Slauerhoff heeft de status van twintingste-eeuws icoon bereikt en hoort thuis in de rij van James Dean, Jimi Hendrix, Jim Morrison en Kurt Cobain. Waarom er nog geen glanzende posters bestaan voor de jongens- of meisjeskamer met het portret van Slauerhoff, links uit beeld kijkend, zeemanspet op, vriendelijke ogen en een kwetsbare, aanvaardende glimlach rond de lippen, ik weet het niet. Het zal te maken hebben met de verhouding tussen de literatuurgeschiedenis en de populaire cultuur die sinds de jaren vijftig zo gekenterd is. Aan Slauerhoff zelf heeft het niet gelegen. Hij maakte met de zelfontspanner een hele reeks foto’s van zichzelf in allerlei standen en kostuums, zoals Etto Krijger aantoonde in Slauerhoff in zelfbeelden (2003), nu eens als dichter-scheepsarts, dan weer als westerse oosterling of gentleman dandy. Hij regisseerde zijn publieke imago, zoals elke eigentijdse popzanger of televisiester dat doet, en met hetzelfde doel: om er onbereikbaar achter te kunnen verdwijnen, in een privésfeer waarin liedteksten tot stand komen en gouden ideeën worden geboren.

Slauerhoff was modern in de wijze waarop hij het beeld dat mensen van hem zouden opbouwen, beheerde en stuurde. Wat hem een icoon maakt is dat hij erin slaagde met zijn zelfgecreëerde verschijningsvormen een gevoel op te roepen van ‘verdriet voordat het treurig wordt’ zoals John Cowper Powys het ergens noemde. Deze creatieve oerkracht delen alle ware icons van de eeuw die achter ons ligt. Omdat Slauerhoff van voor de oorlog dateert had hij het over onbereikbare verlangens en droomeilanden, wat nu gedateerd klinkt, maar daar doorheen spreekt een eigentijdse sensibiliteit, of eigenlijk een tijdloos menselijke, nee, niet kern, eerder een ondergrond, maar dan van een kwalachtige consistentie. Elke emotionele beweging wordt erop geregistreerd, elk gevoel geproefd en gedeeld, maar telkens weer wordt het menselijk onvermogen tot echtheid doorzien en afwisselend woedend en gelaten aanvaard.

Slauerhoff wordt vooral nog als dichter gelezen, getuige de lange reeks herdrukken van zijn verzamelde gedichten in de afgelopen twintig jaar. Omdat Slauerhoff wist dat een schrijver regelmatig liefst een beetje omvangrijke boeken moet publiceren om in de aandacht te blijven, publiceerde hij grote hoeveelheden mindere poëzie tussen gedichten die ook na tien keer herlezen nog evenzeer ontroeren, bevreemding opwekken, iets waarachtigs raken. Neem het late gedicht ‘In mijn leven’:

In mijn leven, steeds uiteengerukt
Door de vlagen waar ’k aan blootsta,
Daar ik niet hechten kan aan liefde en geluk
Die mij zullen drijven tot ik doodga,
Ontstaan soms plotsling enkle plekken
Van een stilte zo onaangedaan,
Dat ik geloof in slaap te zijn gekomen
Bij de diepten waar geen onderstromen
Meer door ’t eeuwig stilstaand water gaan.

In de eerste vier regels roept Slauerhoff zijn publieke imago op, vrij stereotiep en ook een beetje onhandig, met dat uitleggerige ‘daar ik niet hechten kan…’ Er spreekt ook trots uit deze woorden. Dan volgt de omslag die Slau zo’n groot dichter maakt: die plekken zonder onderstromen in het eeuwig stilstaand water herkennen wij, dat gaat over ons, daar spreekt een ziel onze ziel aan. Dat water ligt buiten de tijd en generatie na generatie kan er gaan pootjebaden. Het voorzichtige ‘ik geloof’ in zin zeven, waar de dichter poogt uit te leggen wat voor stilte hij ervaart, schept genoeg ruimte om ook door ons te kunnen worden ingevuld en nagevoeld. Wij leren ontdekken wat al in ons was, zonder dat we er de vinger op konden leggen. Deze stilte in onszelf wordt in dit gedicht erkend. Slauerhoff zegt niet of het goed of vervelend is om bij die diepten te komen, hij schrijft niets voor, hij vindt een beeld voor een universeel levensgevoel. Dat is genoeg.

Het merkwaardige is dat als je Slauerhoffs boeken – voor de meesten een vroege vormende leeservaring – na twintig of dertig jaar herleest, ze nog steeds heel erg goed blijken te zijn. Al wordt het proza dan meer gewaardeerd dan de gedichten, met name de vroege verhalen en de romans. Zijn reisverhalen zijn aardig, maar niet erg karakteristiek. Zijn brieven grotendeels vaag en weinig zeggend, zij het soms van een wurgende tragiek, zoals de briefwisseling met Heleen Hille Ris Lambers, gepubliceerd als Van een liefde die vriendschap bleef (1992, 2007) – zij hield echt van hem, hij niet van haar.

