zich op –

verschijnt ze nog, de glorie die geen weemoed kent,
die me vermorzelt, zich overbuigt in een omhelzing.
‘Ik zal er altijd zijn,’ zegt ze en verdwijnt.

Denkend aan Mallarmé
stik ik

Aan luchters de scherpe, doorschijnende tranen,
in inktpot gevangen de nacht. Hoogst

ontbrekend stokt de adem.
‘Nostalgie? Verwelkt piepschuim,’ zegt zwijgend

het Niets, ‘vernachelende dictatuur, wulps
maagdelijk sneeuwdek waaronder veenbrand woedt.’

Ben ik de zwaan, met slaande vleugelpennen
bloedeloze wonden kervend in dat wit, die ban –

ikzelf de zinksteen en het branden,
ik de verstrikking die zich niet ontvluchten kan.

Denkend aan Eliot
ga ik in rook op

Durf ik het universum te verstoren? Wat een vraag.
De werelden, we weten het, gaan rond
als oeroude vrouwen die brandstof zamelen

op verlaten stadsterrein. Er is geen terug,
alleen heden, aangroeiend, zwaar van verleden.
Donder en robijnen worden knoflook en saffieren.

Slijk stolt, klontert om je wielas, verzonken
in mijn grond. Er is geen ziel, onze stem vervliegt
met het dronken gestotter van de nachtegaal.

Maar wat gezegd is blijft, herhaalt altijd en altijd
anders de boodschap van het furieuze,
voortkruipende, onuitblusselijke dolende vuur.

Anneke Brassinga (1948) werd aan de Universiteit van Amsterdam opgeleid tot literair vertaler uit het Frans, Duits en Engels. Daarnaast schrijft ze essays en gedichten.

Meer van deze auteur