Dat ik ooit in Winterswijk ben neergestreken, er was daar een vacature waarvoor ik als dienstweigeraar in aanmerking bleek te komen en ik wilde niets liever dan de Randstad de rug toekeren, was niet helemaal toevallig, want ik kende het gebied al jaren. De oma van een klasgenoot had er een boerderij, waar we in het voorjaar van 1974 voor het eerst naartoe fietsten om op haar erf onze tent op te zetten, zodat we tot diep in de nacht ongehinderd jenever konden drinken. We waren vijftien en de wereld lag voor ons open, al wisten we nog niet precies waar en waartoe. Wanneer we door de buurtschappen reden zagen we overal spandoeken hangen waarop fel werd geprotesteerd tegen een nieuwe status van het buitengebied, die natuurbescherming voorrang zou geven boven agrarisch ondernemerschap. Moest het polderen hier nog worden uitgevonden?

Negen jaar later arriveerde ik met een walmende dieseltrein in Winterswijk om te solliciteren op de vroegere school van Gerrit Komrij. Tijdens het gesprek met de schoolleiding vroeg de rector of er geen kans bestond dat ik me, vanuit een muffe huurkamer naar de regen starend, uit eenzaamheid zou ophangen, waarop een van de conrectoren, een historicus, hem corrigeerde: nee, classici hangen zich niet op, die snijden zich de polsen door in bad. Op zo’n school wilde ik wel werken.

Het station, dat toen nog een restauratie herbergde die uitgebaat werd door een morsige, eenogige man met een vervaarlijke herdershond, mogelijk herinner ik me dit allemaal verkeerd, was tot voor kort een bruisend centrum van activiteit geweest, omdat Winterswijk gedurende een kleine eeuw als spoorwegknooppunt fungeerde van waaruit aanvankelijk maar liefst vijf lijnen vertrokken, voornamelijk bedoeld voor het vervoer van goederen (met name steenkool) ten behoeve van de textielindustrie. De sporen naar Arnhem en Zutphen zijn nog volop in gebruik, de andere drie zijn opgeheven. De lijn naar Bocholt werd al in de jaren dertig afgestoten, die naar Groenlo (en verder richting Enschede) en die naar Borken verloren pas in de jaren zeventig definitief hun functie. De Oude Bocholtse Baan is een kaarsrechte onverharde weg geworden, over de lijn naar Groenlo loopt sinds een jaar of twintig een fietspad, maar de Borkense Baan is grotendeels overwoekerd.

De plek waar je woont blijft tot op zekere hoogte een terra incognita. Ik dwaal nu al zo veel jaren door dit gebied, meestal op de fiets maar vaak ook te voet, en nog steeds kom ik weggetjes tegen die nieuw voor me zijn, al moet dat ook te maken hebben met de voortvarendheid waarmee er steeds weer ‘nieuwe natuur’ wordt aangelegd, met bijbehorende fietspaden en betuttelende informatieborden die uitleggen waarom het hier zo mooi is. Het trekt dames en heren op elektrische rijwielen aan die je op de geijkte routes de weg versperren. Maar gelukkig zijn de meeste paden en wegen niet geijkt.

Op een zondagmorgen in augustus, het heeft de hele nacht geregend maar het lijkt nu een frisse dag met afwisseling van wolken en zon te worden, rijd ik het dorp uit om, even buiten de bebouwde kom, mijn fiets tegen een boom te zetten en de Borkense Baan op te lopen. Het idee om helemaal naar Borken te lopen (een kilometer of twintig) lijkt me, gezien de staat van de spoorbaan, niet realistisch, maar tot aan de grens zou geen probleem moeten zijn.

Sinds ik op 11 januari 1993, de interessantste dag uit mijn leven tot nu toe, ‘s morgens vroeg op weg naar Groenlo door een brommer werd geschept, ik zie mijzelf nog verbaasd en verontwaardigd op de ventweg liggen met een onthutsende hoeveelheid knieën in mijn linkerbeen, is lopen voor mij nooit meer vanzelfsprekend geweest. Het duurde een maand of tien voordat ik het been weer min of meer normaal kon gebruiken. Ik kan best een paar uur wandelen, maar helemaal pijnloos is het nooit meer geworden. Ik vind dat niet erg, het wijst me op de wonderlijke doelmatigheid van een soepel functionerend bewegingsapparaat, en je voelt tenminste dat je je verplaatst.

Hoewel ik mijn schoenen goed heb ingevet zijn ze binnen een half uur volledig doorweekt. Bijna overal staan de grassen en kruiden minstens kniehoog, maar op sommige stukken hebben brem, bramen, wilgen en berken het pad, als je het zo mag noemen, geheel overgenomen, zodat er geen doorkomen aan is: bij ontstentenis van een kapmes moet ik hier en daar vals spelen door naast de baan te gaan lopen, langs de rand van een weiland of maïsveld. Het is duidelijk dat hier nooit iemand komt. De bramen zijn rijp, de heide bloeit, enkele malen zie ik een groene specht weg golven, ik hoor het kloppen van boomklevertjes en op een door houtwallen omzoomd weitje, we spreken hier van een coulisselandschap, staat een wat oudere reebok te grazen, zich niet bewust van het feit dat hij een rol speelt in een tekstloos toneelstuk. Er zijn of er niet zijn, het zal hem een zorg zijn. Het regent, de zon schijnt, voor adders en hagedissen is het vandaag te koel, mijn linkervoet begint te protesteren maar ik bevind mij in een staat van sereniteit.

Op een deel van het traject blijken nog rails en bielzen te liggen. Terwijl ik van dwarsligger op dwarsligger stap, hoe komt het toch dat de afstand ertussen precies goed is, wijst dat op een diepe verwantschap tussen treinen en mensen, herinner ik me hoe ik in datzelfde voorjaar van 1974 met een iets ouder meisje ‘s nachts tot het ochtendgloren over een spoorbaan heb gelopen, ergens ten zuiden van Nijmegen, ik was dodelijk verliefd maar wist niet hoe ik dat in daden moest omzetten, misschien wilde ik dat niet eens, want die tocht is me bijgebleven als een tijdloze zone van stille euforie.

Het verleden verdwijnt niet, alleen is het soms even zoek.

Wanneer ik na ruim anderhalf uur de grens heb bereikt ben ik nog niemand tegengekomen. De spoorbaan is vanaf hier dermate overwoekerd dat verdergaan onmogelijk zou zijn. Bij een grove den die minstens anderhalve eeuw oud is maak ik rechtsomkeert en loop ik, met een kleine omweg over een oude smokkelroute, terug.

Twee uur later sta ik weer bij mijn fiets, tot mijn middel doorweekt en met schrammen overdekt. Dit is Nederland, er is hier niemand, ik heb zelfs geen auto’s gehoord. Als geluk bestaat, ik weet dat niet zeker, komt dit er waarschijnlijk dicht in de buurt.

Piet Gerbrandy (1958) is dichter, classicus en poëziecriticus. Hij doceert Latijn aan de Universiteit van Amsterdam en is redacteur van De Gids. In 2018 verschenen zijn dichtbundel Vloedlijnen en de essaybundel Grondwater.

Meer van deze auteur