Het is een meditatieve autorit, vanuit Helmond langs de Zuid-Willemsvaart richting Someren-Eind. Aan de linkerkant het langgerekte kanaal met zijn talrijke sluizen, aan de rechterkant wat kleine industrie, de velden, een enkele boerderij en, na het passeren van de A67, de glazen tuinbouwcomplexen die dag en nacht de horizon van dit deel van oostelijk Brabant verlichten. De rit voert over de kaarsrechte kanaalweg zo’n twintig kilometer naar het zuiden, sinds enige jaren onderbroken door een aantal rotondes (aan ruimte voor verkeerspleinen hier geen tekort), en eindigt ter hoogte van Sluis Half Twaalf en Sluis Twaalf. Daar ligt het kerkdorp Someren-Eind, niet te verwarren met de hoofdgemeente Someren, laat staan met het kleinere (en armere) Someren-Heide, buurtschap van heideontginners.
Twee ophaalbruggen vormden voorheen de pracht van Someren-Eind. Ze verbonden het dorp met de andere, zo goed als onbebouwde oever van het kanaal, zo pittoresk als je ze normaal alleen op ansichtkaarten en in het openluchtmuseum ziet. De bruggen werden onlangs door Rijkswaterstaat vervangen door een kloek nieuw viaduct, Wielput geheten, dat niet open hoeft voor de (weinige) schepen die vanuit Nederweert naar Helmond of Den Bosch varen. Aan dit viaduct verhing zich afgelopen februari een inwoner van Someren, nadat eerder dit jaar het dorp werd opgeschrikt toen een jonge inwoner zich, na een ruzie thuis, in zijn auto tegen een boom te pletter reed. De boom stond pal voor het ouderlijk huis.
Zulke zaken gebeuren overal, ook in een stad. Het verschil is dat er in een dorp over gesproken wordt, geroddeld zo men wil, waarmee de daad toch ook in zekere zin wordt herdacht. Someren-Eind is geen triest dorp en wil dat zeker ook niet zijn. De carnavalsoptocht is vermaard in de wijde omtrek en stelt de optocht van Someren in de schaduw – je kunt de twee optochten eigenlijk niet met elkaar vergelijken, weten de inwoners van Someren-Eind. Veel van de praalwagens worden gevraagd in de naburige dorpen mee te doen, om de parade daar nog enig aanzien te geven. En dan is er nog de beruchte Kennedymars, een vooral nachtelijke wandeltocht van tachtig kilometer, die na het vertrek uit Someren ook Someren-Eind aandoet. Veel van de bewoners willen hem minstens één keer gelopen hebben, om in ieder geval te weten waarom ze al die jaren in het pikkedonker langs de kant van de weg hebben staan klappen. In de zuidelijke Peel luidt het gezegde: ‘In Someren-Eind feesten (spreek uit: fissten) ze altijd.’ Waaraan de bewoners zelf meteen toevoegen dat ze ‘er hard genoeg voor werken’. Het dorp staat bekend om zijn talrijke kleine bouw- en stratenmakersbedrijven, die het weliswaar nu met de crisis wat rustiger hebben, maar werkeloos zal niemand zich noemen. Ook de bloeiende hightechsector rond Eindhoven, met als koploper ASML in Veldhoven, biedt sommige inwoners emplooi.
Bij de afgelopen Tweede Kamerverkiezingen werd in de gemeente Someren het CDA opnieuw de grootste partij, met 27 procent van de stemmen. Gevolgd door de VVD en de PVV, die elk bijna 20 procent kregen; de SP was met zo’n 12 procent de vierde partij. Op de electorale kleurenkaart van Nederland is de Brabantse gemeente vooralsnog groen ingekleurd. Maar aan die traditie wordt de laatste jaren geknabbeld, laat een blik op de kaart van de buurgemeenten zien. Een in groen gaas gehulde zaadbol, daarmee kun je de gemeente Someren vergelijken; een zaadbol die in de opengesperde bek van een krijsende blauwe meeuw ligt, want in de omliggende (Limburgse) gemeenten in het zuiden en oosten werd de PVV de grootste partij.
Zoomen we verder in op deze kaart, met nog zichtbaar het kanaal en de heide- en bosgebieden daaromheen, dan wordt het groen langzamerhand grijs en komt het dorp Someren-Eind in zicht; de straten en huizen krijgen van Google Earth namen toebedeeld: we zien Pedro’s Tapasbar liggen, Grieks Specialiteitenrestaurant Mythos, Café-Zalencentrum Jan van Tieskes, Bakkerij Van Eijck, Rudie Swinkels Hoveniersbedrijf. Schakelen we vervolgens Google Street View in, dan zien we de aangeveegde stoepen en straten, een kern van sobere rijtjeshuizen, omringd door de luxere nieuwbouw uit de jaren zeventig en tachtig. Hier wonen de kiezers die het dorp na verkiezingen groen, blauw of lichtblauw laten kleuren, en wie ze ook mogen zijn, ze heten in elk geval geen Henk en Ingrid, dat zijn namen uit het koele noorden. We moeten eerder aan Rinie en Nel denken, die overwegen naar Deurne te verhuizen, waar hun oudste zoon woont, of Toos en Wim, dit jaar precies vijfentwintig jaar getrouwd, of Thieu, een gepensioneerde metselaar, of Tiny, gescheiden, moeder van drie dochters, hobby’s: fietsen, dansen, koorzang, bridge.
