twee broers waren het niet zo te zien
twee zogenaamde sleuteldragers
die besneeuwd vanonder de lichtbruine tegels
tevoorschijn kropen en dit groene perceel
plus huis aan het water met alle liefde
die geweld rijk is wilden verkopen.
verkopen aan de vrouw zonder schaduw
die peinst op haar schommel van wat een wolk.
de boten staan wit klaar achter hun luiken.
de kamers zijn bijna leeg en heel fout eng naar stil.
ruime keuken met hier en daar sporen van licht gebruik
een hoge brede ligbank bij de trap
die niet anders dan naar het schavot op het dak kan voeren.

mag ik u welkom heten als getuige in onze groene republiek?

hij is net gearriveerd. het is er in de koelte van de namiddag
dan toch van gekomen. de dwergpalmen wuiven hem toe
nu hij het portier van zijn vuile mercedes knipogend dichtklapt.

zal ik afdingen op zijn vraagprijs?
of zijn verzinsels en listen stilzwijgend –
o mot in mijn regels! drager van het kwaad dat ons plaagt!
– ga alstublieft – in welke gedaante u maar wilt. maar ga.

.

residence inn: een groot biljart
met veel ballen dat eigenlijk
in alle tl-licht natuurlijk geen biljart
kan zijn stemmen
een komen en gaan in het donker.
je zegt dat je iets zoekt alweer
net niet vond en dat je daaraan went?
dat je jezelf na een hap
kaaiman plus slok whisky op suikerbasis
duchtig vragend –
ik vroeg vanmiddag kuntie die je uit guyana zeggen zal
hoe deze stad vanaf de onderkant
in alle huisvuil een koele ondermaatse
samenzwering tegen zichzelf is.

laten we man zijn en gaan.
het is laat.
in de club met de mooiste
blote meiden van het land achter de bar
is het gaan regenen.
daar in de club dansen de mannen met elkaar.
waarna het droog werd toen wij kwamen
stonden de tranen op hun beploegde gezichten.
er was ook een jongen die erg mooi zong ik dacht iets over jou
want in de auto praat je je dagen later nóg een weg door india

anil ramdas

.

ergens in de zaal
zal ik je zijn kwijtgeraakt – de tuinzaal waar turkooizen vogels
’s ochtends onbedaarlijk wachten in hun boom
en waar langs trap en trede de luchtwortels groeien.
hier in het gras bij je stoel staat een rode
roze verblekende reiger zich – en stijgt uit
mijn verbeelding op:
een groot wit laken boven het gazon bij de rivier.
je bruine fluisterende. ik zou daar dolfijnen zijn ik zal
bij kerend tij in deze stad en door je regels drijvend
ergens in je boek de weg kwijtraken
loop er zenuwachtig maar wat rond.

ik zie liever dat jij rijdt.
dat je dag na dag tuin en zaal bezoekt en niets hoopt.
in verbazing ben je een bazaar
op je terras de roep der gehangenen
zalig zijn zij die gelyncht
en lees ik hoe we naakt met lange nek als zij –

ik sta op en ga.
het was hún dichtbegroeide zaal waar zij met mij weer
even kleine schuwe groener blauwe wezens
hun vleugels tegen de binnenkant
van vensterglas voordat we nadat dadelijk –

ellen ombre

.

als je iets ziet dan zit je eraan vast.
vergeet de sleutel niet
en weet je wat een vergeten sleutel
heeft te maken met iets waaraan je
blijft kleven?

kijk
het is bijvoorbeeld de plas regenwater hier
voor ons op de weg.
daar kan een lelijk gat onder zitten
waarvan jij knorrig zult zeggen dat je er geen band
aan verknalt.

ik bel je en je weet weer
dat je je sleutel toch nog vond
en dat daarom uit de plas vrouwen zullen
oprijzen die in zachtgroene tinten
met stijve tepels
groter en groter worden
geel en geil je huis en al
aan de rivier zullen zijn
waarin ze je lijdzaam verleidend
laten opgaan in het allerwarmste
zinnelijke wulps gekleurde niets

erwin de vries

.

ik vlieg vanavond maar terug
kuste net mijn vader goedenacht
dacht aan wat hij afgelopen week
links rechts groetend in de stad tegen me zei:
wees vriendelijk voor de mensen
juist ook als hun neuzen niet zijn afgebouwd
terwijl hun huizen groot en boten snel
hun grond toch net en nederig terwijl
de boosheid en gezichten broos hun nagels glanzend
gaaf ze tot je schrik heel erg druipen van ongeloof en lof.
zo erg dat je denkt: elke muur rond hun domein is van gebak
verkruimelend tussen het hoge gras.

op dit moment wordt tot onze spijt
het gedicht onderbroken voor
een bericht uit de cockpit hierboven:
we moeten blijven zitten nu ik net zo heel erg nodig moet
de atmosfeer is turbulent vandaag
en in de eerste fase van de vlucht
sneeuwen tot op grote hoogte
lege schermen het ongrijpbare verboden wit

.

nu ik ontwaak
ter hoogte van dakar
denk ik die twee schuin achter me
(stoel rij vijf of zo dacht ik)
(ze zijn al slaperig)
zomaar in licht bedwelmde staat.
als zwarte katers soezen
ze met open oren glanzend zwart:
dan draaien ze zich om en zinken
in diepe slaap – roerloze lichamen donzig
ademen de buiken in diepblauwe luchtige dekens gewikkeld.

zie je ze morsdood met hun droge wonden liggen in de berm?
nadat ze uit de rij gehaald door niemand in de rij werden gezien
de lange rij die op het gloeiend hete asfalt wacht
en foto is een hele grote aan de hekken
van het luxembourg zodat je schrikt je pas versnelt
en wéér ontwaakt
ter hoogte van dakar.
ze slapen nog. buiten is het donker.
dit is de nachtvlucht uit het zwaar
verkouden land waar op de luchthaven over het platform vele tissues waaien
en een vrolijk leger katvangers weer vol verhalen naar de stad vertrok.

Antoine de Kom (Den Haag, 1956) debuteerde met de bundel Tropen (1991). Meerduidigheid en tegenstelling spelen een bepalende rol in zijn poëzie. Hij is ook werkzaam als forensisch psychiater. Zijn laatste dichtbundel, ritmisch zonder string, werd bekroond met de VSB Poëzieprijs 2014.

Meer van deze auteur