De bloedspatten zijn weggeboend, de modder heeft plaatsgemaakt voor gras, aan de muren zitten geen bordjes meer die verwijzen naar de kantoren van de kampleiding. Het oude landhuis en de hoge bomen in het park dienen alleen nog als decor. Hotel Avegoor ziet eruit als een reportage in een woontijdschrift. Ieder detail is gestileerd, alle kleuren zijn op elkaar afgestemd. Zelfs kleine dissonanten als rode lampen in een wit-bruin interieur zijn bedacht door iemand die er verstand van heeft. In de lounge klinkt jazz, in de bar vereist het concept popmuziek. Maar niemand luistert. De gasten zitten vanwege het mooie weer op het terras. Op het gazon speelt een chocoladebruine labrador met een lekke bal.

Volgens de kaart kan ik kiezen uit oesters, rundercarpaccio of een tompouce van filodeeg met gegrilde tonijn, gekonfijte kalfstong en tomatenantiboise. Dat kreeg opa vast niet toen hij hier verbleef. Het zou hem hebben gestoord dat de petunia’s op mijn tafel smachten naar water.

Van 1648 tot 1800 behoorde dit landgoed in Ellecom toe aan de familie Van Oranje, daarna had het verschillende eigenaren. De receptioniste kan me niets vertellen over de geschiedenis, zegt ze. Ze verkoopt kaarsen in de vorm van taartjes en tuinkabouters. Van een turnhal in de buurt van het landhuis heeft ze nog nooit gehoord. Ik vraag maar niet meer of ze weet dat die de hal door joodse dwangarbeiders werd gebouwd.

Op de parkeerplaats onderzoek ik de oudste bomen, maar ik vind geen krassen of teksten in de bast die verraden wat er kan zijn gebeurd. Ik probeer me voor te stellen hoe opa hier zestig jaar geleden liep met wat kleren in een oude koffer. Hij moest zich melden en heeft dat gedaan omdat er niets anders op zat. Thuis hadden ze snibbig afscheid van hem genomen, kwaad dat hij zich weer eens in de nesten had gewerkt. Achteraf gezien was dat zijn grootste kwaliteit: problemen veroorzaken.

Opa was anarchist uit frustratie. Het ging hem minder om het ideaal dan om een afrekening met de hoge dames en heren die hem dagelijks vernederden. Ze betaalden hun rekeningen niet of te laat of half en ze dekten elkaar altijd. Hij had een klant die hij de rug niet mocht toekeren als hij er bloemen kwam brengen. De vrouw eiste dat personeel en leveranciers in haar bijzijn achterwaarts de kamer uit liepen. Zonder dit soort klanten kon hij niet bestaan, maar ieder contact met hen was een aanslag op zijn eigenwaarde. Hij verachtte hun poses, hun vrome gedoe, in de kerk maakte hij zijn nagels schoon met een mes. Hij liet geen gelegenheid passeren om hen in de maling te nemen. Tegen een rijke, maar enigszins dove dame die regelmatig bloemen kwam kopen, zei hij steevast: ‘Lek me reetje vandaag, lek me reetje.’ ‘Ja Janssen,’ vond de mevrouw dan, ‘lekker weertje vandaag.’

Maar ze waren niet te verslaan, ze beheersten de regels van het spel vele malen beter dan hij.

In de jaren zestig en zeventig werkte mijn vader als socioloog aan verschillende universiteiten. Hij leerde mijn broertje en mij een yell die altijd aansloeg bij zijn collega’s. Met geheven vuistjes riepen wij tijdens diners: ‘Weg met de koningin, leve de republiek!’ Prachtig vond ons langharige, macrobiotische bezoek dat. Zo jong en dan al zo’n politieke overtuiging. Ook toen het geen mode meer was, bleef ons gezin republikeins. Vanwege opa, al wist ik nooit helemaal zeker of het waar was wat ze over hem vertelden. Hij had vlak na de oorlog in de gevangenis gezeten, omdat hij de koningin had beledigd. Jarenlang dacht ik er niet over na, maar opeens sloeg de twijfel toe. Hadden ze in die tijd van overvolle gevangenissen echt behoefte iemand voor zo’n vergrijp te veroordelen? Of was het een makkelijk verhaal om praatjes te neutraliseren? Had opa een besmet verleden?

Ik besloot op onderzoek uit te gaan. Na enig speurwerk bleek dat opa voorkwam in de archieven van de Bijzondere Rechtspleging, de organisatie die zich na de oorlog bezighield met de berechting van foute Nederlanders. Een veeg teken. Ik mocht zijn strafdossier inzien bij het Nationaal Archief in Den Haag. Een medewerker overhandigde mij twee kartonnen stofmappen met daarin een rommelige verzameling losse vellen en doorslagen.

