Na dagen door de modder te hebben geploegd loopt de Duitse etnograaf Leo Frobenius op 13 april 1905 aan het hoofd van een colonne dragers en assistenten tegen een opengekapte heuvel in het oerwoud op. Op de top staat het Babunda-dorpje Biembe, waar de vuren nog roken, maar iedereen is vertrokken, zelfs de dieren. ‘Straks komen de pijlenregens,’ zeggen de dragers. Frobenius laat de tenten opzetten en wacht af. De plek is fantastisch mooi, jonge Babunda’s uit het dorp komen uit de bosrand om hen van dichtbij te bespieden. Tegen de avond verdwijnen ze weer. Tamtams roffelen. ‘Morgen in alle vroegte,’ vertaalt een tolk. Al snel klinkt van ver het antwoord: ‘Wij komen met honderdvijftig man.’ Dan wordt er geseind: ‘Neem extra pijlen mee.’ Antwoord: ‘Vergeet de palmwijn niet.’ Rond middernacht breekt een gigantisch onweer los. Twee dagen later, alweer een stuk verder, vangt Frobenius een verre tamtam op: ‘De blanke die bliksems heeft gemaakt in Biembe heeft een mes laten liggen. We sturen het hem na via de Badinga van Madibu.’

Was dat terecht? Was de interpretatie dat het knallende onweer in de nacht voor de aanval veroorzaakt was door de blanke op de heuvel onjuist, een zaak van dwaas bijgeloof, of erkenden de Babunda’s Frobenius terecht als een godheid uit de jungle? Op een dag verschijnt er opeens een man met een vreemde, lichte huidskleur, en een onweer breekt los. Frobenius zelf noemt geen ander motief om onbevreesd in het dorp te blijven dan: ‘Ik was vastbesloten tot vrede.’ Blijkbaar was het onweer zijn middel daartoe. Binnen de ontstane situatie was zowel de interpretatie van de Babunda’s correct als die van Frobenius, die beide culturele niveaus overzag, dat van hemzelf als Europees onderzoeker die geen directe invloed kan hebben op de meteorologische omstandigheden, en dat van de dorpsbewoners die, geconfronteerd met een onmogelijk in hun wereldbeeld in te passen bezoek van vreemdelingen, deze directe invloed wel erkennen.

De levensbeschouwing van Afrikanen is een functie van de wereld waarin ze leven. De Europeaan die Afrika bestudeert moet rekening houden met de wereld waar hijzelf uit stamt en beseffen dat je met feiten niet ver komt als je wilt begrijpen wat er daar gebeurt. Dit continent is niet rationeel maar mythisch en van ver daarvoor nog, ja zelfs van voor de sprookjes die avond na avond rond het kampvuur ontstaan. Er schuilt een onoverbrugbare kloof tussen hoe wij onze daden verklaren en hoe zij dat doen. Ook vandaag nog vertellen alle wereldreizigers dat de mensen overal min of meer hetzelfde zijn, behalve in Afrika, daar zijn ze echt anders. De vraag is nu of wij ons in dit andere Afrika in kunnen voelen. En wat ontdek je dan?

In 1895 was de jonge Leo Frobenius (1873-1938) in Berlijn aanwezig bij een bijeenkomst van de antropologische vereniging op de kamer van professor Bastian, op dat moment de leidende volkenkundige van Duitsland. Er werd een brief voorgelezen van de grote Franse onderzoeker E. Cartailhac, die schreef over een grot nabij het dorpje Altamira in Noord-Spanje die al in 1879 was opengelegd door de baron van Sautuola, maar waar nu schilderingen uit de ijstijd waren gevonden die ‘niet primitief of simpel zijn of op het gekrabbel van al dan niet getalenteerde kinderen lijken – neen, deze beelden zijn ware en grote kunstwerken’. Het feit dat ze van duizenden jaren voor onze jaartelling stammen bewijst ‘dat de mensheid op het terrein van de kunst al eerder een hoogtepunt bereikte, dat niet ver af lag van het huidige’, en de vraag doet zich nu voor ‘hoe dit alles te combineren valt met de overtuiging van de geleidelijke vooruitgang van de menselijke geest’. De Duitse geleerden schudden hun hoofd en spraken professor Bastian na dat er nog veel onderzoek moest worden gedaan, want dat er tienduizenden jaren geleden al een geestelijk niveau gelijk aan het hunne zou zijn bereikt (‘Er werd in die tijd nog makkelijk in perioden van honderdduizend jaar gedacht’), dat was domweg onvoorstelbaar.

Frobenius, vertelt hij zelf vele jaren later in Das Urbild (1936), werd die avond evenwel overvallen door andere, opwindender gedachten. Hij had een epifanie. Iets levends, iets wat werkelijk heeft bestaan, kan nooit helemaal verdwijnen. Een cultuur plant zich voort in volgende tijden, past zich aan bij veranderende omstandigheden, wijzigt die, maar de cultuur zelf verandert daar niet bij, ze neemt hooguit een andere vorm aan. Noord-Afrika had tussen de laatste twee ijstijden hetzelfde vruchtbare klimaat en landschap als het Europa waarin de grotschilderingen van Altamira waren gemaakt. Zou in beide gebieden dan niet ook dezelfde cultuur hebben bestaan? En zou deze cultuur, in plaats van te zijn uitgewist door het ijs, zoals die van Altamira, niet hebben kunnen uitwijken naar andere delen van Afrika toen in het noorden de woestijnvorming inzette? Frobenius’ wangen begonnen te gloeien: zou diezelfde cultuur niet nu nog in levende vorm zijn terug te vinden in geïsoleerde streken en randgebieden? Ergens in de wouden of steppen van Midden-Afrika? Ook bij culturen bestonden er levende fossielen, vergelijkbaar met een dier als de longvis of een plant als de ginkgo. