Naar de klote moet ik, kleine woestenij zonder grenzen
met waterdiepten zwaar, want de loop van de aarde verdraait
geen mens gaat mee

dat wankelen van grote dingen, honderd keer honderd
het vertedert me, maar ik moet voorbij de zeeën, bergtoppen van ijzer
voorbij het land van Ulro

waar geen grond is om een vlag te planten, een nok om aan te wapperen
streken op wind, toch, mijn cartografische verlangen naar wat is getekend
wat al bestaat, is verdronken

vleugels op water, een vermoeid geklapper, nog vechten ze op mijn reizen
van bed, van bad, van stoel, naar grond, de ongelovigen
ze komen met paard

zwaard of floret, soms met een lichtschuw pistool, soms
met een vinger spits om niks, ze dragen een driedelig pak
en zie die vrouwen eenvoudig

in twee stukken of los gewaad, zelden winnaars en gewonden of ik galg
gehangen door mijzelf, heb ik genoeg gelogen en gezien?
hoe vogels gaan met heldendom

mijn laatste voorouders ooit molenaars, grootjes ogen van donker glas
als een trekpaard dat trekken zal, haar man een speelman
hij dreef haar

tot gekte en één zoon seniel omdat hij koepokken at, mijn ouders subliem
met hun logaritmen van graan
het bestaat

dat ik een held blijf in haar verrekte dichterswaan, een vrouw had met drie
zachte buiken, een cabrio voor mijn haard, dat ik vloog om handel
in metaal en zonen verdronk

voor mijn eigen vel, is het waar, roep ik haar, ik ben al laat!
waar is de boom die me zijn bladeren geeft, het water om de stenen
van het mannenhuis

te dorsten, waar verberg ik de schuld waarmee ik iedereen stal
de smaak op mijn jongenstong verlepte, niemand weet dat
ik ondode heet

heeft haar mij verbieden nog zin, verbeelde vrouw die zich happy houdt?
mijn voeten en handen zijn ervan gekromd, is het waar, droef ik haar, dat ik
niet kapot kan gaan

het vertedert me, de mezen knappen hun verhalen in dichte hagen
judoka’s met oliezwarte dan, ze praten mijn grammatica, maar je hoort
almaar het fluisteren

wat ik met de mensen heb gedaan hier over de dorpels gaan, ze stierven vanzelf
anderen bleven staan en lichtten de muren, ik aai al seringen als een lijk
die ene vrouw

het verscheurt me, haar wachten met vingers van meeldraad en buiken open
schiet op en jaag de mees van je hand, je hebt je beste odyssees gehad
de wespen

in haar oren getemd, verse riemen papier gehaald, haar vogels van regel op regel
versprongen, hij is van jou, die plek zonder pit, navel buiten verdriet, ook
een fabel raakt leeg en

wat kan het schelen dat je bloeit als een papaver die zijn bloedgrond
vindt en schreeuw en schreeuw duizenden keren, laat me, laat me, ik moet echt
nu naar de klote gaan!

Sasja Janssen (1968) is schrijver en dichter en geeft les in schrijven op de Schrijversvakschool Amsterdam, Crea en de HKU. Ze publiceerde de romans De kamerling en Teresa zegt. Daarna volgden vier poëziebundels: Papaver, Wie wij schuilen, Ik trek mijn species aan (nominatie VSB Poëzieprijs) en Happy. ‘Hoe moet ik leven?’ is het thema in haar werk.

Meer van deze auteur