Het grootste deel bestond uit een proces-verbaal opgetekend door Johannes Franciscus van der Grinten, ‘marechaussee tevens onbezoldigd rijksveldwachter’. Getuigen vertelden hem hoe opa zijn misstap beging in Nijmegen met het geluid van bommen en granaten op de achtergrond. Op 20 september 1944 lag de stad in de frontlinie. Gespannen wachtten de bewoners hoe de strijd tussen de Duitsers en de geallieerden zou aflopen. Veel panden waren eerder dat jaar tijdens een vergissingsbombardement door de geallieerden in puin geschoten.

In een huis aan de In de Betouwstraat zat vroeg in de middag een groep daklozen bijeen. ‘Het is te begrijpen dat er een zenuwachtige stemming heerschte, na al het leed wat de menschen hadden ondervonden,’ verklaarde een getuige. ‘Geheel onverwachts kwam er een Pater in dat gebouw, vergezeld van een Engelsch militair. Er ging een gejuich op onder de aanwezigen omdat wij allen daardoor inzagen dat onze bevrijding was aangebroken. Dit bleef niet ongemerkt want weldra begonnen allen te zingen van “Oranje Boven”.’ Ook andere getuigen bevestigen dit, al spreekt de een van een geallieerde soldaat en een ander van twee Amerikaanse parachutisten. Er zouden zelfs verschillende liederen zijn ingezet. In ieder geval was de stemming opperbest toen mijn opa binnenkwam. Hij dreef in dezelfde straat een bloemenhandel en was komen aanlopen, niemand wist waarom.

Volgens alle getuigen was hij aangeschoten, maar niet dronken. Zelf verklaarde hij dat hij vier à vijf borrels op had en zich het gebeurde helemaal niet kon herinneren. Om onduidelijke redenen moet de feestvreugde hem hebben geïrriteerd. Hij mengde zich in het gesprek ‘en zeide dat hij het gedurende de Duitsche bezetting goed had gehad. Hoe het precies in zijn werk ging, weet ik niet meer, doch er werd vanzelfsprekend ook over H.M. de Koningin gesproken, in welk gesprek Janssen zich ook mengde en zeide […]: “Ik heb liever dat ze Wilhelmina een schot in de nek geven, dan dat ik op mijn teen word getrapt.”’

Andere getuigen bevestigen deze laatste opmerking. Bovendien riep opa met zijn benevelde kop: ‘Ik zal de Duitschers wel waarschuwen en dan zullen die wel zorgen dat er een granaat of een brandbom op dit gebouw terecht zal komen.’ En verdomd, dat gebeurde ook nog, zoals blijkt uit de verklaring van een andere vluchteling: ‘In den avond van die dag […] vielen drie granaten vlakbij het gebouw in kwestie. Een daarvan sloeg in het gebouw in en heeft daar verwondingen veroorzaakt. Het inslaan der granaten deed denken aan het inschieten op een doel.’

Opa’s bluf was waarschijnlijk een reactie op het geroddel dat hij de hele oorlog om zich heen voelde. Hij was sinds begin jaren dertig getrouwd met mijn oma, zij was Duitse en dat leidde tot wantrouwen. In het dossier krijgen complotdenkers alle kans zich uit te spreken. Sommigen meenden dat opa tijdens de oorlog stiekem handel dreef met Duitsers over de grens; anderen vermoedden dat hij zijn kinderen de bloemen daarnaartoe liet brengen en dat hij spioneerde. Niemand kon iets bewijzen, maar ze mochten het wel zeggen. Illustratief is de gepensioneerde medewerker van de Nederlandse Spoorwegen die liet noteren dat er ’s nachts Duitsers sliepen bij de familie Janssen. Dat had hij van zijn vrouw gehoord, en die had het weer van Anna, een dienstmeisje van een andere mevrouw. Maar in een bijgevoegde verklaring ontkende Anna alles. Ze kwam nooit bij de familie Janssen over de vloer, ze vermoedde dat de twee families gewoon niet met elkaar overweg konden.

