Herman Franke had al veel geschreven voordat hij besloot schrijver te worden. Hij was een aantal jaren journalist geweest bij het Nieuwsblad van het Noorden, had daarna sociologie gestudeerd en was vervolgens criminoloog geworden. Zijn eerste publicatie in boekvorm was een bewerking van zijn doctoraalscriptie, getiteld Van schavot naar krantekolom (1981).1 In deze uitgave van de ‘Publicatiereeks Sociologisch Instituut’ van de Universiteit van Amsterdam combineerde hij zijn journalistieke, historische, sociologische en criminologische interesses door zich te richten op ‘de ontwikkeling van de misdaadverslaggeving in het Algemeen Handelsblad vanaf 1828 tot 1900’, zoals de ondertitel van het boekje luidde. Jan Blokker betitelde het in een bespreking in de Volkskrant (6-2-1982) minzaam als ‘een alleraardigst onderzoekje’.

Op basis van dit onderzoekje kreeg Herman Franke een subsidie van de stichting voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek (zwo, inmiddels nwo) om verder te werken aan de geschiedenis van de misdaadverslaggeving. Maar het werd iets anders, iets interessanters en omvangrijkers: een geschiedenis van het gevangeniswezen in Nederland vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw. Jarenlang verdiepte hij zich in grote hoeveelheden brochures en beschouwingen, onderzoeksrapporten, ministeriële nota’s, ambtelijke stukken, wetsartikelen en parlementaire discussies over de behandeling van gevangenen. In 1990 verscheen als resultaat hiervan zijn proefschrift Twee eeuwen gevangen. Misdaad en straf in Nederland.2

Dit boek zou als Frankes magnum opus kunnen worden beschouwd, al is hij er minder bekend mee geworden dan door zijn romans en zal hij die zelf misschien ook belangrijker vinden. Het is in elk geval zijn dikste boek: 919 bladzijden, een voor een proefschrift ongehoorde omvang. Maar alles moest erin: gegevens over de inrichting van gevangenissen, de slaap- en werkplaatsen, de voeding die gevangenen kregen en de arbeid die ze moesten verrichten, de aanhoudende stroom van alarmerende berichten over drankmisbruik, wanordelijkheid en zedeloosheid, cijfers over ziektes en sterfte, de opstanden en pogingen tot uitbraak, de vergeefse inspanningen van verenigingen als het Nederlandsche Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen, de geleidelijke invoering van het cellulaire stelsel en het regime van eenzame opsluiting, berichten over de onvoorziene gevolgen hiervan, waaronder krankzinnigheid en zelfmoord, de matiging en vervolgens afschaffing van dit stelsel, de toekenning van diverse rechten aan gevangenen, de discussies over alternatieven voor gevangenisstraf, de verharding van de rechtspraak in de jaren tachtig... een duizelingwekkend relaas van feiten, meningen en maatregelen. Er zit echter een duidelijke rode draad in, een lijn waarnaar al die historische gegevens en gebeurtenissen zich laten ordenen. Gevangenen kregen het in de loop van deze twee eeuwen uiteindelijk beter, ze konden aanspraak maken op betere huisvesting en voeding, meer aandacht voor hun gezondheid en geestelijk welbevinden, meer rechten, meer contacten met de buitenwereld: een ‘emancipatie van gevangenen’, waarin de ‘machtsbalans’ in hun voordeel verschoof. ‘Van zwaar geminachte, haast dierlijk bevonden schepselen die van honger en ellende stierven in slecht verwarmde en onhygiënische hokken en onderaardse holen, werden zij tot goed gehuisveste gedetineerden, die een eigen blad uitgeven, die hun belangen laten verdedigen door een bond en die hun wettelijk geregeld beklag kunnen doen bij een onafhankelijke instantie als zij menen onjuist behandeld te worden.’ (p. 10).

De centrale vraag is waarom dat gebeurde. Franke verwerpt het eenvoudigste en meest voor de hand liggende antwoord, namelijk dat het direct zou voortkomen uit een voortschrijdend humanitair besef. Ten eerste werken humanitaire opvattingen in de praktijk vaak heel anders uit dan bedoeld, ten tweede roept deze verklaring de vraag op waarom zulke opvattingen van steeds meer gewicht zouden worden. Maar even ontoereikend is volgens Franke de tegenovergestelde verklaring, waarin de oprichting en de hervormingen van gevangenissen worden gezien als resultaten van een uitgekiende machtsstrategie die erop gericht is en die er ook in slaagt om het gedrag van criminelen des te effectiever te beheersen. De vraag wie die slimme machtsstrategie uitstippelt en effectueert en hoe dat gebeurt, wordt in deze verklaring niet bevredigend beantwoord. In de bekende uitwerking van Michel Foucault3 wordt ‘de macht’ gereïficeerd tot een mysterieuze, alles doordringende kracht die onpersoonlijk is maar niettemin bepaalde strategische bedoelingen heeft, waarbij bedoelingen en effecten stilzwijgend aan elkaar gelijk worden gesteld. Dat ‘macht’ altijd gebonden is aan relaties tussen mensen, en dat ook machtige mensen vaak dingen doen die heel anders uitpakken dan ze hadden bedoeld, verdwijnt hier uit het zicht. Dit is, vind ik, een even heldere als overtuigende en fundamentele kritiek, die opmerkelijk weinig gehoor heeft gevonden.

In de verklaring van Franke zelf spelen humanitaire bedoelingen wel een rol, maar dan als functie van maatschappelijke lange-termijnprocessen die verschuivingen in mentaliteit en manieren van denken met zich meebrachten. Met de terugdringing van geweld uit het dagelijks leven door het geweldsmonopolie van de staat groeide bij beschaafde burgers de emotionele afkeer van geweld, ook als dit ter bestraffing van misdadigers werd gebruikt. Lichamelijke tuchtiging, buiten of binnen gevangenissen, moest naar hun opvatting plaatsmaken voor de bejegening van misdadigers als morele wezens die door inkeer en berouw op het rechte pad zouden worden gebracht. Lijfstraffen, inclusief de doodstraf, werden afgeschaft, en in gevangenissen werd eind negentiende eeuw het cellulaire stelsel met eenzame opsluiting ingevoerd. Toen dat niet bleek te werken en vanwege onvoorziene kwalijke gevolgen steeds meer kritiek opriep, werd een andere heropvoedingsgedachte richtinggevend: het streven naar ‘resocialisatie’, waarbij de misdadiger door middel van open en eerlijke groepsgesprekken zou worden voorbereid op een ‘terugkeer naar de samenleving’. Maar ook dat pakte minder goed uit dan was voorzien. Dit telkens weer falen van hervormingen – afgemeten aan het inmiddels vrij algemeen aanvaarde rationele uitgangspunt dat de straf geen uiting moest zijn van wraaklust, maar een middel om criminaliteit te beperken – was volgens Franke een machtsbron van gevangenen, omdat het de legitimering van de bestraffing en het zelfvertrouwen van de bestraffers ondermijnde. Het resultaat was een behandeling van gevangenen waarin langzamerhand meer met hun wensen en behoeften rekening werd gehouden, zonder dat dat van tevoren zo was bedoeld.

In deze verklaring baseert Franke zich uitdrukkelijk op de civilisatietheorie van Norbert Elias, waarmee hij tijdens zijn studie sociologie in Amsterdam vertrouwd was geraakt. Daarmee schaarde hij zich vierkant achter de uitgangspunten van de Amsterdamse ‘figuratiesociologie’, die die theorie als leidraad en inspiratiebron hanteerde.4 Ook maakte hij gebruik van latere toevoegingen aan de theorie, zoals de notie van ‘beschavingsoffensieven’5. Franke spreekt in zijn boek van ‘penitentiaire beschavingsoffensieven’, waarmee op telkens weer verschillende manieren geprobeerd werd de geesten van de veroordeelden te bewerken. En telkens weer bleek dat een illusie: veroordeelden werden niet beter, fatsoenlijker, beschaafder van hun verblijf in de gevangenis, integendeel.

