i
‘Acht jaar geleden,’ schreef W.F. Hermans in 1978, ‘zag ik op een Javaanse markt een man die van kapotte gloeilampen olielampjes had gemaakt.’ Laat het nu ook precies acht jaar geleden zijn, maar dan in 1999, dat ik op een markt in Ndjamena precies hetzelfde soort lampjes zag. Op mij hadden ze een vrolijke werking: overleven als kunst. Dezelfde koppigheid sprak er, wat mij betreft, uit een vierkant stukje klei, waarin het lampje van een fietslicht was gedrukt. Zo leek het een beetje op een fototoestel en het werd door een kind gebruikt om de toeristen mee te fotograferen.

Zo’n fototoestel had Hermans door de grond doen zakken van ellende. Dat deed het olielampje ook. ‘Ik schaamde me dood en kocht er een voor de curiositeit.’ Die schaamte was plaatsvervangend. Techniek impliceerde voor Hermans functionaliteit en vooruitgang. Zo’n kapotte gloeilamp met olie was het omgekeerde: verlies van functie en regressie. Techniek was voor hem ‘het enige exact meetbare bestanddeel van een cultuur’, verlies van techniek was bijgevolg de enig exact meetbare vorm van cultuurverlies. Namaaktechniek zag hij als een belediging, als een schande, als iets dat zijn medelijden, al dan niet agressief, opwekte. Wat nog belangrijker was: techniek was voor Hermans mededeling zonder ruis. Alleen techniek kon werkelijk begrepen worden, techniek was transparantie en troost tegelijk.

Daarom was hij uiteindelijk meer gecharmeerd van Defoe en Robin Crusoe dan van Slauerhoff en Het leven op aarde. De hoofdpersoon van Het leven op aarde, een op het Chinese platteland verdwaalde marconist, slaagt erin een radiotoestel te bouwen dat echt werkt. Maar ja, waaruit bestaat dat toestel eigenlijk? ‘’t Verhaal speelt in een voorbije tijd,’ schrijft Hermans, ‘toen nog niets van de westerse techniek was doorgedrongen in de binnenlanden van China, geen elektrisch net, geen batterijtjes te koop, geen geïsoleerd koperdraad, enz. Jammer genoeg vertelde Slauerhoff niet hoe die marconist, Cameron, dat klaarspeelde. Anders dus dan Defoe, die wel precies uitlegt waaruit Crusoe z’n gebruiksvoorwerpen fabriceerde.’

Wie Hermans leest kan niet vermijden op bepaalde momenten Slauerhoff tegen te komen. Het eerste gedicht van zijn eerste dichtbundel is een onmiskenbare echo van ‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen’:

Houd gij mij vast, ’k ga u verloren
Kooi mij in uwe armen niet,
Want wie als vogel werd geboren
Die sterft, gevangen, van verdriet.
Wie slechts met liederen kan bekoren,
Hij mag alleen het lied behoren,
Het lied, de droomen en ’t verdriet.

Evenals Hermans was Slauerhoff een rasschrijver. Het herlezen van zijn werk is puur plezier. Van een meesterwerk als Het leven op aarde blijken de beelden, als het stof van ‘vale jaren’ is weggeblazen, nog onverminderd in het geheugen geëtst staan. Een fabriek van haarnetjes ‘waar zesjarige meisjes werken aan de weefgetouwen en er soms aan sterven als vlinders in een web dat ze zelf spartelend hebben gesponnen’, stegen ‘nauw en stinkend als dunne darmen’, scheepshoorns klinkend ‘als de noodkreet van in het nauw gedreven dieren’, naakte bovenlichamen, ‘de tussenribsruimte zo diep ingezonken dat de borstkassen kooien leken, waar alleen het hart nog leefde in willoos fladderen’.

De invloed van Slauerhoff lijkt op vele manieren en op verschillende niveaus in het werk van Hermans aanwezig. Van de animale directheid tot de symbolische ‘vaagheid’, van het suggestieve landschap tot de betoverende werking van namen, van de nauwkeurigheid waarmee organische en mechanische metaforen elkaar afwisselen tot het zogenaamde ‘slordige’ schrijven, het bindt beide auteurs aan een vergelijkbaar stilistisch register. Vooral dat laatste, die slordigheid, is een opmerkelijk punt van overeenkomst. In ‘De onverzorgde stijl’, zijn essay over Het leven op aarde, laat Ter Braak zien dat die zogenaamde onverzorgdheid van Slauerhoff ‘een maximum aan vormkracht productief maakte’. Hermans is dezelfde slordigheid verweten en ook voor hem gold dat hij niet mooi maar effectief wilde schrijven.