Opa zelf legde een verklaring af die het niet beter maakte: ‘Ik geef toe dat ik pro-Duitsch ben, doch dat ben ik niet uit politiek oogpunt, doch enkel en alleen omdat wij, als zakenmenschen, het gedurende de bezetting heel wat beter hebben gekregen. Vroeger was er geen cent te verdienen en konden wij, bij wijze van spreken, honger lijden, hetgeen niet het geval is geweest gedurende de bezetting. […] Ik heb nooit bloemen aan de Duitschers geleverd en het is ook niet waar dat mijn dochtertje bloemen over de grens bracht, doch zij heeft wel eens bloemen naar de grens gebracht, alwaar dan een Duitsche bloemenhandelaar kwam, die bloemen in ontvangst te nemen. Ik deed dat enkel om dien man daarmede te helpen, aangezien hij mij ook wel hielp met verschillende dingen, o.a. aan bloemendraad.’

Opa was geen lid van de NSB en heeft nooit aan de Wehrmacht geleverd, wel aan individuele Duitsers. Volgens mijn vader gedroegen die zich beleefder dan veel hooggeplaatste Nederlanders, waarschijnlijk vanwege mijn oma. Het was niet uitzonderlijk dat opa aan de Duitsers verkocht, dat deden veel kleine middenstanders. In principe was dat ook niet strafbaar.

Begin 1945 viel een arrestatieteam van de Binnenlandse Strijdkrachten met veel vertoon het huis van opa en oma binnen. De mannen gedroegen zich onbeschoft tegen oma en arresteerden opa, tot grote schrik van hun kinderen. De Binnenlandse Strijdkrachten stonden onder commando van prins Bernhard in Londen. Zijn persoonlijk leger was samengesteld uit leden van het voormalig verzet, politiemensen en een verzameling knokploegen, die ‘in naam van de prins’ vaak eigenmachtig handelden. De Binnenlandse Strijdkrachten hadden zich in de periode dat het zuiden van ons land al was bevrijd, niet geliefd gemaakt. Ze hadden zo veel mogelijk ‘foute’ burgers gearresteerd. Binnen de kortste keren hadden ze zonder vorm van proces duizenden verdachten, soms met baby en al, opgesloten onder erbarmelijke omstandigheden. Mijn opa zat korte tijd gevangen en werd weer vrijgelaten op ‘12 februari 1945 om 11.45 uur’, zoals de rijksveldwachter keurig noteerde.

Pas op 19 juni 1946 had het Bijzonder Gerechtshof in Arnhem tijd voor hem. Het proces draaide om de vraag of opa een goede Nederlander was geweest. Een journalist van De Gelderlander deed over twee kolommen verslag van de rechtszaak. Volgens hem liet de advocaat getuigen horen die in ieder geval oma een heldenrol toedichtten. Op 17 september 1944, enkele dagen voor Nijmegen in geallieerde handen viel, hadden Duitse SS’ers door de straat gezworven. Ze dachten dat sympathisanten van de geallieerden zich in de huizen schuilhielden en wilden de In de Betouwstraat in brand steken, zoals ze elders al hadden gedaan. Oma nodigde de SS’ers uit voor een kop koffie en wist hen te kalmeren. Ze slaagde er zelfs in hen uit de buurt weg te krijgen. ‘Wanneer de straat in vlammen zou zijn opgegaan zou dit een catastrophe zijn geweest,’ schreef de verslaggever. ‘De bewoners van de huizen en tientallen kinderen zaten in de kelders.’

Een andere getuige à decharge was een drieënvijftigjarige weduwe, bijgenaamd Oranje Marie. Ze was de uitbaatster van hotel-café-restaurant Het Oranjehuis, voorheen de Bonte Os, aan de Molenstraat. ‘In het eerste jaar der bezetting 1940, werd in augustus, alle uiting van liefde en trouw aan ons Oranjehuis verboden,’ zo meldde zij. ‘31 augustus, de verjaardag van onze geliefde koningin, zou men ongemerkt moeten laten voorbijgaan. Dit wilde ik niet en probeerde bij verschillende bloemisten een krans te bestellen, wat niet lukte, omreden zij allen te bang waren voor de gevolgen. Ik zocht toen de Heer Janssen op, vertelde het hem en hij was terstond bereid, een mooie krans te maken, zonder bezwaar te maken voor eventueel nadelige gevolgen. Ik ben toen wel gearresteerd, doch door mijn brutaliteit vol te houden, ik dezelve persoonlijk gemaakt had, redde ik de Heer Janssen. En zoo heeft hij al de 5 jaren voor mij blijven werken.’

In het dossier zwierven meer ontlastende verklaringen. Een keel-, neus- en oorarts gaf blijk van zijn vertrouwen op een haastig volgeschreven receptenbriefje. Iemand uit Haarlem verklaarde dat hij in de oorlog twee keer zijn fiets bij mijn opa mocht verstoppen. Een tandarts wijst erop dat opa ‘habitué dronkaard’ was en niet zo serieus moest worden genomen.

Maar de aanklager was volgens De Gelderlander onverbiddelijk: hij eiste drie maanden gevangenisstraf, omdat opa een delict tegen de openbare orde had begaan. De advocaat bepleitte een geldboete, een voorwaardelijke straf en een caféverbod. De aanklager riep daarop smalend: ‘Geef deze man liever drie maanden gevangenisstraf dan het verbod om nog in cafés te komen. Dat maakt hem nog veel ongelukkiger.’ Het vernederende artikel kwam hard aan, opa en oma vreesden klanten te verliezen. Ze zeiden hun abonnement op.

De uitspraak volgde op 3 juli 1946. Opa werd veroordeeld wegens ‘opzettelijke belediging van H.M. de Koningin’. Zijn advocaat diende een gratieverzoek in dat een halfjaar later werd afgewezen. De rechters waren unaniem in hun oordeel. ‘Gezien het dossier valt sterk te betwijfelen of de verzoeker een goed Nederlander is geweest,’ noteerde de een. ‘Deze straf komt den man m.i. eerlijk toe,’ schreef een ander. ‘Het dossier werpt ongunstig licht op den persoon van de veroordeelde. Er is veel meer dan het ten laste gelegde feit alleen.’ Opa werd vooral gestraft omdat hij een slechte indruk maakte. Hij miste het talent zich voor te doen als een brave Nederlander die uit overmacht had gehandeld, zoals vele hoge heren die zo de dans ontsprongen.

Op 5 januari 1948 moest hij zich melden in Avegoor. Het landgoed had tijdens de oorlog een opleidingsschool voor de Nederlandse ss gehuisvest. In 1942 had de kampleiding joden ingeschakeld bij het droogleggen van het moeras achter het landgoed. 139 joodse mannen bouwden er onder voortdurende mishandeling een turnhal. En op de plaats van het huidige gazon, waar de labrador zo leuk speelde, legden ze een sportveld aan. Toen de dwangarbeiders klaar waren, werden ze uitgehongerd en kapotgeslagen afgevoerd naar Westerbork.

Na de bevrijding zaten in Avegoor collaborateurs en NSB’ers gevangen, maar ook hoge Duitse officieren als Fullriede, kolonel van de Wehrmacht, en Von Wühlisch, de man achter de razzia’s in Rotterdam en Den Haag. Von Wühlisch pleegde op Avegoor zelfmoord. De turnhal werd gebruikt als onderkomen voor de mannelijke gevangenen, de vrouwen verbleven in twee kleinere gebouwen verderop.

Net als in veel andere strafkampen heerste er de eerste tijd een hardvochtig regime. De kampcommandanten kregen weinig instructies van de regering. Vast stond alleen dat gevangenen niet luidkeels mochten zingen, lachen of fluiten of de bewakers rechtstreeks aanspreken. Ze moesten om halfzes ’s morgens opstaan en om acht uur
’s avonds naar bed. Verder hadden de commandanten alle vrijheid zelf nog meer regels te bedenken.

In het Nationaal Archief bevindt zich een proces-verbaal over Avegoor, dat deel uitmaakt van een groot onderzoek naar de situatie in de strafkampen. Daarin vertellen gedetineerden dat ze het eerste halfjaar niet genoeg te eten kregen. Om hun honger te stillen aten ze soms gras of kookten stiekem brandnetels. Ze vochten om rauwe aardappels.

Als ze een kampregel hadden overtreden, werden ze ingedeeld bij de strafploeg. Ze moesten dan met beertonnen op de schouder van de ene naar de andere kant van het terrein rennen. Ondertussen gutste de inhoud van de tonnen in hun nek. Heel lastige gevangenen kregen enkele dagen of weken een ketting met een zware kogel aan hun been – daarvoor werden de gymnastiekkogels gebruikt die de ss’ers hadden achtergelaten. De ketting werd met een ijzeren klem om hun been vastgezet door een smid. In het dossier geeft deze toe dat een bout aandraaien genoeg was om de klem vast te zetten. Maar om de gevangenen te intimideren werd een show met een smid en gloeiend ijzer opgevoerd. ‘Deze maatregel had […] de volledige goedkeuring van Den Haag,’ verklaarde een bewaker.

