De zon brandt ongenadig, het wordt heter en heter op het dakterras van het Stanley, nog even en we zullen het overdekte deel moeten opzoeken. Maar liever blijven we zitten. Hier, aan de rand, vrij onder de hemel, hebben we een adembenemend zicht op Athene. Rondom het hotel is het nog een rommeltje van gebouwen, maar verder weg lijkt het of ze steeds abstracter worden en verkruimelen, tot ze niets meer met menselijke bewoning te maken hebben en aan minerale afzetting doen denken, wit, crèmekleurig, schitterend en wreed.

Rondom het verkeersplein verdringen zich nog meer hotels, in de zijstraten houdt het vreemdelingenverkeer geen stand en is het een en al verloedering, met morsige straatjes en krotten. We leunen comfortabel achterover en drinken van onze cappuccino en laten onze blik telkens naar het staketsel aan de overzijde schieten. Al vijftig jaar staat het er, niets dan betonnen vloerplaten en betonnen kolommen, zes, zeven hoog. Het had óók een hotel moeten worden, maar dat zie je er niet aan af: de constructie toont alleen het naakte beton en de beschaduwde leegte die het al decennia als een kostbaar bezit koestert. Het is schrijnend onvoltooid, er moet iets zijn gebeurd, een kink in de kabel, een onverwachte tegenslag, maar het spreekt zich er niet over uit en laat ook niet zien wat het had moeten worden; dat het als hotel is bedacht, weet ik van de man en de vrouw die tegenover me zitten. Van alle onvoltooide gebouwen die de Griekse kunstenares Maria Lalou en de Deense architect Skafte Aymo-Boot in Athene hebben geïnventariseerd, is dit gebouw het eerste waarvan ze de geschiedenis min of meer hebben kunnen achterhalen.

Waarom de oorspronkelijke eigenaar de bouw afbrak, weten ze niet, maar in deze staat, als betonnen skelet, werd het na enige jaren doorverkocht aan de eigenaar van het om de hoek gelegen Crystal Hotel, die het de naam Crystal Hotel II wilde geven, als begin van een kristallijn hotelimperium met opklimmende Romeinse cijfers. Had hij maar niet getalmd, was hij maar onmiddellijk met bouwen begonnen, dan had hij zijn droom nog kunnen realiseren. Maar die betonnen constructie stond daar prima, waarom zou hij meteen in actie moeten komen? Zijn droom was misschien wel mooier als droom, het was fijn nog even van het dromen te kunnen genieten, hij zag de marmeren vloeren in de lobby al voor zich, de vriendelijke glimlach van de receptioniste, Amerikaanse gezinnen met dikke koffers, de bedden met strakgetrokken maar fluweelzachte beddenspreien. Wie weet had hij de financiering ook nog niet rond – een betonnen constructie maakt slechts een kwart van de totale bouwkosten uit, dus hij was er nog lang niet, er moesten nog bakken met geld in geïnvesteerd worden.

Jammer alleen dat de Griekse overheid na een aardbeving ineens de regels voor veiligheid van constructies wijzigde: kolommen en vloeren moesten dikker. Die versterking tot stand brengen was misschien wel even duur als alles afbreken en opnieuw beginnen. Kort daarna besloot de overheid zich ook te ontfermen over de verhouding tussen publieke ruimte en kamers in hotels. Een bepaald percentage van het gehele oppervlak moest publiek zijn: lobby, gangen, restaurant. Voor het Crystal Hotel II zou dat tot een zodanige inkrimping van de kamers leiden dat er nog geen twijfelaar in zou passen. Er viel niets meer mee te doen, de betonnen constructie zou precies dat blijven, een betonnen constructie. De wijziging van regels had ertoe geleid dat zij in haar onvoltooide staat bevroren werd, en aangezien beton een solide bouwmateriaal is, zou zij daar weleens langer kunnen blijven staan dan het Parthenon, zie, het skelet van Crystal Hotel II!

Onbedoeld had de beruchte Griekse bureaucratie de constructie geconserveerd, als een monument, of, zoals Lalou en Aymo-Boot het noemen, een antimonument. Als andere monumenten is de constructie door wetten geconserveerd, alleen hadden die wetten niets met monumentenzorg van doen. Conservering van het onvoltooide was een bureaucratisch bijproduct, of eigenlijk zoiets als bureaucratisch afval.