Tiny heet ze, en we kunnen ons een voorstelling van haar maken, alsof we over de nieuwste update van Google Street View beschikken, laten we zeggen Street View Mens. Zelf is ze, sinds ze bij Seniorencompas (Senioren Computerclub voor Asten en Someren) met internet en e-mail leerde omgaan, een frequent gebruiker van Street View. Als ze op vakantie iemand ontmoet, typt ze thuis toch even op haar laptop het adres in, om te zien hoe die mensen eigenlijk wonen. Tiny is onlangs zesenzestig geworden, wat je niet zou zeggen, want ze ziet eruit als een vrouw van eind vijftig. Ze woont in een vrijstaand huis aan de Harmonielaan. De tuin is keurig bijgehouden, al ligt er nu een eilandengroep van verdorde bladeren op de oprit. Dat heeft de tuinman van de buren gedaan, die te lui is om de bladeren die hij wegblaast uit de tuin van zijn baas netjes op te ruimen, zodat Tiny dat vanmiddag zelf moet gaan doen.
We gaan achterom, via de garage en de bijkeuken, over een reeks van matten, zeven in totaal. Ze heeft een tegelvloer, vandaar. In de keuken een enkele tl-lamp, die overdag nooit brandt, in de woonkamer vooral veel eikenhouten meubelen. De flatscreen-televisie staat verscholen opgesteld in een handig scharnierdeurkastje, eveneens van eikenhout. Daarin staat ook de videorecorder, waar ze afleveringen van Boer zoekt vrouw mee opneemt, want op zondagavond is ze aan het dansen. In de open haard liggen plastic houtblokken, op de schoorsteenmantel staan wat porseleinen beeldjes van kleuters en konijnen. Op de vensterbank aan de oostkant van het huis staan vijf orchideeën, die het heel goed doen. De weelderige sanseveria daarnaast is een schoonheid. Het huis is uitzonderlijk schoon – aan kant, zogezegd. Je zou er van de vloer kunnen eten, als die bruine tegelvloer niet zo koud was. In de gang hangt een vuistgroot tegeltje met de spreuk ‘Van ’t concert des levens krijgt niemand een program’. De buurvrouw van nummer 11 zei tijdens de vorige verjaardag dat ze zulke tegeltjes eigenlijk op zou moeten ruimen. Het huis heeft rolluiken, die bij zonsondergang automatisch naar beneden gaan. Op zondag staat Tiny om acht uur op om ze aan de zuidkant weer omhoog te doen, zodat ze daarna tot negen, tien uur in bed kan blijven liggen. Ze wil wel uitslapen, maar dat hoeven de buren op nummer 15 niet te zien.
Met een pot zeer slappe Pickwick Engelse thee onder handbereik vertelt Tiny graag over haar leven, omdat het duidelijk maakt ‘waarom ze is geworden zoals ze is’. Na een lang niet altijd voorspoedig leven is dat haar onverwachte bezit, het verhaal dat ze ervan heeft kunnen maken. Ze werd geboren in een dorp aan de andere kant van het kanaal, in Liessel, in een boerengezin van vijf. Thuis mocht er niet zo gek veel. Schoolreisjes en zwembadbezoek, dat was te duur of te gevaarlijk. Meehelpen op de boerderij, dat mocht ze wel. Zwaar werk was dat. Ze vertelt over oudste broer Bert, die altijd met de zeug aan de lijn door het dorp moest lopen opdat de beer erbij kon. De beer moest op een hoopje zand staan om zijn werk te kunnen doen. En als de mannen van de kunstmatige inseminatie kwamen, dan sprak vader van een ‘poederke voor de koe’. Ze herinnert zich dat ze niet sterk genoeg was om de schoven op het land samen te binden – haar zus kon dat wel – en dat ze ziek werd de keer dat ze moest helpen toen er een koe kalfde; haar moeder en Bert spraken er schande van. Daarmee is het begonnen, denkt ze nu, dat ze in haar jeugd almaar naar beneden werd gedrukt.