De gevangenen moesten verplicht meedoen aan gymnastiekoefeningen op het sportveld. Dat gold ook voor de vrouwen, vaak ‘moffenmeiden’ met geslachtsziekten. Zij moesten onder meer met de benen omhoog op hun rug liggen. Ook als ze ongesteld waren of weinig kleren aan hadden.

De ondercommandant liep er volgens een getuige bij als een cowboy. Hij droeg een colt-revolver, een rijbroek met laarzen en soms ook een geruit overhemd. Hij mishandelde de gevangenen als hij de kans kreeg. Soms liet hij een gevangene de trap oplopen en schopte hem daarna terug. ‘De volgende dag vroeg hij dan hoe het met de tanden en kiesjes ging.’ In het proces-verbaal gaf de ondercommandant toe dat hij de gevangenen sloeg. Maar daarbij gebruikte hij nooit voorwerpen, bezwoer hij: dat had hij niet nodig.

Begin 1946 werd zowel de commandant als de ondercommandant ontslagen, wat overigens meer het gevolg was van hun onderlinge geruzie dan van hun wanbeleid. De straf met de ketting werd afgeschaft. En net als in de meeste andere kampen kreeg de regering meer grip op de situatie.

Slechts een doorslagpapiertje met datum bewijst dat mijn opa in Avegoor heeft gezeten. In de tijd dat hij er verbleef, moeten volgens de officiële lezing geen excessen meer hebben plaatsgevonden. Toch zou opa hebben gezien dat bewakers wortels in de vagina van enkele vrouwen propten. Hoe hijzelf is behandeld, valt niet meer na te gaan. Naar zijn zeggen deed hij er weinig meer dan de aardappels voor het avondeten schillen.

Na zes weken mocht opa zijn koffer pakken. Vermagerd, vernederd, nog meer verlangend naar een borrel. Hij hervatte zijn werk als bloemist met weinig enthousiasme en met nog minder zakelijk inzicht. Twee keer balanceerde zijn zaak op de rand van het faillissement.

Buiten de omheining van het huidige landgoed Avegoor ontdek ik een groot gebouw met een rieten dak: de turnhal. Het dak is begroeid met mos en onkruid. Ik kijk door de ramen naar binnen en probeer me voor te stellen hoe opa hier met vele andere mannen heeft geleefd. Naast de centrale hal zijn kamers afgetimmerd die vol liggen met afval en oude matrassen. Sliep hij daar of zijn de schotten van latere tijden? Leidingen zijn uit de plafonds gerukt en op de vloer achtergelaten. In de keuken liggen vervuilde kookplaten op een hoop, aan de muren kleeft vet. Volgens een buurtbewoner is het een asielzoekerscentrum geweest, maar weet niemand meer wat er nu met het gebouw moet gebeuren. Afgebroken wordt het in ieder geval niet: het is een uniek monument van nationaal-socialistische architectuur in Nederland.

De beheerderswoning aan de voorkant van het gebouw is nog wel in gebruik. De bewoners kijken uit op bos en weiland. Op het erf zwerft een driewieler, rubberen laarsjes zijn uitgeschopt op de deurmat. In de tuin staan een zelfgetimmerd konijnenhok en een schommel. Een jonge kikker springt weg door het vochtige gras. Voor het raam prijkt een stapel knuffeldieren. Eindelijk is hier iemand gelukkig.

Bronnen

  • Nationaal Archief, Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR), toegang 2.09.09, inventarisnr. 95 570, dossier 3118 en inventarisnummer 65 826, dossier 379.
  • Nationaal Archief, Directoraat-Generaal Bijzondere Rechtspleging (DGBR), toegang 2.09.08, inventarisnummers 1351 en 1450.
  • ‘Ze wilden de In de Betouwstraat in brand steken’ in: De Gelderlander, 20 juni 1946.

Literatuur

  • A.D. Belinfante, In plaats van Bijltjesdag, Assen, 1978.
  • Koos Groen, Landverraad. De berechting van collaborateurs in Nederland, Weesp, 1984.
  • Hans Kooger, Joods leven in Dieren, Rheden en Velp, Zutphen, 1985.
  • Peter Romijn, Snel, streng en rechtvaardig. Politiek beleid inzake de bestraffing en reclassering van ‘foute’ Nederlanders 1945-1955, 1989.
  • H.W. van der Vaart Smit, Kamptoestanden 1944-’45-’48, Haarlem, 1949.
Mirjam Janssen (1963) is historicus. Zij schrijft boeken en artikelen over arbeidsmarkt en onderwijs. Eerder publiceerde ze verhalen in De Tweede Ronde en De Brakke Hond.

Meer van deze auteur