Met deze niet alleen qua omvang imposante studie vestigde Franke zijn reputatie als criminoloog. Enkele jaren later verschenen een verkorte en geactualiseerde versie voor een breder publiek (De macht van het lijden: twee eeuwen gevangenisstraf in Nederland, 1996) en een eveneens drastisch gekortwiekte Engelse vertaling onder de titel The Emancipation of Prisoners (1995), die lovende besprekingen kreeg in internationale vaktijdschriften en een bekroning van de American Society of Criminology. Intussen publiceerde hij ook over andere onderwerpen, zoals de ontwikkeling van de geweldscriminaliteit in Nederland vanaf de negentiende eeuw en de internationale tendens in de richting van zwaardere straffen sinds de jaren tachtig6, en mengde hij zich via kranten, radio en tv in de aanhoudende publieke discussies over de stijging van de criminaliteit en wat daaraan moest worden gedaan. Herman Franke was een bekende criminoloog geworden en een verdere carrière op dit pad lag voor hand.

Maar daar koos hij dus niet voor. Het veilige universitaire bestaan verruilde hij voor het zoveel onzekerder schrijverschap, met de belofte van publiek succes maar ook het risico van mislukking en marginaliteit. Waarom deed hij dat? Omdat hij dat wilde natuurlijk, omdat hij in de romankunst meer kwijt kon dan in de wetenschap. Maar was er ook een verband met de wetenschap die hij beoefende, de criminologie?

Men zou kunnen beweren dat er een verwantschap is tussen criminologie en verhalende literatuur: de criminoloog en de schrijver worden beiden gemotiveerd door fascinatie met het ongewone, het afwijkende en misdadige. In een beschouwing over het verband tussen criminologie en literatuur heeft Franke op die overeenkomst gewezen.7 ‘Schrijvers zijn misdadigers’, beweert hij daar zelfs, want in woorden en gedachten zetten zij de wetten en conventies van de samenleving op losse schroeven. In hetzelfde stuk wijst hij erop dat een opvallend aantal Nederlandse criminologen de letterkunde heeft beoefend: A. Aletrino aan het begin van de twintigste eeuw, en vervolgens de naoorlogse generatie van onder anderen W.H. Nagel (J.B. Charles), C.I. Dessaur (Andreas Burnier), Peter Hoefnagels, Manuel Kneepkens en Koos van Weringh. Maar Franke wijst er ook op dat deze combinatie buiten Nederland niet of nauwelijks te vinden is. De Nederlandse uitzonderingspositie schrijft hij toe aan het feit dat het misdaadcijfer in dit land lange tijd zo laag was dat criminologen weinig te doen hadden en daarom het schrijven van literair werk er makkelijk bij konden doen. Inmiddels is dat veranderd, en dat zou dan tevens kunnen verklaren waarom Herman Franke zelf in tegenstelling tot zijn voorgangers de overstap naar het fulltime schrijverschap heeft gemaakt: criminologen hebben het drukker gekregen, zodat ze literair werk er niet meer naast kunnen doen.