Ze was een plichtsbewuste, ietwat ondeugende leerling op de lagere school, een klein meisje dat heel snel zenuwachtig werd. Toen ze een keer per ongeluk – goed, ze had op de stoelpoten gereden – achteroverviel, plaste ze meteen in haar broek. De juffrouw stuurde haar naar huis voor een schone onderbroek, waar ze van haar moeder een donderpreek kreeg. Ze bezocht de huishoudschool en wilde daarna graag nog een aanvullende naaicursus doen, mogelijk zelfs de handelsavondschool, maar haar zus Toos had werk voor haar gevonden, werk waarvoor Toos zichzelf te goed achtte. Zes halve dagen schoonmaken in de week voor tien gulden; eigenlijk was het niet eens de vraag of Tiny het wilde doen. Ze was toen nog geen zestien jaar.
Ze vond werk bij textielfabriek Hatéma in Helmond, die later zou opgaan in Vlisco, het bedrijf dat vandaag marktleider in West-Afrikaans batik is. Ze werkte er vier jaar, en elke week droeg ze haar loon af aan haar ouders, zoals dat in die tijd de gewoonte was. Alleen wat ze verdiende met overwerk mocht ze houden. In de vakanties ging ze dan aardbeien plukken op het land, om een extra centje te verdienen. Tiny legde het vaak af in de strijd tegen haar ouders, maar toen ze voorstelden voor haar een brommer te kopen, zoals ze voor zus Lies hadden gedaan, hield ze voet bij stuk: ze wilde haar rijbewijs halen. En dat is haar gelukt.
Natuurlijk zijn er altijd mensen die jou je dommer willen laten voelen dan je bent, die je omlaag halen, die als het ware voor je gaan staan. Laatst nog werd Tiny bij het koor, waar ze al drieëntwintig jaar bij zingt, na dat eerst vijfentwintig jaar in Liessel te hebben gedaan (ze wil graag haar 50-jarig jubileum halen) op de tweede rij gezet. Groot is ze niet, dus de dirigent kon ze niet meer zien. Dat had de penningmeester bekokstoofd; al zijn familieleden staan op de eerste rij. Tiny vroeg de dirigent of ze haar een keer kon spreken. Natuurlijk Tiny, zei zij, moet jij weer op de eerste rij gaan staan, dan gaat Leen van Laar wel op de tweede. Tja, dat vond ze dan ook wel jammer voor Leen, maar gelukkig was die de volgende repetitie verhinderd. De week daarop had ze zich omgedraaid om aan Leen te vragen of zij het niet vervelend vond, om op de tweede rij te staan. ‘Nee,’ had Leen gezegd, ‘Tiny, jij staat heel goed op de eerste rij.’
De drie dochters van Tiny hebben allemaal gestudeerd. Dat is soms wel moeilijk, met mensen die niet weten wat dat inhoudt, studeren. Hoeveel tijd het kost, en dat je kinderen niet elke week thuiskomen, soms zelfs een verjaardag moeten overslaan. Ze zal niet zeggen dat die mensen jaloers zijn, maar het lijkt er wel veel op. Maar een kloof tussen haar en de club waarmee ze op woensdagavond rikt1, een kloof ook tussen haarzelf en haar broer Bert, van wie de kinderen niet studeren? Nee, als het gaat om een kloof, dan denkt ze toch in de eerste plaats aan haar scheiding, maar dat is een ander verhaal.
Haar eerste grote liefde heette Jan. Tijdens het carnaval van 1963 bracht Jan een ander meisje naar huis; op Tiny’s vraag, de volgende dag, of hij dat andere meisje ook een kusje had gegeven, antwoordde hij schoorvoetend ja. Dat betekende het einde van hun verkering, hoe jammer Tiny het ook vond. Een cadeautje waarmee hij het goed wilde maken, stuurde ze nog ingepakt naar zijn ouderlijk huis terug. Nieuwe vriendjes hielden het niet lang vol, want heimelijk bleef ze verliefd op Jan. Zozeer was ze van streek als ze met andere jongens uitging, dat ze moest overgeven. Pas toen ze begin jaren zeventig de hts-student Wilbert (‘Ik vond dat ook eerst een rare naam’) leerde kennen op een dansavond, nieuwjaarsdag, lukte het haar eerste liefde te vergeten.
Haar vriendinnen, van wie de meesten toen al getrouwd waren, vonden Wilbert knap, maar merkten wel op dat hij een klein beetje mankte – een brommerongeluk. Tiny zag de handicap niet als een bezwaar, maar haar ouders sputterden tegen. De tegenstand mocht niet baten, Tiny was al tot over haar oren verliefd. En zo kwam het dat Tiny en Wilbert trouwden. Zij stopte met werken in de textielfabriek, want Wilbert verdiende immers ruim genoeg. Ze kochten een huis in Someren-Eind, tot schrik van haar vader, die vond dat ze emigreerde, helemaal naar de overkant van het kanaal. Binnen vier jaar volgden drie dochters. En toen ging het mis.