Schuim en asch, Het verboden rijk, Het leven op aarde, dat zijn de meesterwerken. Het doet er niet toe dat het proza duidelijk uit de jaren dertig stamt. Het vervoert je naar een domein waarin een noodlot heerst dat kan worden bestreden en ontweken maar niet overwonnen. Noodlot klinkt weer zo ouderwets, misschien moet je zeggen: de gebeurtenissen volgen er andere, strengere wetten dan in de gewone wereld. Wie inziet dat de tijd niet bestaat – eeuwig stilstaand water – kan erdoorheen vallen, door de eeuwen en millennia heen. Je kunt tegelijk jezelf en Camoës zijn, en omgekeerd. Wat Slauerhoff lukt is je dat te laten merken, hoe de tijd niet bestaan kan, al beschrijft hij ook hoeveel ontberingen je je dient te getroosten om in die toestand te geraken. Er bestaat nog een andere wereld dan deze, een ander rijk. Hoe ongrijpbaar zijn personages ook zijn, ze leven wel. Als lezer leef je hun leven mee en ben je hen voor de duur van het boek, en nog lange tijd daarna. Ze veranderen iets in je.

Dat is een wonderbaarlijke prestatie. Het is alsof Slauerhoff in zijn lezers bepaalde gestalten tot leven wekt, die hopeloos zijn uit trots en weigeren om bepaalde gevoelens weg te duwen en te doven, en die figuren draag je de rest van je leven bij je. Zij vormen een integraal onderdeel van het emotionele, eerder mythische dan psychologische bouwwerk dat je bent. Die gevoeligheid heeft Slauerhoff het predicaat ‘romantisch’ gegeven, wat hij ook wilde, maar dat woord betekent nu niks meer. De gevoelens zelf echter zijn even wezenlijk als altijd. Al lezend in Slau’s werk verbaas je je erover hoe het al die gevoelsverschuivingen in je veroorzaakt, maar dat doet het daar niet minder effectief om. Dit is echt. Uit Slauerhoffs generatie zijn het nu nog alleen Marsman en Nijhoff die ook zo’n gevoelslaag in beweging weten te zetten.

Dit geconstateerd hebbende, leek het een goed idee een Gids te vullen met eigentijdse reacties op Slauerhoff. De ontvangst van zijn werk had in Nederland een merkwaardig verloop. Als je de vroege commentatoren leest sta je er paf van hoe verkeerd men de werkelijke waarde van zijn werk kon inschatten. Een kentering in die waardering kwam in de jaren tachtig. Toen was Slauerhoff de held van punkers, die hun no-future-levensgevoel bij hem terugvonden, en van krakers, die zich hoopten te verliezen in de ruïneuze delen van de stedelijke beschaving. Deze bloei zette zich voort in allerlei bands die gedichten van Slauerhoff op muziek zetten en uitvoerden. Zelfs schrijvers durven zich inmiddels weer en public – maar zelden in publicaties – te bekennen tot zijn werk. Hoe lezen we Slauerhoff nu? Hoe prikkelt hij de verbeelding, hoe wordt zijn werk vanuit het huidige perspectief ingebed in de literatuurgeschiedenis, tot wat voor avonturen en ontdekkingen leidt het lezen van zijn romans op dit moment?

De medewerkers aan dit nummer kregen de volgende uitnodigingstekst: ‘De gedichten van Slauerhoff, maar vooral zijn romans Het verboden rijk en Het leven op aarde vormen voor velen – lezers en schrijvers – een herinnering aan een opwindende begintijd waarin werd ontdekt dat Nederlandse literatuur ook een bedwelmend, groots, wereldomspannend en mystiek avontuur kan zijn. Wie tien of twintig jaar later Slauerhoff herleest, ontdekt dat zijn boeken, anders dan de meeste andere vroege leeservaringen, inderdaad zo goed zijn als ze bij eerste lezing leken, alleen om heel andere redenen dan je je herinnerde. Voor dit themanummer vraagt de redactie van De Gids een breed scala aan schrijvers om vanuit hun huidige lees- en levenservaring te reageren op Slauerhoffs werk, met een essay, een gedicht, een verhaal, om zo die kanten van dit unieke oeuvre bloot te leggen die niets aan actualiteit hebben ingeboet.’

Of dat laatste gelukt is, is aan u om te beoordelen. Moge dit Slauerhoff-nummer velen ertoe brengen weer of voor het eerst dit geweldige oeuvre te gaan lezen. En mogen de bijdragen die hier volgen behulpzaam zijn bij het vinden van uw allereigenste ingang in die gedichten, verhalen en romans. En moge er uit zijn werk weer een frisse wind de eigentijdse Nederlandse literatuur in waaien, die weliswaar de spruitjesgeur heeft verloren, maar daardoor nog niet veel exotischer ruikt…

Namens de Gids-redactie,
Arjen Mulder

Arjen Mulder is bioloog en essayist. Zijn meest recente boek is: De successtaker, Adrien Turel en de wortels van de creativiteit (2016). Hij schreef eerder over Mondriaan en Klee in zijn studie Van beeld naar interactie: betekenis en agency in de kunsten (2010). In 2019 publiceerde hij zijn liefdesverklaring aan planten, getiteld Vanuit de plant gezien.

Meer van deze auteur