Het loont dus de moeite na te gaan wat Hermans in Slauerhoff zocht en vond. Hoewel het zelfs voor een biograaf die het werk centraal stelt te ver gaat de lectuur van zijn schrijver in al zijn vormen en stilistische invloeden na te gaan, zeker waar het een bezeten lezer als Hermans betreft, zijn er in zijn geval een aantal uitzonderingen denkbaar. Er bestaat een boekje waarin de jonge Hermans zijn leeservaringen gedurende de Tweede Wereldoorlog optekende. Daarin staat ook een ‘Lijstje van boeken die mij het meest getroffen hebben, resp. “openbaringen” waren, “vereerde” schrijvers.’ Natuurlijk staan daar Kafka en Céline en aantal andere voor de hand liggende liefdes op zoals Stendhal en Kleist. Maar op de eerste plaats staat Schopenhauer (‘Zur Metaphysik der Geschlechtsliebe’), op de tweede Nietzsche en op de derde Slauerhoff.

ii

Ik geef eerst de genealogie van die lectuur. Op 19 mei 1939 hield Wim Hermans, toen leerling van vib van het Barleus, voor Nederlands een voordracht over Het leven op aarde. Bij de dood van Slauerhoff, in oktober 1936, had hij voor het eerst van de schrijver gehoord. De in de levensberichten geciteerde gedichten moeten hem zo geraakt hebben, dat hij ze opzocht in de oorspronkelijke bundels op de Openbare Leeszaal (mee naar huis nemen mocht niet omdat hij te jong was). Een van de foto’s, ‘met lorgnet en neergeslagen, droeve ogen; een mond te moe om verachtelijk te zijn’, knipte hij uit. Een aantekenboekje dat de kladversies van een aantal schoolvoordrachten bevat, geeft een korte karakteristiek die vooral op D.A.M. Binnendijk steunt (‘de gevoelens die zijn werk bepalen zijn eenzaamheid en geluksverlangen’). Ook somt hij op wat hij intussen van Slauerhoff las: ‘Serenade, gedichten die nog weinig op de zee betrekking hebben, Saturnus en Clair Obscur, waarin zijn zuiverste verzen staan, El Dorado, waarin de “Afrikaanse Elegie” uitblinkt en waarin een drama uit z’n jeugd staat (1922), “Dsjengis Khan”. Voorts zijn laatste bundel, Een Eerlijk Zeemansgraf, waaruit ik de mooiste gedichten hier overgeschreven heb. Proza: De opstand van Guadalajara, Het leven op Aarde, Het verboden Rijk (gelezen zomer 1939), Schuim en Asch (gelezen December 1939). In December 1939 kocht ik jaargang 1936 Groot Nederland aan om de bijdragen van S. die hier in voorkomen, en om het November-Nummer, dat geheel aan S. gewijd is. Ook Jaargang 1937 Elsevier (De opstand van Guadalajara).’

De lezing begint met een korte inleiding over het leven van Slauerhoff: afkomst, studentenleven, ontmoeting met Vestdijk, de ‘antiburgerlijke neigingen’ waardoor hij zich gehaat maakte, ‘zodat zijn studentleven geen succes was’. ‘Slauerhoff had een uitermate “moeilijk” en onbestendig karakter, wat anderen veel leed gedaan heeft, maar hem zelf het meest. Landerig, gemelijk, somber en onverschillig was hij.’ Vervolgens geeft Hermans een korte samenvatting van de roman, hij schetst de marconist Cameron en diens levensmoeheid, de duistere handelaar Hsioe en zijn troep ‘outcasts’, het wapentransport van het moderne Tai Hai naar de eeuwenoude Tsong King. Deze wapenhandel, die de oude stad verdeelt in een elite die met moderne middelen (westerse wapens) het oude bestaan veilig wil stellen en een kongsi die dat alles radicaal afwijst, draagt de intrige. De plot wordt gevormd door het bouwen en demonstreren van een radiotoestel, dat de macht van de techniek zou moeten aantonen, maar uiteindelijk de ondergang van de stad bewerkt: bij het boren naar materiaal voor de radio stuit men op olie, die de stad overspoelt en in brand zet.

Verreweg het grootste deel van de voordracht bestond uit de tekst van Slauerhoff zelf: als klopt wat Hermans noteerde in het begeleidende lijstje ‘volgorde van het voorlezen’, moet hij niet minder dan vijf hele hoofdstukken (viii, xi, xiv, xv en xvi) hebben voorgelezen. Dat eerste hoofdstuk geeft het verhaal van een van de outcasts, ‘Op-één-na’ geheten, een bijnaam met twee betekenissen. De eerste verwees naar het feit dat hij tweemaal zakte voor het derde en laatste deel van het ‘examen voor de laagst gegradueerde geletterden’. De tweede betekenis betreft het feit dat deze verworpene zich de laatste van zijn geslacht hoopte en uitgewist wenste te worden uit de zich steeds herhalende kringloop van het lijden op aarde. De andere hoofdstukken concentreren zich op de lotgevallen van Cameron, zijn aankomst in Tsong King, zijn zoektocht naar materiaal en onderdelen voor het radiotoestel. De booglampen vindt hij wonderlijk genoeg in de oorlogstempel van de priester, de leider van de behoudende partij, opgehangen tussen andere votiefgeschenken, beenderen en bijlen, pelzen en roofdiertanden. De eropvolgende demonstratie van het toestel wordt een ramp, omdat ze geen begrip maar angst voortbrengt en de ‘inundatie van klank’ gevolgd wordt door een inundatie van olie.

Het is een onmiskenbaar ‘Hermans-thema’. Hoezeer moet het jongetje, dat in zijn jeugd al ondervond dat het meest transparante dat hij kende, de techniek, juist het onvermogen van de menselijke communicatie blootlegde, van deze passages genoten hebben. Maar er is meer. In de figuren van ‘Op één na’ en Cameron moet Hermans iets van zichzelf herkend hebben. ‘Soms kwam de gedachte wel in mij op,’ mijmert Cameron op een bepaald moment, ‘dat wij samen, Op-één-na en ik, die wel “Bijna niet” mocht heeten, in een volgend bestaan een symbiose, een volledig wezen zouden kunnen vormen.’ Dit was het wat Hermans in Slauerhoff zocht, dat ‘bijna niet’ dat bijna alles was. En de manier waarop Slauerhoff het opschreef, die slordigheid.

iii
De bijdrage aan het schoolblaadje Suum Cuique van 1 juli 1939 zal ongetwijfeld uitvloeisel geweest zijn van deze voordracht. Er is niettemin een cruciaal verschil. Hermans gebruikt er dezelfde termen voor het karakter van Slauerhoff, maar nu geeft hij er een positieve duiding aan. Juist die somberheid, gemelijkheid, onverschilligheid van Slauerhoff maken hem nu tot ‘een Nederlander van het oude soort’. ‘Was hij drie eeuwen vroeger geboren, er was geen dichter uit hem gegroeid, hij was piraat of ontdekker geworden, hem was een levenslot ten deel gevallen, dat in onze tijd eigenlijk niet meer mogelijk is, en dus is hem slechts gebleven erover te dromen en te dichten. Een romanticus, die slechts in het verleden zijn geluk zoekt en zijn aards bestaan vervloekt.’ Daarin ligt voor de scholier het belang van Slauerhoff: avontuur op aarde is alleen nog te vinden in de literatuur. Aan zijn werk mochten vele fouten kleven, de romans te slordig, de zeemansgedichten soms ‘niet boven het cabaretgenre’, ondanks alles was Wim Hermans ervan overtuigd, ‘dat wat dit troosteloze leven heeft opgebracht, velen tot troost is en nog lang zal kunnen zijn’.

Het moet in deze tijd zijn dat hij zich ondanks zijn geringe zakgeld (‘te gering om er per week meer dan een pakje Ibisshag (7½ cents), een pakje Rizla + (1 cent) en op het Waterlooplein drie tweedehandsboeken à 3 cent per stuk, of twee van 5 cent voor te kopen’) intekende op de Verzamelde Werken van Slauerhoff die vanaf 1941 onder redactie van Binnendijk en Lekkerkerker zouden verschijnen. Hermans deed deze mededeling in zijn essay over Céline, die hem een vergelijkbare ‘overweldigende’ leeservaring gaf. ‘Nooit of te nimmer had ik de atmosfeer van een boek in zo hevige mate ondergaan. Voyage au bout de la nuit hypnotiseerde mij als een film. Deze schrijver was, vond ik, een soort super-Slauerhoff.’ Naar aanleiding van Mort à credit: ‘Maar stilistisch kreeg je veel meer dan in Voyage de indruk dat het in een geheel nieuwe, nooit opgeschreven en toch echt bestaande taal geschreven was, een taal raker dan de meest emotionele spreektaal.’