Over de scheiding alleen al zou ze een boek kunnen schrijven, zegt Tiny. En mocht ze dat een keer doen, dan is het te hopen dat ze schrijft zoals ze vertelt: gedreven, op bijna samenzweerderige toon, waarbij ze de toehoorder herhaaldelijk in vertrouwen neemt, hem met gebaren laat zien wat met woorden moeilijk aan te duiden valt, heel precies, woord voor woord, de zinnen reproducerend waarmee Wilbert, in een verleden dat alweer een decennium oud is, haar hart brak. Die woorden vergeet ze nooit meer; het voorbije leven zet zich vooral met pijn in het geheugen vast.
Wat ze zich vooral voor de geest kan halen van de tijd na de scheiding – ‘het grootste verdriet van mijn leven’ – is de ontzettende schaamte: ‘Je schaamt je de ogen uit je kop.’ In winkels begon ze soms spontaan te vertellen dat ze een gescheiden vrouw was, alsof ze boete wilde doen. Ze had het gevoel dat ze nu definitief mislukt was in het leven. Haar ouders maakten het niet meer mee, maar haar oudste broer, inmiddels zelf weduwnaar, had zijn oordeel klaar. Tiny herinnert zich degenen die haar bij het uitgaan van de kerk kwamen vragen of haar man haar had ‘afgeslagen’, en of hij soms homofiel geworden was. En zij stond daar maar te huilen, en dat vragen hield niet op. ‘Dat zijn van die mensen die denken dat ze alles kunnen zeggen, maar zelf dulden ze geen tegenspraak.’ Een vrouw, nota bene een schoonzus van de vrouw aan wie haar ex-man lange liefdesbrieven had geschreven, kwam vragen of ze het huis misschien wilde verkopen, voor een redelijke prijs. Als ik het doe, ben jij de laatste die het hoort, had Tiny gedacht. Ze besloot het huis zelf te kopen; ze zou iedereen eens een poepje laten ruiken, laten zien dat ze heus wel wat kon. Het lukte haar de hypotheek over te nemen, en het huis op haar naam over te schrijven. Natuurlijk moest ze huilen toen het zover was en ze haar dochters één voor één opbelde met het goede nieuws. En nog altijd kan ze kwaad worden als iemand suggereert dat het huis niet van haar is, zoals laatst onder het rikken, de vrouw van de hovenier.
Na de klap volgde de stilte. Tiny merkte dat ze maar moeilijk alleen kon zijn, dat ze gezelschap nodig had. ‘Als je thuis blijft zitten, dan ga je er helemaal aan.’ En dus ging ze fietsen. Ze maakte lange fietstochten – ‘ook omdat de auto zo duur was’ – naar haar jongste zus in Geldrop, tien kilometer verderop, met wie ze goed kon praten, en naar haar oudste zus in Milheeze, twintig kilometer verder, die weinig begrip had voor haar verdriet. Inmiddels legt ze jaarlijks minstens 6800 kilometer af op haar Koga-Miyata; dit jaar wil ze weer boven de 7500 uitkomen, en daarom fietst ze gerust vijf kilometer naar de Jumbo in Someren2 voor één pak chocoladevla.
Ze ging weer buitenshuis werken, na meer dan vijfentwintig jaar. Om goed en betaalbaar verzekerd te zijn, en ook omdat de alimentatie het eerste jaar nog niet geregeld was. Ze startte als schoonmaakster in een vrachtwagengarage, niet te geloven hoe smerig het daar was. En had ze de kantine helemaal gepoetst, liepen die mannen met smeerolie aan hun werkschoenen rustig over het linoleum om een kop koffie uit de automaat te halen. Ze probeerde het bij sps, een fabrikant van elektronische besturingssystemen, waar ze kleine reparaties moest uitvoeren aan de lopende band. Ze wilde het zo goed doen dat ze het daardoor allemaal verkeerd deed. ‘Ik maakte meer kapot dan heel.’ Eén dag werkte ze bij een vlaaienfabriek, waar ze het deeg in de bodem van de bakvorm moest spuiten. Aan het einde van de dag was ze één klont deeg geworden. Ze nam ontslag. Als ik dit ga doen, had ze gedacht, kunnen ze me over veertien dagen begraven.
Beter beviel het schoonmaakwerk in een kinderdagverblijf (‘Daar was ik aan het poetsen, toen in Amerika de vliegtuigen die gebouwen in vlogen’) en het gemeentehuis. Anderen werkten met het oog op de klok, zij ging door tot ze de afdeling schoon kon achterlaten. Heel secuur, en steeds weer bang dat ze het niet goed genoeg deed. Maar ze hield het vol, met geen dag verzuim, want ze wist dat ze na tien jaar onafgebroken werk recht had op de vut. De laatste werkdag ervoer ze als een bevrijding. Nooit meer schoonmaken, nooit meer de troep van een ander opruimen.
Anderhalf jaar na de scheiding durfde ze voor het eerst op reis te gaan, met een busreis naar Antibes in Zuid-Frankrijk. Kreeg ze meteen drie mannen achter zich aan. Eentje vroeg er of ze bij het avondeten zijn vlees wilde snijden. Werd ze weer in een dienende rol geduwd, alsof ze een vrijwilligster bij de Zonnebloem was! Ze wilde het nu eens leuk hebben voor zichzelf. Helemaal in haar eentje is ze toen een dag met de trein naar Nice gegaan, terwijl ze geen woord Frans spreekt. (‘Als ik buitenlands praat, is het Duits, en dat verstaan ze daar niet.’) Wat was ze trots toen ze op het einde van de dag met twee plastic tassen vol nieuwe kleren weer veilig terug in haar hotel was. Dat gevoel, dat blijft haar nu nog bij: ik kan de hele wereld aan.
Langzamerhand kwam ze de klap te boven; ze besefte dat ze voortaan voor zichzelf zou moeten leven. Ze schreef zich in voor een cursus bridge, en dat bleek enorm te helpen om over het verdriet heen te komen. Want bridgen is zo ingewikkeld dat er helemaal geen tijd is om ergens anders aan te denken – iets wat de vrienden van het rikken maar niet willen begrijpen, die denken dat ook bridge een kansspel is. Heerlijk was dat, een paar uur niet meer te hoeven piekeren, eigenlijk een soort therapie. Achteraf jammer dat ze er pas zes jaar na de scheiding mee begon.
Een andere vorm van hersengymnastiek is de wekelijkse les countrydans (spreek uit: kontriedans).3 Tiny gaat er iedere vrijdagochtend naartoe, naar buurtcentrum De Beiaard in Asten, gevestigd naast het rouwcentrum en de Kunstuitleen. Inmiddels doet ze het alweer bijna tien jaar, een spanne tijds waarin vijf leden van de club overleden. Het kan zomaar opeens voorbij zijn, beseft ze, ook voor iemand op haar leeftijd. Laatst nog vroeg ze aan Liza, een jonge weduwe, hoe het ermee ging. ‘Tiny, ik weet het niet. Het is wachten op de uitslag,’ was het antwoord dat ze kreeg.
In de activiteitenzaal, waarvan de gipsbetonnen muren met grote kleurenfoto’s van het dorp zijn versierd, oefent Tiny onder het alziende oog van danslerares Wilma de verschillende passen in. Wilma weet dat ze veel van haar cursisten vraagt: ‘Het is toch ontzettend nadenken.’ In elke les laat ze één dans oefenen die eigenlijk net iets te moeilijk is, al halen de dames en de enkele heer hier in Asten een hoger niveau dan de club in Someren. ‘Dus vooruit de knie, één, oké, en dan maak ik dat heupje, één oké, de jazzbox, de jazzbox, sleep, en de grapevine, ja en maak die heup!’ Na afloop drinkt de groep samen koffie buiten de zaal, in een hal met een laag plafond; zestig cent kost een kopje uit de thermosfles.
Nog een herinnering die terugkomt als Tiny spreekt over de tijd na de scheiding: de eerste keer dat ze de stijldansavond voor alleenstaanden bezocht. Zenuwachtig dat ze was! Ze had dat altijd iets gevonden voor mensen die alleen waren gebleven, die uit armoede nog eens wilden worden aangeraakt. Haar fietsvriendinnen waarschuwden dat ze er niet van moest opkijken als ze de hele avond niet zou worden gevraagd. ‘Je bent nieuw, en je kent de mannen hier, die kijken eerst de kat uit de boom.’ Maar ze kreeg meteen ‘aansluiting’, zoals ze het zelf zegt (een trotse sprankeling in haar ogen), die eerste avond. Ze danste met niet minder dan acht verschillende mannen. Ze snapte het eerst niet, dat anderen haar nog wél leuk vonden. ‘Want als iemand bij je gaat lopen, dan denken de mensen toch: met die vrouw is iets aan de hand.’
Ze ontmoette een man die al drie keer gescheiden was, die heel goed kon dansen en haar ‘heel lief vasthield’. Hij adviseerde haar eerst met een notaris te praten – hij had enige ervaring – voordat ze haar spaargeld naar de advocaten bracht.4 En hij drukte haar op het hart andere mannen wijs te maken dat ze een bijstandsmoeder was, want dan zou niemand op haar geld uit zijn. Ze vond dat laatste, zegt ze meteen, een dubieus advies; zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten. Bovendien werd haar aandacht getrokken door een wat verlegen autohandelaar uit Gemert, die elke week een meter opschoof naar de plek waar zij stond. ‘Zie je iets in mij?’ had ze ten slotte gevraagd, toen hij zowat naast haar stond. ‘Ja,’ had hij geantwoord. En toen sprak Tiny de woorden waar ze achteraf samen om hebben gelachen: ‘Ik zie ook wel iets in jou. Maar als je maar niet op mijn geld uit bent.’ De eerste keer dat hij langskwam bracht hij een bosje bloemen en een autoband mee – veel mensen hadden dat niet, een extra reserve.
