Zomerhuis
Op de zomer waarin wij centimeters groeien.
Op de centimeters.
Op de dakkapellen.
Ook als ze lekken.
Op de tuinman die met een tank gif op zijn rug
en een sproeier iets aangaat
met het zevenblad. Moet hij zo strompelen?
Op de lente waarin wij gulzig snoeien.
Op de piepers.
Op het land.
Op de man.
Op het paard.
Op de paarden.
Waar valt de schaduw van een steigerend paard?
Op de mannen op de paarden.
Kijk ze draven het doet ontspannen aan.

De schrijver
Er is een zee die op zee lijkt.
De golven gedragen zich als op zee
golvend. Ik stap in het water
met een lichaam dat de armen strekt

en duikt. Het hoofd dat naar adem hapt
is van mij denkt het hoofd
als van een lichaam dat in zee gaat
zwemmen als een zwemmer.

Wie neem ik mee? Wat blijft er achter
aarzelt een stem die me bekend voorkomt.
Een lichaam op het strand dat schrijft.

Bosachtige omgeving
1

In de stilte van het bos dat geen bos is
maar adem en een schikken
van vachten in een hol.

Waar wacht de boswachter?
Hij wacht tot het bos zich omkeert.
Wacht tot het bos ons verlaat.

2

Het gebeurde toen ik hurkte om te plassen
en van haast over mijn schoenen zeek

en me afvroeg voor wie verberg ik me
achter een boom

terwijl ze van alle kanten komen toesnellen
de andere plassers de wachters de dichters

de rustzoekende

kraaiers met hoge nood het haar achter de oren
een scherp geslepen boom dood in de mond.

Ze stromen toe en waaien. Waaien de dichters
wat ze nalaten in het wild.

Maria Barnas (1973) is dichter, schrijver en beeldend kunstenaar. Bij uitgeverij Van Oorschot verschenen haar roman Altijd Augustus (2017) en dichtbundel Nachtboot (2018). Ze is redacteur van De Gids. Met Ilse van Rijn leidt ze de nieuwe master Approaching Language aan het Sandberg Instituut. 

Meer van deze auteur