Een echte verklaring voor Frankes keuze voor het schrijverschap is dit natuurlijk niet, maar wel zou die keuze met veranderingen in de criminologie te maken kunnen hebben. De criminologie is de afgelopen twintig jaar niet alleen sterk gegroeid qua aantallen beoefenaren, hoeveelheid onderzoek en geïnvesteerde bedragen, maar ook nog meer een beleidswetenschap geworden dan ze van huis uit al was. Van criminologen wordt verwacht dat ze de oorzaken van misdaad opsporen en op grond daarvan adviezen geven over hoe de misdaad effectief te bestrijden, en die verwachting is de laatste tijd alleen maar sterker geworden. De criminologie profiteerde van de stijgende criminaliteit, maar raakte hierdoor tegelijk meer gebonden aan beleidsopdrachten. In dat veranderende klimaat voelde Herman Franke zich vermoedelijk steeds minder thuis. Het soort historisch-sociologisch onderzoek naar lange-termijnontwikkelingen in misdaad en misdaadbestrijding dat hij beoefende werd gereserveerd voor het specialisme van de historische criminologie, dat eerder tot de geschiedenis dan de eigenlijke criminologie wordt gerekend. Het gedistantieerde perspectief waarmee hij de misdaadbestrijding bezag – sterk bepaald door blinde sociale processen, en steeds met onvoorziene en onbedoelde gevolgen – leende zich slecht voor beleidsadviezen die bij politici en beleidsambtenaren in de smaak zouden vallen.

In zijn polemische stukken over deze materie is Herman Franke vooral een criticus van de illusies van beheersbaarheid.8 Criminaliteit is een maatschappelijk gegeven waar het justitiële apparaat maar in beperkte mate greep op heeft. Afname of toename van criminaliteit wordt voornamelijk bepaald door processen buiten ieder beleid om – de stijging van criminaliteitscijfers sinds de jaren zestig hangt bijvoorbeeld samen met ‘de spectaculaire welvaartstoename’ (‘er valt eenvoudigweg veel meer te stelen en illegaal te graaien dan in de jaren vijftig’), ‘het afkalven van traditionele gezagsverhoudingen’, ‘ontkerkelijking’ en ‘individualisering’, processen die ertoe hebben geleid ‘dat mensen zich minder gemakkelijk neerleggen bij inferieure maatschappelijke posities’ en vaker gebruikmaken van ‘criminele alternatieven bij het oplossen van hun problemen en bij het bevredigen van hun materiële en emotionele behoeften’. Daar valt zeker op de korte termijn niet zo veel tegen te doen. Onderzoek heeft bijvoorbeeld al lang en breed aangetoond dat strenger straffen niet helpt. Het vergroten van de ‘pakkans’ zet meer zoden aan de dijk, maar stuit op praktische begrenzingen. Met instemming citeert Franke de Amerikaanse criminoloog William Ryan, die stelde dat ‘the relationship between police and prisons on the one hand and crime and criminals on the other is so slight as to be almost nonexistent’.’9 Eerder dan het voeden van de illusies van beheersbaarheid is het dan ook de taak van de criminoloog om de ‘idiote overdrijvingen’, ‘indianenverhalen’ en ‘pertinente onwaarheden’ over de omvang en toename van de criminaliteit te bestrijden die via de media over de omvang en toename van de criminialiteit over het publiek worden uitgestort. Het kwalijke daarvan is dat ze irrationele onveiligheidsgevoelens aanwakkeren, en voornamelijk bepaalde beroepsbelangen – van politici, journalisten, bewakingsindustrie – dienen. Criminologen moeten daar tegenin aan. Ze kunnen er bijvoorbeeld op wijzen dat de stijging van de criminaliteit in feite vooral betrekking heeft op kleine diefstallen, dat de toename van geweldscriminaliteit daar ver bij is achtergebleven, dat die in Nederland nog altijd veel kleiner is dan in de meeste andere landen, en dat de kans om het slachtoffer te worden van ernstig geweld vele malen kleiner is dan gewond te raken of om te komen door een verkeersongeval.