Met haar vriend, die zijn naam hier liever niet genoemd ziet, bezoekt Tiny nog altijd de dansles op zondagavond, en gaat ze op zondagmiddag eten bij Grand-Café Friends te Asten, waar je voor 12 euro 50 aan mag schuiven voor het luxe lunchbuffet, koffie inclusief.5 Weliswaar ruim vier euro duurder dan het buffet dat De Reizende Man in Deurne aanbiedt, maar soms moet je kiezen voor kwaliteit. Prijsbewust mag je Tiny beslist noemen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit haar rationele omgang met de plaatselijke fietsenmaker. Met de man, die onlangs gescheiden is – ‘zo ne goeie mens’ – heeft ze weliswaar medelijden (‘en niet alleen omdat ik zelf gescheiden ben’), maar nu ze een ander, goedkoper adres heeft ontdekt, zal ze hem toch moeten zeggen dat ze haar fiets voortaan daar laat repareren. De folders van de Hema, de Lidl, de Welkoop, ze leest ze allemaal zorgvuldig door, en bewaart ze, voor als haar dochters thuiskomen, die een nee/nee-sticker op de voordeur in respectievelijk Nijmegen, Mook en Maastricht hebben geplakt. Maar er zijn grenzen aan de zuinigheid. De dames die van de countrydans in Asten naar Someren verkasten, omdat ze daar geen twee euro hoeven bij te dragen aan het kerst- en zomercadeau voor Wilma, die snapt ze niet.
Samen met haar vriend gaat Tiny elke zaterdagavond naar de mis, in de kerk van Someren-Eind, weliswaar niet de mooiste van de omgeving – in 1955 werd de kleine dorpskerk vervangen door nieuwbouw – maar wel, zo claimt Tiny althans, de warmste. De kerk heeft zijn eigen attractie, namelijk de nieuwe pastoor, een man van ‘de oude stempel’, die met strenge hand over zijn parochie is gaan heersen. In plaats van een welkomstwoord krijgen parochianen tegenwoordig te horen dat ze voorafgaand aan de dienst stiller moeten zijn. En als hij de hostie uitreikt en het blijft stil, dan zegt de pastoor bestraffend: amen! In de toch al niet afgeladen volle kerk wordt het er niet drukker op. Bij een recente eerste-communieviering overhoorde de pastoor de kinderen onverwacht op hun kennis van het evangelie – vragen waarop zelfs de oudere kerkgangers het antwoord schuldig moesten blijven. Een aanwezige grootvader werd zo kwaad, dat hij een oproep deed in ’t Somers Contact. Hij vroeg de pastoor de levende kerk (‘laat de kinderen tot ons komen’) niet te veranderen in een sterfhuis.
Legendarisch binnen het dorp is de hekel die de pastoor heeft aan eigentijdse koren, met name het kinderkoor en het gospelkoor. Maar juist vieringen met koorgezang worden het best bezocht; ouders, familieleden en vrienden vullen dan de banken.6 Een paar keer liep de pastoor al voor het slotlied weg naar de sacristie, zonder het koor een blik waardig te keuren, hoewel hij in de preek nog gepleit had voor een warmere wereld, een wereld waarin we elkaar de andere wang zouden moeten durven toekeren.7
Tiny moest wel lachen toen ze de pastoor de eerste keer overdreven lang zag knielen bij de consecratie, het hoofd op het altaar, alsof hij degene was die het brood en de wijn in het lichaam en bloed van Christus diende te transformeren. Ze vindt dat de pastoor het onmogelijke wil, namelijk teruggaan in de tijd. Maar het is geen reden weg te blijven uit de kerk, waar ze graag is, om tot rust te komen. ‘Al heb ik vaak moeite om wakker te blijven, dat wel.’ De pastoor erover aanspreken, daar denkt ze niet aan.
Someren-Eind is missiegebied geworden, beseft Tiny. Laatst had de pastoor een priester uit Afrika – ‘een zwart paterke’ – voor het altaar staan, van wie hij de mentor is. Je kon hem met enige moeite best verstaan. Die man luisterde goed naar wat de pastoor hem opdroeg, die zou vast een goede carrière maken.

Het katholieke zuiden van Nederland werd vorig jaar in NRC Magazine als Wilders-land omschreven. Na de Tweede Kamerverkiezingen in 2010 stuurde de krant twee reporters naar Zeeuws-Vlaanderen, Brabant en Limburg en berichtte daarover onder de kop ‘Hoe God verdween uit het zuiden’. De journalisten spraken amper met bewoners (in tegenstelling tot de betrokken reporter die in hetzelfde blad over een klein dorpje in Malawi berichtte), en lieten vooral bekende notabelen aan het woord: sociologen, publicisten, politici. Niet dat die geen zinnige dingen zeiden, het hele brede spectrum van de Wilderologie kwam langs: het wegvallen van een zingevend, religieus verband, de achterstelling van het zuiden, het wantrouwen ten opzichte van de politiek, de afnemende kwaliteit van de zorg, de vergrijzing, het gevoel van onveiligheid. Al die zaken en sentimenten kortom, waarvoor je echt de Randstad niet hoeft te verlaten om ze op te schrijven.8
Al is het leerzaam om een paar dagen kennis te nemen van de uitzendingen van Omroep Brabant en Brabant 10 (de grootste commerciële regionale omroep van Nederland).9 Beide omroepen brengen het weerbericht voor Brabant, en als je de provincie op een flatscreen ziet uitgespreid, van Boxmeer tot Bergen op Zoom, dan heeft ze een vorm die aan België doet denken. Brabant, dat is ‘Mijn mooi Brabant’, waarbij ‘rommelige’ locaties (niemand zegt ‘lelijk’) met behulp van provinciale subsidies worden ‘aangepakt’.10 Brabant is de tv-presentator Art Rooijakkers, bekend van het programma Wie is de mol?, die vertelt over zijn ‘klik’ met die ene andere Brabantse deelnemer, met wie Rooijakkers, vertelt hij guitig, een verbond sloot, de Brabel, een variant op de Kabel, in de jaren negentig het verbond van Surinaamse spelers van het Nederlands elftal. Brabant is de golf- en lifestylebeurs in de Brabanthallen te Den Bosch, waarbij de vraag van de radioverslaggever luidt: ‘Is golfen nog steeds voor kakkers?’ (Brabant is rijk geworden, maar beseft het nog altijd niet.) Brabant, dat is de ‘Very Important Brabander’, een door Omroep Brabant bedachte ledenclub waarbij de deelnemers (meer dan 30.000) kans maken op deelname aan een door de omroep georganiseerd uniek evenement.11
Het woord Brabant volstaat om warme gevoelens op te roepen, in ieder geval bij de Brabanders zelf. Dat weet ook het cda, dat voor de provinciale verkiezingen de boude slogan voert: ‘Meer cda is beter voor Brabant.’ Electoraal gezien is voor het cda elke Brabander ‘Very Important’ geworden, sinds het grote verlies bij de Tweede Kamerverkiezingen in 2010.12 Aan de partij de vraag hoe men de kiezers terughaalt, of, in het geval van de gemeente Someren, behoudt. Moet de partij de meer nationalistische koers varen van de pvv, moet ze aansluiten bij het neoliberale beleid van de vvd, zoals onder Bleker en Verhagen momenteel gebeurt? Of moet het cda juist terug naar het sociaal denkende (pastorale) midden, en zich opwerpen als de hoeder van de verzorgingsstaat, waar de sp duidelijk voor staat?13
Zou zo’n laatste wending, bepleit door de old school christen-democraten, op steun kunnen rekenen in Someren-Eind? Natuurlijk wel. De buurvrouw van Tiny is van mening dat de huidige staat van het verzorgingshuis waar ze al twintig jaar werkt een schande is. De eigen keuken werd wegbezuinigd, en sinds kort moet er per patiënt voor vijf euro per dag voedsel worden ingekocht bij de goedkoopste leverancier. Terwijl de directeur van de zorggroep vertrok met een premie van enkele tonnen, en de interim-directeur ook niet slecht verdient. Binnenkort zal het verzorgingshuis worden opgedeeld in kleinere eenheden, met meer zelfstandigheid voor de bewoners, zoals het nieuwe beleid het wil. Op zich een goede zaak, maar niet voor de dementerende bejaarden, vindt de buurvrouw, voor hen is het een ordinaire bezuiniging.
Anderzijds zijn voor een meer nationalistische koers evengoed aanknopingspunten te vinden. Tiny weet bijvoorbeeld van Nel van de countrydans dat die haar eieren niet meer langs de kant van de weg op een tafeltje aanbiedt. Sinds de Polen (Tiny: ‘Sorry, ik bedoelde natuurlijk de buitenlanders’) kwamen, verdwenen zowel de eieren als het geld dat klanten in ruil achterlieten. Ja, eigenlijk zou je er een camera bij moeten zetten, zoals laatst de voorzitter van het koor deed, toen in een maand tijd vier keer zijn auto werd bekrast. Hij stond er maar mooi op, de heer Willems, verzekeringsagent te Someren-Eind, die altijd de hand op de knip hield als er een wasmachine of frituur schade had opgelopen. Naar verluidt zag je hem op de beelden met een schroevendraaier een glanzende Mercedes bewerken.
De vriend van Tiny vindt dat de Polen harde werkers zijn. Net als de inwoners van Someren-Eind zelf eigenlijk, en ook katholiek en rijdend in grote middenklassers. Ze doen werk dat we zelf niet meer willen doen, zegt de vriend, en hij geeft het voorbeeld van de Roemenen die asperges teelden bij José P. uit Someren-Heide, de boerin die het nieuws haalde omdat ze in mensenhandel zou hebben gedaan; de Roemenen leefden op haar erf in mensonterende omstandigheden. In Someren-Eind wordt gezegd dat de vrouw gewoon te arrogant is geweest in haar omgang met het gemeentebestuur en de controledienst.
