Het begint met een knoop.

Het geslacht van de duizendknoop strekt zijn tengels en geslagen blad uit over het land waar in het vroege voorjaar plastic velden razen (een zeegeluid als in de Augsburger Puppenkiste), populieren lang in de rij, ze ratelen naar het miljoenen jaren oude water, ganzen, meeuwen, kleine vogels op de uiterwaarden, een stuw die de Maas op diepte houdt, zoals de kloosters hun dienaressen, het veer van Baarlo naar Steyl, eerst signaalgeel maar vandaag kinderlijk blauw, van knopendorp naar kloosterdorp, in de middeleeuwen oversteekplaats voor handel met het Roomse Rijk.

Kauwen in slaapvlucht tussen de torens van Het Heilig Hart.

De omgeving is vloeibaar, bijna vijandig met mij als naakte pion die haar hielen uit de scherven licht, de rivier een grenslijn, de kaart is het gebied.

Ik wandel niet, ik loop en volg de grond onder mijn voeten. 51º19 52.8 N 6º 06 31 E, begin en einde zijn de tempelpoort van Tajiri, een verstrengeling van platte linten gietijzer.

Ik hoef nergens aan te komen, ik ben er al, maar klem het papieren land in mijn hand.

De nuldimensie van mijn verdriet jaagt mij naar buiten, moet ik de punt opblazen als een inktdruppel op papier en van ontstane vorm een plattegrond maken, dan heb ik geen schaalstok nodig, een gewone liniaal voldoet bij een schaal van 1 op 1, of beter nog een van 1 km op 1 km, alles wordt geplet met donkerte als ik de kaart uitrol.

Terug in de Ginnungagap, gapende afgrond die geen ruimte inneemt en al bestond voordat alles een lengte had, uitvouwbaar werd, net als ons denken over niets.

Hoe ik uit het huwelijk gesneden word, de kamers uitgeschopt, voorbij de stokrozen, hoe ik achterblijf aan de muur in een oliezwarte jurk tussen zeeslagen op de Noordzee.

Mijn lichaam veil, ik heb verraden.

Alleen in quipu wil ik het onbegrensde, statische liefdesverdriet kwijt, maar wat weet ik van dat knopenschrift?

De torii van Tajiri hangt over een uitsnede in het land en eert met de overhands gevlochten shimenawa de natuurgoden die in het geluid van water en wind schuilen, en beschermt het dorp, geen blote plek meer in een bos zoals eeuwen terug, tegen kwaadaardige geesten die de rivier uit het winterbed trekken, haar mond opensperren en doen braken, maar hij houdt ook de doden in de aarde, mijn grootouders en Tajiri’s jonge vrouw Ferdi. Ze maakte steeds grotere bloemen tot ze stierf in haar kasteelbad.

Balre, Balder, Baerlo, Baolder.

Op een zinderende julidag ontzenuwt mijn man mijn dingen.

Boeken met duizenden gedichten waarvan ik niet afkom, de Italiaanse tafel-
lamp die de mijne melkachtig bezwoer, ze wachten op de herfstregens,
een tafel van kersenhout, twee stoelen van Thonet, ordners met mijn naam in zijn handschrift waaraan je een manier van bewegen herkent, dunne lijnen met soms een scherpe uithaal maar tegelijk compact.

We drinken een laatste Torres, rozerood als de bakstenen uit de rivierklei die nooit verkleuren.

Een cartografische liefde, ik ben mens genoeg, ik verlang naar de Maas die mij baarde, ik wil haar als een waterdruppel op mijn tong, en teruggaan naar ons begin, maar de vierde dimensie houdt zich stil.

Van punt naar lijn om een vorm, een scherf, die het meeste lijkt op Hirta een vulkaaneiland in de Atlantische Oceaan, ongeveer even klein als het gebied dat mijn scherf in werkelijkheid voorstelt.

Hirta, westland in het Schots-Gaelisch, doods in het Keltisch, hert in het Oud-Noors. Veel vogels.

Het enige roofdier de zwaarmoedigheid.

In de vorm zie ik met enige moeite een hert, door mijn wimpers even een springend hert, als op het wapen van Baarlo, zinnebeeld voor Christus, niet mijn verlosser.

De samenhang duizelt, de lijnen en hun betekenissen, ze maken van de knoop een kogel, maar ik ben het zelf die ze verknoopt. Meer lopen, ik moet lopen, mijn botten uitknijpen, mijn bewustzijn laten verdampen.

Verdriet als handeling.

Ook de Maas vlocht haar beddingen in dalbodems, sneed zichzelf uit eigen puin van zand en grind, strekte armen uit waar ze kon, maar rouw laat zich minder goed temmen, de rug toekeren, van richting veranderen of tot een voorwerp maken.

Niemand die mij milder stemt, zoals de mens de rivier, die haar water bij een hoge stand meer kan laten uitstromen, jonge alen krijgt, de paling is verdwenen, vistrappen om haar vissen tegen de stroom in te laten zwemmen, beken worden krommer worden gemaakt zoals ze vroeger kromden.

Langzaam weekt het gebied zich los uit elf knooppunten.

Ik benoem ze, ze draaien zich naar me toe, helderder dan ooit, de watermolen bij de Sprunk, de oudewijvenknoop vanwege de zwakke verbintenis met de Maas (Tajiri’s Granny’s Knot), Huize Oyen met de Sint-Annakapel waar eerst een hagelkruis stond, niemand wordt nog gezegend met het allerheiligste, de monstrans, Jezus aan het kruis, in de Goede Week een paarse sjaal om de ootmoedige hals, een witte op Paaszondag, paarden met hun gladde vel, de Mariablauwe lucht raakt de velden vol mais en kool en rabarber.
Dan de hoge ratelpopulieren met hun opgaande armen, brede kronen en grijze bast van de kami die me toezingen.

De scherf laat ik in het water achter.
De pont brengt me naar de overkant, naar de roze slotzusters, om de eeuwigheid te zien. Tot ook zij weer water worden.

Sasja Janssen (1968) is schrijver en dichter en geeft les in schrijven op de Schrijversvakschool Amsterdam, Crea en de HKU. Ze publiceerde de romans De kamerling en Teresa zegt. Daarna volgden vier poëziebundels: Papaver, Wie wij schuilen, Ik trek mijn species aan (nominatie VSB Poëzieprijs) en Happy. ‘Hoe moet ik leven?’ is het thema in haar werk.

Meer van deze auteur