Dat schreef en zei Herman Franke bij herhaling in de tijd dat hij als criminoloog actief was, en daarna hield hij ermee op. Het heeft ook weinig mogen baten. Sensationele mediaberichten over de groei en de gevaren van criminaliteit zijn blijven aanhouden, de publieke verontrusting is navenant groot gebleven, politici gingen steeds meer aandringen op een harde, zo niet keiharde aanpak, de beveiligingsindustrie breidde zich uit, cameratoezicht, het afluisteren van telefoongesprekken en andere inbreuken op de privacy werden normale en vrij algemeen geaccepteerde praktijken, en rechters gingen zwaardere gevangenisstraffen opleggen. Tegelijk begon halverwege de jaren tachtig de stijging van de criminaliteitscijfers min of meer tot stilstand te komen, wat de vraag oproept of de intensivering van vervolging en de verhoging van straffen misschien toch niet enig effect hebben gehad. Vermoedelijk zullen weinig criminologen die vraag zonder meer met ja beantwoorden, maar ook zij ondergaan de invloed van de verharding van het strafklimaat. Het optimistisch elan waarmee een eerdere generatie criminologen aandrong op verlaging van straffen of zelfs afschaffing van gevangenisstraf is inmiddels wel verdwenen.

Van dat laatste, het gevangenisabolitionisme, moest Franke overigens ook niets hebben: ook dat getuigde volgens hem van een ongefundeerde illusie van beheersbaarheid.10 Gevangenisstraf haalt niet veel uit, maar geschiktere alternatieven zijn niet eenvoudig voorhanden, zo zou men zijn standpunt kunnen samenvatten. Zijn scepsis over zowel de verklarende kracht van criminologische theorieën (altijd beperkt omdat ‘misdaad’ per definitie geen vast afgebakende categorie van verschijnselen is) als de effectiviteit van welke voorgestelde beleidsmaatregelen ook, heeft na verloop van tijd misschien een domper gezet op zijn criminologische ambities, en daarmee het schrijverschap des te aantrekkelijker gemaakt.


Schrijvers zijn misdadigers, aldus een eerder aangehaalde uitspraak van Franke.11 Sommigen zijn zelfs misdadigers in de meer gangbare zin van het woord. In hetzelfde artikel noemt hij een reeks voorbeelden van schrijvers die misdrijven hebben gepleegd en daarvoor veroordeeld zijn, zoals de Nederlanders Maurits Dekker, Gerrit Achterberg, Johan Brouwer, Richard Klinkhamer en Otto Veenhoven. Twee Nederlandse namen zijn in deze opsomming opvallend afwezig: Theo Kars en Boudewijn van Houten, die gezamenlijk boeken stalen en in de gevangenis kwamen vanwege het oplichten van de posterijen, en daar elk een roman over hebben geschreven. Misschien dacht Franke niet aan deze auteurs toen hij zijn stuk schreef, of vond hij ze literair niet interessant genoeg, maar mijn vermoeden is dat er (nog) iets anders speelde. Kars en Van Houten, met hun reactionaire hang naar adeldom die zich boven de burgerlijke wetten verheft, passen niet in het beeld van de misdadiger-als-underdog waar de schrijver Franke mee sympathiseert. Aan de hand van Dostojevski en Genet poneert hij (‘zonder enig wetenschappelijk bewijs’) dat veel misdadigers zich al schuldig voelen voordat ze een misdaad hebben gepleegd en in hun misdrijven en de bestraffing daarvan een bevestiging van dat schuldgevoel vinden. Dat is ver verwijderd van het eendimensionale en rechtlijnige hedonisme van iemand als Theo Kars. Bij Franke zitten mensen ingewikkelder in elkaar, met hun ‘duistere regionen... waar schuldgevoel, angsten en driften borrelen als een moeras en kwade gassen opstijgen die zich door de ozonlaag van het geweten willen boren...’12 Ambivalentie, onvervulde verlangens, hang naar zelfdestructie, schaamte en schuld – dat zijn centrale thema’s in zijn werk

Het zijn echter geen centrale thema’s in zijn criminologisch werk. En daarmee is de belangrijkste verklaring voor zijn overgang naar de literatuur gegeven. De zielenroerselen, de emoties en de ingewikkeldheden van het menselijk verkeer die hij in zijn romans probeert bloot te leggen lenen zich slecht voor enig wetenschappelijk onderzoek. Ook omdat hij een nauwgezet wetenschappelijk onderzoeker was, die niets moest hebben van de postmoderne gelijkstelling van wetenschap met ‘verhalen’, werd hij gedwongen tot een keuze. Een misdaadauteur werd hij niet, want ook dat genre was hem te beperkt. Om te kunnen schrijven over wat hem wezenlijk bezighield, moest hij afscheid nemen van de criminologie. Maar zijn criminologisch werk, zijn proefschrift voorop, blijft een belangrijke plaats innemen in zijn oeuvre. Niet alleen in de Nederlandse literatuur, maar ook in deze tak van wetenschap heeft hij een blijvende plaats verworven.


noten

1. De titel verwijst naar twee manieren waarop strafvoltrekkingen in de openbaarheid kunnen worden gebracht.

2. Uitgegeven als Aula-paperback, Het Spectrum, Utrecht.

3. In Michel Foucault, Discipline, toezicht en straf. Geboorte van de gevangenis (Groningen, 1989). Vertaling van: Surveiller et punir. Naissance de la prison (1975).

4. Ook in Engelstalige artikelen in het verlengde van zijn proefschrift, zoals: Herman Franke, ‘The Rise and Decline of Solitary Confinement. Socio-historical Explanations of Long-term Penal Changes’, British Journal of Criminology, Deliquency and Deviant Social Behaviour, 32 (2), 1992, pp. 125-143.

5. Zie ook zijn artikel ‘Opvoeding als doelbewuste civilisering. Een penitentiair beschavingsoffensief in het interbellum’, Amsterdams Sociologisch Tijdschrift, 15 (1), mei 1988, pp. 108-130.

6. Zie Herman Franke, ‘Geweldscriminaliteit in Nederland. Een historisch-sociologische analyse’, in: H. Franke, N. Wilterdink, C. Brinkgreve (red.), Alledaags en ongewoon geweld (Groningen: Wolters-Noordhoff, 1991; themanummer van Amsterdams Sociologisch Tijdschrift, 18, 3), pp. 13-45. Engelse versie: ‘Violent crime in the Netherlands. A historical-sociological analysis’, Crime, Law & Social Change, 21 (1994), pp. 73-110. Voorts: B. Berghuis en H. Franke, ‘Dutch tolerance under pressure?’, Tijdschrift voor Criminologie, 1992 (3), pp. 189-197.

7. Herman Franke, ‘Alleen de moerassen zijn vruchtbaar. Over de verbanden tussen criminologie en literatuur’, Justitiële verkenningen, 31 (4), 2005, pp. 82-99.

8. Zie Herman Franke, ‘Criminele lasten en de markt van misdaad en straf’, Tijdschrift voor Criminologie, 36 (1), 1994, pp. 32-36. De citaten in deze alinea komen uit dit stuk.

9. Geciteerd aan het eind van zijn proefschrift (pp. 798-9) en ook in: Herman Franke, ‘Criminaliteit en bestraffing’, in: N. Wilterdink & B. van Heerikhuizen (red.), Samenlevingen. Inleiding in de sociologie (Groningen: Wolters-Noordhoff, 2007, 6e herziene druk; 1e druk 1985), pp. 329-357, 356-7.

10. Vergelijk zijn vernietigende kritiek op een van deze abolitionisten, de criminoloog Herman Bianchi: ‘De criminologische kruistocht van Herman Bianchi’, Amsterdams Sociologisch Tijdschrift, 7 (4), 1981, pp. 549-565.

11. Zie noot 6.

12. Uit hetzelfde stuk (noot 6), p. 90.

Nico Wilterdink (1946) is emeritus hoogleraar cultuursociologie.

Meer van deze auteur