Maar zou het niet helpen, vraagt de buurman van nummer 11 zich af, als de koffie en vlaai is weggewerkt en het bier (Bavaria) geopend, dat die Wilders een beetje duwt in de politiek, om wat meer veiligheid te krijgen? De buurman van nummer 9 hecht er weinig geloof aan. ‘Het cda is nu weliswaar kleiner, maar wordt binnenkort wel weer de grootste.’ ‘De mensen hebben er gewoon geen vertrouwen meer in, ze zijn zo lang voor de gek gehouden.’ Nee, dan liever China, toen daar een melkschandaal was, net als hier laatst met die geitenboerderijen, werden er meteen maatregelen genomen. De verantwoordelijken zijn allemaal opgehangen. ‘Geen enkel pardon.’ Maar dan, antwoordt de buurman van nummer 11 hoofdschuddend, blijft er in het dorp geen lege boomtak meer over.
De diefstal van elektrische fietsen is beslist een probleem; die zijn zo weg als je ze niet in je schuur ook nog op slot zet. En er is natuurlijk de hennepteelt, in de jaren zeventig ontstaan uit de naoorlogse smokkelbendes in de grensstreek. In Helmond moest de burgemeester deze winter onderduiken omdat hij een nieuwe coffeeshop een vergunning had beloofd; en in Someren werd onlangs een grote plantage in een inpandig zwembad ontruimd. En er was die overval op een huis in Someren-Eind, mogelijk ook in verband met de handel.14
En de moslims? Tiny kent ze niet, dus heeft ze er ook geen hekel aan. Dan eerder aan dikke mensen. Want ze snapt het niet, hoe die mensen tegenwoordig zo dik kunnen worden; zelf kost het haar toch ook geen moeite om slank te blijven? Zelfs degenen die afvallen lijden nog onder hun oude gewicht, die worden vaak ‘lelijk van magerheid’. Zelf stemt Tiny, dat wil ze best kwijt, de PvdD, de Partij voor de Dieren. Het is in ieder geval een stem waar ze zich niet meer voor hoeft te schamen, merkte ze de laatste verjaardag op. De buurman van nummer 11 is weliswaar voorstander van megastallen, maar dat is omdat hij de luchtwassers in de stallen bouwt. Werkt perfect, beweerde hij, maar hij voegde daar nog wel met een grijns aan toe: ‘Als ze aanstaan, want die luchtwassers, die vreten stroom.’ Nota bene haar broer Bert, inmiddels een hobbyboer, zei op haar verjaardag dat hij zelf de laatste tijd ook minder vlees at, terwijl hij nog een keer nam van de verse Bourgondische vleessalade van de Jumbo, die erg lekker was, maar naar tonijn smaakte.
Wellicht dat dit ten slotte als moraal van de reis naar Someren-Eind kan gelden, zij het dat die niet meteen een uitweg uit de bek van de meeuw biedt. Namelijk dat het er uiteindelijk niet om draait wat de kiezer wil, maar dat het draait om de overtuigingen van een partij en haar politici, hun vermogen met die ideeën anderen te overtuigen. Precies zoals op een verjaardagsvisite gebeurt. Het zal je waarschijnlijk de eerste keer niet lukken, en de tweede tot en met de tiende keer word je uitgelachen en belachelijk gemaakt, maar misschien, als je aanhoudt, wordt er op een keer naar je geluisterd, of zelfs geloof gehecht aan wat je zegt.15
Politici zullen deze wijsheid waarschijnlijk meteen beamen. Maar ze zouden, omdat ze nu eenmaal gewend zijn aan consequenties te denken, ook best eens kunnen repliceren: als het zo gemakkelijk is om in de goede zaak te geloven, waarom ga je er zelf dan niet voor staan, om te beginnen op de kleinste verjaardag die je bezoekt?
Rest de vraag waarom Tiny eigenlijk voor de PvdD kiest. Haar stem gaat duidelijk in tegen haar eigen belangen, want de slavinken en het half-om-half gehakt dat ze bij slagerij Van Doorn haalt, en de worstenbroodjes bij de Jumbo16, ze zouden een heel stuk duurder worden als de partij haar idealen weet te verwezenlijken. Heeft haar stemgedrag een diepere laag, kunnen we het duiden in de regionale context, de provincie Brabant, de leegloop van de katholieke kerk, de geplande bouw van de megastallen?17 Nee, het ligt anders, al is ook hier een causaliteit aan te wijzen. Tiny stemt PvdD omdat haar oudste dochter zich actief inzet voor de partij. Zelf geeft ze niet bijzonder om de politiek, noch om dieren

Daniël Rovers (1975) groeide op in Velswijk en is schrijver, meest recent van de roman De waren, genomineerd voor de ECI-literatuurprijs 2017, en de essaybundel Bakvis.

Meer van deze auteur