In het aantekenboekje van zijn lectuur in de oorlog, begonnen op 16 januari 1941, kunnen we volgen hoe hij zich met grote regelmaat met Slauerhoff bezighield. Op 18 februari 1941: Verzamelde Werken i en ii. Vóór oktober: deel iii. In mei 1942: ‘De laatste verschijning van Camoes’, op 18 oktober ‘J.P. Coen’ en op 7 november ‘Slauerhoff. Een levensbeschrijving’ van Constant van Wessem. Uit deze tijd dateert een brief aan Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman, de latere samensteller van Spiegel der Zeevaart. Brieven uit zee, met wie hij in de loop van 1941 kennismaakte via zijn vriend Hidde Heringa. Ik geef deze brief in z’n geheel weer omdat er zo goed in uitkomt hoe de jonge Hermans las, wat hij zocht en waarom hij schreef. In eerdere brieven hadden ze al hun beider bewondering voor Jens Peter Jacobsen, met name diens Niels Lyhne, uitgewisseld. De brief is van 8 januari 1942:

Bij dezen zend ik U de beloofde deelen Slauerhoff. Hoewel ik deze boeken wel zeer vaak door mijn handen laat gaan, moet U niet denken dat U door ze van mij te leenen, van iets berooft, want het is mij inderdaad een behoefte, de liefde voor de dingen die ik bemin gedeeld te zien.

U schreef mij indertijd, naar aanleiding van uw bewondering voor Jacobsen, ‘daar heeft men eigenlijk geen woorden voor’. Zóo is het ook dat het mij met Slauerhoff vergaat. Alleen doe ik wel een poging die woorden te vinden, wat op den duur haast altijd teleurstellend is. Alles wat men schrijft of zegt of uitbeeldt is feitelijk alleen maar een zeer flauwe schaduw van de somtijds zoo heldere en schitterende, maar zoo vluchtige schimmen onzer verbeelding. Men bevindt zijn handen altijd te klein, het accoord uit zijn verbeelding te omspannen. Litteratuur kan men daarom dan reeds geslaagd noemen, wanneer het haar lukt ons stemmingen die ons lief zijn te suggereeren. Ik geloof niet dat zij iets op zich zelf kan zijn; zij is alleen maar schakel. Evenmin als muziek op zich zelf méer is dan een bepaalde combinatie van luchttrillingen en een plastisch kunstwerk meer dan een bepaalde verdeeling van materie in de ruimte of kleuren op een vlak, is litteratuur meer dan een combinatie van woorden, die door een wonder onverbreekbaar (en misschien dat niet eens, want op hoeveel verschillende wijzen laat zich niet één beeld, één stemming oproepen) aan een bepaalde voorstelling gebonden zijn.

Voor mijn gevoel, is Slauerhoff er herhaaldelijk in geslaagd die bepaalde woorden, die voor mijn smaak dan zoo moeten zijn en niet anders, te vinden. Dat de stemmingen die hij oproept droef en zijn beelden wrang zijn, is voor mij van essentieel belang. Want juist doordat hij in staat blijkt, juist die stemmingen en beelden weer te geven en daardoor als het ware te overwinnen, strekt hij mij tot troost en bemoediging.

Ik kan echter niet zeggen dat ik Slauerhoff lees om deze laatste twee te vinden. Ik weet alleen dat ik daardoor een onweerstaanbare behoefte eenigszins weet te stillen, en die bevrediging heb ik troost genoemd. Hidde heeft mij vaak voorgehouden dat Slauerhoff’s poëzie week en ziekelijk zou zijn en is, wetend de behoefte die ik aan deze gedichten gevoel, wellicht aan het gezegde “similia similibus curantur” indachtig is geweest. Het kan best zoo zijn, maar men vergete niet dat ook de parel het product van een ziekte is. Alléén negatie was hij ondertusschen ook weer niet. [doorgestreept: (b.v. “Hollandsche Elegie”, deel iii, blz 152); hij verlangde, ook hier op aarde, somtijds naar een grootscher leven, al was hij meestal zoo verstandig dat tot het Nirwana uit te stellen. Onze dagen kunnen leeren wat “groote tijden” beteekenen.] Dit zult u gemakkelijk uit zijn werk opmaken. Marsman wijst er in zijn inleiding ook nadrukkelijk op.