Je moet er wel op letten, op onvoltooide gebouwen, anders loop je er makkelijk aan voorbij, alsof we geconditioneerd zijn alleen het voltooide op te merken. Zet je je ogen ervoor open, dan blijkt dat Athene er vol mee staat. Met de vele resten uit de Oudheid scheppen ze de geheel eigen sfeer van de miljoenenstad, die, zeker in het centrum, een wonderlijke mengeling is van fantasieloze ingenieursbouw, onvoltooide gebouwen en afgeschermde terreinen met zuilen, muurtjes en stenen brokstukken van duizenden jaren oud. Alles draait er om bouwen, je maakt het er mee in elk stadium, van de naakte betonnen kolommen die tot in lengte van dagen naakte betonnen vloeren ondersteunen en het wellicht nooit verder zullen brengen, tot de oude zuilen die al even zinloos oprijzen, zonder nog iets anders te dragen dan de kolom lucht erboven, ook al in die staat geconserveerd – geen stad waarin vergeefsheid zich zo sterk paart aan vergankelijkheid als de Griekse hoofdstad.

Vreemd genoeg is de bouw bij de loze betonnen constructies tot nader order opgeschort en zijn het vaak juist de antiquiteiten die verbonden zijn met actuele bouwactiviteit. Die zijn ooit gebouwd, hebben hun functie vervuld en zijn vervolgens aan hun lot overgelaten, natuurlijk, maar zoals de steigers rondom het Parthenon laten zien, is elke zorg voor monumenten ook een reconstructie, een niet-aflatende bouwactiviteit – kijk maar, het Parthenon is nog niet klaar, het wordt in elkaar gezet waar je bij staat!

Ook komen veel antiquiteiten in Athene pas aan het licht als er ergens gebouwd wordt. Zonder dat bouwen waren ze, bedekt door aarde of door weer andere gebouwen, misschien wel voor eeuwig onontdekt gebleven. Stuiten bouwvakkers bij het graven van de bouwput op een antieke zuil, muur of potscherf, dan bepaalt de Griekse wet dat de bouw onmiddellijk gestaakt moet worden. Eerst wordt de vondst nauwgezet onderzocht, vervolgens besluit de betreffende overheidsdienst wat er verder mee te doen. Soms verordonneert deze dat de bouw helemaal moet worden afgeblazen en krijgt Athene er een braakliggend terreintje met bezienswaardigheden bij, meestal mag er verder gebouwd worden en krijgt het gebouw een souterrain waarin de antiquiteiten geëxposeerd liggen – ineens zie je dan door het knielage raam stenen muurtjes opgloeien in het goudgele licht van schijnwerpers, alsof ze daar gekweekt worden.

Sommige onvoltooide gebouwen zijn van recente datum en getuigen van de crisis, de meeste van andere malheur van de afgelopen decennia: bureaucratische malheur, zoals bij het Crystal Hotel II, of persoonlijke malheur als onvoorziene financiële tekorten, vechtscheidingen en tot in de eeuwigheid doorziekende erfenisconflicten. Stuk voor stuk zijn het in de knop gebroken dromen. Eens moet er vol goede moed iets moois of schijnbaar lucratiefs in gang zijn gezet, alleen zijn de constructies zo basic dat ze niets prijsgeven van al die vergeefse plannen – welbeschouwd laten ze zich elk programma aanmeten.

Zo uitdrukkingsloos als de constructies zijn, zo veelzeggend moet hun geschiedenis zijn. Als je in staat zou zijn de geschiedenis van elk van de betonnen constructies te achterhalen, zou je vermoedelijk een perfecte dwarsdoorsnede van de Griekse samenleving van de afgelopen decennia krijgen, en het is alleen al daarom dat ik zou wensen dat Lalou en Aymo-Boot voor hun aanstekelijke project een team van onderzoekers ter beschikking wordt gesteld, om via die zwijgende constructies de naoorlogse geschiedenis van Griekenland te schrijven. Alles zou daaruit spreken: hoop en wanhoop, moed en overmoed, financiële opgang en neergang, emigratie en geldstromen die weer naar het vaderland terugkeerden, de wijze waarop familieleden elkaar steunden en terroriseerden, de burgeroorlog, dictatuur en toetreding tot de Europese Gemeenschap, de opkomst van het massatoerisme, deelname aan de euro, aardbevingen en niet in laatste plaats het sympathieke vermogen van Grieken een eind weg te dromen, zonder zich onmiddellijk om verwerkelijking te bekommeren.

Eigenlijk vormen de constructies variaties op Le Corbusiers Maison Dom-ino. Hoe eenvoudig ook, het Maison Dom-ino werd nooit uitgevoerd, behalve, in hout, op de architectuurbiënnale in Venetië van dit jaar. Om goedkope, flexibele woningbouw mogelijk te maken tekende de visionair twee vloerplaten van gewapend beton en daartussen kolommen die het gewicht dragen, de trap plaatste hij aan de buitenkant, zodat die ook niet in de weg zou kunnen zitten. Je kon Maison Dom-ino indelen zoals je wilde en er elke gevel tegenaan plakken, je kon er in feite alles mee, en dat is later ook wel gebleken. Het concept van Maison Dom-ino is de oergestalte van moderne architectuur, het hypersimplistische DNA ervan, de Platonische Idee, wereldwijd maar zeker ook in Athene, dat vooral in de jaren zestig en zeventig buitensporig groeide en vrijwel geheel uit eender geconstrueerde appartementsgebouwen bestaat – zou je er alle gevels slopen, dan zou je eindeloos vermenigvuldigde en gestapelde Maison Dom-ino’s overhouden, een woekering ervan, allang niet eenvoudig en overzichtelijk meer, maar een onafzienbaar betonnen skelettenlabyrint, in uitgestrektheid alleen vergelijkbaar met door schelpen en graten in miljoenen jaren overdekte zeetroggen. Wat rationeel en ordelijk begint, verwordt voorbij een bepaald punt altijd tot irrationaliteit en chaos.

Anders dan in de meeste Europese steden wordt er in Athene niets met de betonnen constructies gedaan. Het lijkt of de Grieken heel goed kunnen leven met het onvolmaakte en het moeiteloos verdragen dat het bij een poging bleef, ze hebben geen enkele neiging af te maken wat onverhoopt als onvoltooid is blijven liggen. Zelfs breken ze de skeletten niet af, dat kost ook weer geld en in een stad waarin het onvoltooide veelvuldig aanwezig is, valt een betonnen skelet meer of minder ook niet op, laat maar staan dus. Wie weet zijn er ook eigenaren bij die hardnekkig blijven dromen en erop speculeren dat alles ooit weer goed komt en ze er toch weer mee aan de slag kunnen, als de regels andermaal gewijzigd worden of de persoonlijke of financiële problemen ineens zijn opgelost.

Echt hinderen doen de constructies ook niet. Ze leggen de bouwtechnische essentie van de stad bloot en houden zich verder afzijdig, ze staan daar vooral ostentatief naakt en leeg te wezen. Ze omkaderen ruimte, ze zijn de plekken waar de stad door wat voor oorzaak ook even inhoudt en geen bestemming meer weet te vinden, geen plan, geen actie, geen rumoer; ze zijn als een hapering in het spreken, het moment waarop een violist vertwijfeld zijn strijkstok omhooghoudt, noot kwijt, draad kwijt, ze zijn als de plek op het papier waar de dichter het even niet meer weet, openlaten of doorgaan en de woorden laten stromen, ze zijn als de gesperde ogen en de open mond van de man of vrouw tegenover je, zeg jíj het nu maar.

We nemen de lift naar beneden en duiken Metaxourgeio in, niet ver van Omonia. Bloedeloze appartementsgebouwen, kantoortjes voor import en export, lege winkels, een enkel gerestaureerd huis, verder het al even uitgekauwde repertoire van kapotte straten, armetierige boompjes, krotten en met peertjes aangeduide bordelen, tussen een vervallen muur en een ingezakte deur een waslijn met drogende was, een zigeunerin zit erbij en kijkt ernaar. Maar er zijn ook strakke gevels van galeries en met affiches behangen ramen van theaters – een poging van een projectontwikkelaar om door stimulering van de kunsten een proces van gentrification in gang te zetten en zo de prijzen van het door hem aangekochte onroerend goed (hele straten) op te drijven. Dat mag cynisch lijken, enkele van de beste Atheense galeries hebben zich hier gevestigd. Handel is handel, evengoed in de kunstwereld.

Lalou en Aymo-Boot leiden me niet voor niets door deze buurt. De dichtheid van het onvoltooide is er opvallend groot. Te midden van alle verloedering moeten wel meer mensen de neiging tot dromen en plannen smeden niet hebben kunnen weerstaan, hier is beduidend meer toekomst dan heden. We zien de ene na de andere betonnen constructie uit de inventarisatie, soms ook een constructie die aan hun lijst is ontsnapt. Enkele onvoltooide gebouwen treffen we aan in hun puurste gedaante, als een in loodrechte hoeken gevangen ruimte. Het ene is breder dan het andere of heeft meer verdiepingen, maar verder verschillen ze amper. Eén is met enorme platen afgeschermd, waarop in lichtblauw een gigantisch gordijn is afgedrukt; het lijkt of de leegte erachter eerdaags met trompetgeschal en een toespraak onthuld zal worden. Maar die luisterrijke onthulling zal er nooit komen, de gemeente Athene schijnt gesuggereerd te hebben onvoltooide gebouwen met board af te schermen – toch schaamte dus.

Er zijn er ook die het als gebouw-in-wording iets verder hebben geschopt, zoals een waarvan de begane grond afgebouwd is en een kledingwinkel herbergt, door de eigenaar met de moed der wanhoop van de naam Trendy voorzien. Daarboven gapen de lege verdiepingen ons aan; de billboards tegen de gevel en op het dak tonen wat er hier te halen valt, op enkele grauwe tl-bakken na zijn ze ook leeg.

De omgekeerde orde doet zich ook voor: een trap die zigzaggend door dat niets omhooggaat, en alleen helemaal bovenin een etage die wel is afgemaakt. Dat heeft iets sprookjesachtigs, een trap naar een huis ergens in de hoogte. Op de balkons planten, zonwering met een bloempatroon, in een kooi een kanarie en op het dak een antenne – de bewoners mogen dan boven die gestapelde leegte wonen als boven een afgrond, ze hebben hun best gedaan er iets van te maken en doen, net als wij allen, alsof er niets aan de hand is.

We vragen ons af wat er gebeurd moet zijn tijdens het bouwen. We overwegen allerlei scenario’s. Uiteindelijk concluderen we dat de projectontwikkelaar failliet moet zijn gegaan maar door de bewoners via de rechter gedwongen is ten minste die laatste verdieping af te bouwen. Doorgaans koopt de projectontwikkelaar een kavel met een oud huis, sloopt dat, zet een appartementsgebouw neer en verschaft de oorspronkelijke bewoners als tegenprestatie het appartement op de bovenste verdieping – een procedure die heel gebruikelijk is in Athene .

Ik krijg de smaak van het onvoltooide te pakken en wijs enthousiast naar een groot onvoltooid gebouw. De grijze banen van het beton zijn nog zichtbaar, maar tussen de vloeren zijn al bakstenen gelegd, het gebouw is net een stap verder geëvolueerd en ziet er duidelijk als gebouw uit, even leidingen aanbrengen en stuken en er een vloer in leggen, en de meubels kunnen naar binnen gedragen worden. Voor de begane grond is het al zover, er is een Spar in gehuisvest, een man laadt dozen met minipizza’s uit een vrachtwagen waarop minipizza’s op megaformaat zijn afgebeeld. Maar Lalou en Aymo-Boot schudden hun hoofd, nee, dit onvoltooide gebouw dus niet, dit valt buiten hun inventarisatie en verdient de status van antimonument niet. Hun selectie is streng, alléén zuivere betonnen constructies. Is er een muur of geveldeel toegevoegd, dan houdt het wat hen betreft op. Misschien sneu voor zo veel gebouwen waar de onvoltooidheid ook vanaf druipt, maar als bij alle monumentenzorg moet ergens een grens getrokken worden. Wat koester je, wat laat je buiten de boot vallen, een debat dat nooit een definitief besluit zal kunnen vinden.