De gedichten waarin u de zee het meest direct zult aantreffen zijn de series Eldorado (deel ii blz 6 e.v.) en “Een Eerlijk Zeemansgraf” (deel iii blz 6 e.v.) Maar ook in de andere gedichten is de zee vrijwel altijd aanwezig, was het alleen al omdat zij hun achter- en ondergrond vinden in landen die van ons door de zee gescheiden zijn; en ook die, die ons eigen land tot omgeving hebben, zijn niet gemaakt door iemand die er vertoeft, maar door een die er (zij het verbeten) heimwee naar heeft.

Ik ben zeer benieuwd te hooren wat dit element voor iemand als u beteekent, of het wellicht uw eventueele bewondering iets bijmengt, wat de mijne niet heeft. Want ikzelf heb feitelijk nooit eenig reëel verlangen naar zee of schepen gevoeld en ook de lectuur van S. heeft me dat niet bijgebracht, en hoewel misschien ongedurig, ben ik geen echte zwerversnatuur.

Een belangrijk ingrediënt in zijn poëzie, dat mij bijzonder treft, is het “knagende besef van vergankelijkheid”, dat Marsman ook al signaleert. Ik zou haast denken dat zijn “slordigheid”, zoo zij niet al een uitvloeisel daarvan is, juist meer dan iets anders ook, op dat vergankelijkheidsbesef de nadruk legt. Bijzonder treffend vond ik het uitgedrukt in het gedicht op blz 182 van deel iii en vooral in de eerste strofen van “De Eenzamen”. Ik zou nog lang door kunnen gaan met verschillende uit de groote massa naar voren te halen, maar feitelijk heb ik deze gedichten ondanks de gebreken, die vele aankleven, zoo lief, dat ik er maar weinig zou kunnen overslaan.

Natuurlijk hoop ik dat u deze boeken met voldoening zult kunnen lezen; maar mocht dat niet het geval zijn, dan behoeft u mijn gevoelens niet te sparen.

Zeer benieuwd ben ik te horen hoe u het verhaal “Kolibris” bevallen is. De sfeer en de toon van dit verhaal vindt men nergens in zijn werk terug, ook niet in zijn gedichten. Misschien een beetje in het kinderlijke, zoo diep ontroerende “Volkswijze”.

Hier hebben we het dus bij elkaar, dat gevoel en die vorm, de droefheid en de slordigheid, de zinloosheid en de authenticiteit. Pas in zijn essay over ‘Slauerhoff en het verleden’, onderdeel van het ‘In memoriam Slauerhoff’-nummer van Proloog (okt.-nov. 1946) zou Hermans ze op bevredigende manier bij elkaar brengen.

iv
Het aardige van dit briljante essay is de waarschuwing aan het adres van zijn biograaf. Waar het voor vrienden of tijdgenoten van een schrijver al ondoenlijk is iets anders over zijn persoon te berde te brengen dan persoonlijke eenzijdigheden, daar begeeft het nageslacht in zijn poging een psychologisch portret te construeren zich regelrecht ‘op het terrein van de romantiek’. Biografie is in de ogen van de jonge Hermans weinig anders dan ‘mythologie’. ‘Men zal er altijd over kunnen blijven redetwisten of Slauerhoff een duivel was of dat hij zich (zelfs tamelijk traditionele) normen van goed en kwaad, kuis en onkuis, liet stellen. Of hij tegenover zijn medemensen als mens en als medicus tekort schoot of zich voor hen opofferde. Of hij door een overzadiglijke ruimtedrift bezeten werd, of slechts door een toeval bij zijn omzwervingen de plek waar hij had kunnen aarden heeft overgeslagen. Of hij de laatste der poètes maudits is geweest dan wel hiervoor poseerde. Men zal bewijzen voor deze pose aanvoeren en anderen zullen poneren dat een pose waar men alles aan opoffert daardoor waarheid en bestaansrecht verwerft. Men zal zich afvragen in hoeverre hij ‘alles heeft opgeofferd’, of dat offer al of niet prijzenswaardig te noemen is en zo verder, ad infinitum.’ En het is waar, dit kan met Hermans ook, ad infinitum.

Dat nadeel heeft een voordeel: ‘Zij die Slauerhoff niet persoonlijk gekend hebben, zullen zich daarom minder gedrongen voelen zijn poëzie te commentariëren via zijn psyche of zijn leven (of omgekeerd). Het is voor hen belangrijker zich af te vragen wat het wezen van zijn poëzie is en waaruit dit is ontstaan.’ Hermans begint zijn zoektocht naar dat wezen in aansluiting op wat hij aan De Savornin Lohman schreef. In de tijd dat hij Slauerhoff begon te lezen, stootte hij in een schoolbloemlezing op een Chateaubriand-citaat: ‘Le chant naturel de l’homme était triste.’ ‘Die stelling verschafte mij een rechtvaardiging die ik nu overbodig acht, voor de naar mijn gevoel met schoonheid onverbrekelijk verbonden sensatie van treurigheid.’

Wie wil begrijpen wat Hermans hier zegt, moet in gedachten houden wat voor hem literatuur ‘eigenlijk zou behoren te zijn, namelijk een onmiddellijk over alle scheidslijnen heenreikend communicatie-apparaat; een gebied waar men zichzelf kan maken tot wat men verkiest te zijn, zonder (schijnbaar) met anderen rekening behoeven te houden.’ Hermans schreef dat in zijn essay over Multatuli, ‘Pionier in het vacuum’, in 1950 en hij zou het in een brief aan Van het Reve van dat jaar herhalen. Maar er is geen enkele reden om aan te nemen dat hij die mening niet al had toen hij over Slauerhoff schreef. Daarom beklemtoont hij Slauerhoffs authenticiteit, in een passage bij uitstek geschikt om de tekortkomingen van de studie neerlandistiek aan te tonen: ‘Het welbehagen in de eigen diabolie vormt bij Slauerhoff niet een even groot tegenwicht als bij Baudelaire, hij is nooit gemoedelijk als Verlaine, Laforgue’s sarcastische ironie is tot op zekere hoogte behaaglijk, maar Slauerhoff was nauwelijks ironisch, hij is minder satiriek dan Corbière, hij stelt als Samain zijn sensualiteit in dienst der melancholie, doch mist diens smaak voor ietwat goedkope luxe, hij wordt niet als Darío tussen woeste wanhoop en vrede heen en weer geslingerd, hij is minder abstract dan Rimbaud, hij heeft veelal de subtiele, breekbare melodie van Rilke, doch hij is vrij van diens hoop op troost.’

Het grote onderscheid tussen al die dichters en Slauerhoff was volgens Hermans dat Slauerhoff was wat hij schreef. Bij Slauerhoff waren besef van vergankelijkheid en slordigheid identiek. Tegelijk was zijn stijl even persoonlijk als zijn thematiek algemeen. Hij bleef ‘de dichter der droefenis’, maar die droefenis was ‘een zo weinig genuanceerde gemoedsaandoening dat de mens speciale klieren bezit om haar te uiten’.

Misschien is dit het geweest dat hem soms zijn gedichten als iets overbodigs deed voelen, waar hij onwillig tegenover stond. Alles kwam voor hem vrijwel op hetzelfde neer en dat was met weinig woorden te zeggen, ja met een bepaalde gelaatstrek al. Hij had iets essentieels te zeggen en alle essentiële dingen bestaan vrijwel uit niets. ‘Die het weten spreken niet, die spreken weten het niet’… Maar Slauerhoff heeft gesproken en in verhouding tot zijn vrij korte leven zelfs vrij veel. Het ‘bijna niets’ heeft hij verwerkt in bijna eindeloze fantastische transscripties. Hij heeft zijn droefenis in rhythmen, rijmen en woorden, in situaties, in lyrische portretten, in anekdoten, in landschappen die bij elkaar wel de hele wereld bedekken, in introspecties, in door hem ‘vertaalde’ (soms in dubbelzinnige betekenis, als bij de Chinese verzen) gedichten van anderen, in abstracte beschouwingen, in verleden, heden en toekomst verbeeld.

Wat Hermans het wezen van Slauerhoffs poëzie noemde, kwam heel dicht in de buurt van zijn eigen poëtica: niet het vergaan van macht of mensen stemde bedroefd, maar het vergaan van hartstocht en lijden. De kern ook van Hermans’ droefheid was de vergeefsheid van de meest intense emoties, ‘alsof zij een electrische stroom waren die geen andere stroom induceren, dat het na de dood eender is of men bemind heeft of gehaat, dat van de liefde geen teken blijft; de liefde is een zon, zelfs niet in staat het behangsel te doen verkleuren’. De literatuur was geen oplossing, hooguit een middel, het schrijven was geen troost, hooguit een vorm van transparantie. Zoals de techniek, en even vergeefs.

Willem Otterspeer (1950) is o.a. hoogleraar universiteitsgeschiedenis aan de Universiteit Leiden, biograaf van Johan Huizinga en W.F. Hermans en ex-voorzitter van Stichting De Gids.

Meer van deze auteur