We lopen terug naar het verkeersplein met de hotels en bespreken het door hen gehanteerde selectiecriterium, de kern van hun inventarisatie. Bij behoud van antieke muurtjes, zuilen en andere bouwresten van lang geleden ligt het criterium in de oudheidkundige waarde; het feit dat het al zo oud is en ons iets vertelt over het leven van toen, of ons er ten minste aan herinnert dat dat leven zich er ooit afspeelde. Maar bij de betonnen skeletten gaat het om overblijfselen van hooguit vijftig, zestig jaar oud, vaak nog veel jonger; het zijn overblijfselen die nagenoeg niets prijsgeven, zeker niet van het leven dat er nooit gestalte kon krijgen. Het criterium van Lalou en Aymo-Boot is dan ook zowel conceptueel als esthetisch. Ze kijken als kunstenaars en waarderen wat Athene onbedoeld is toegevallen: objecten die een zuivere omkadering zijn van ruimte, vergelijkbaar met de boxen van de Amerikaanse kunstenaar Donald Judd, alleen dan niet in de white cube van een museum, maar in een megalopolis tentoongesteld.

Als ik nog eens goed kijk, naar de constructies maar ook naar gebouwen die al wat verder zijn afgebouwd, kan ik niet anders dan Lalou en Aymo-Boot gelijk geven. De constructies zijn volmaakt, er hoeft niets aan toegevoegd. Ze zijn dan wel onvoltooid, maar dat zie je er niet aan af, het is eigenlijk raar dat niet elk gebouw triomfantelijk in deze fase blijft steken, beter, mooier, perfecter zal het nooit worden, alleen maar minder. Maar van gebouwen met toevoegingen als muren en ramen word je op slag verdrietig. Je ziet het onvoltooide er echt aan af, het falen, de mislukking, de eigenaar met zijn handen in het haar, de opzichter die zijn mannen toespreekt en zegt, aftaaien, er is geen geld meer, we mogen dit gebouw niet afmaken. Die gebouwen gaan gebukt onder hun onvoltooide staat en smeken om voltooiing.

We staan inmiddels onder aan het Crystal Hotel II en kijken op naar de kale verdiepingen boven ons. Om indringers buiten te houden, is er een schutting van golfplaat geplaatst. Lalou en Aymo-Boot hebben de sleutel van de eigenaar. Vorig jaar brachten ze in een installatie de oorspronkelijke bestemming van het gebouw tot leven; bezoekers konden hun ID afgeven bij een geïmproviseerde balie en vervolgens langs op het beton geverfde lijnen op zoek gaan naar hun niet-bestaande kamer en, op de bovenste verdieping, genieten van het uitzicht op dat andere, al even lege monument, de Acropolis.

Trap na trap bestijgen we, en elke verdieping zoeken we af naar onvermoede sporen van leven. Niets menselijks is ons vreemd, de leegte de leegte laten blijkt onmogelijk, de leegte laat zich niet verdragen, we moeten en zullen sporen vinden, betekenis scheppen, een verhaal construeren. En ja hoor, duivenkak en restjes geverfde lijnen van de installatie, maar ook beroet beton, onontcijferbare hiërogliefen, naalden en spuiten – hoe de illegale Pakistani en junks zijn binnengekomen, is een raadsel, het zal wel een kwestie van ervaring zijn.

Het grommen van het verkeersplein klinkt dreigend, we horen auto’s naderen en zich weer verwijderen, de dreinende cirkel die ze maken, vormt zich ook in ons hoofd. De grauwe vloeren en kolommen versnijden de stad tot een panorama, we kijken ernaar alsof we er al niet meer bij horen, we worden er vanzelf ook illegalen, outcasts. De sfeer in Crystal Hotel II is beklemmend, we mogen hier niet zijn. De leegte is er voor zichzelf en mag onder geen beding verstoord worden. De man in onderbroek en hemd die ons vanaf een dak verderop onophoudelijk gadeslaat, weet dat. Hij wacht geduldig tot we weer vertrokken zijn.

Edzard Mik (1960) debuteerde IN 1995 met de roman De bouwmeester en schreef verder onder meer Mont Blanc (2012) en Goede Tijden (2010). Behalve romans schreef Mik korte verhalen, libretto’s en scenario’s en essays. Zijn meest recente boek, Waar de zee begint, een liefdesroman die zich in Athene afspeelt, verscheen in 2014. Behalve romans schreef Mik korte verhalen, libretto’s en scenario’s voor korte films. Essays over beeldende kunst, theater, architectuur en literatuur publiceerde hij in De GidsNRC HandelsbladVrij Nederland en De Groene Amsterdammer.

Meer van deze auteur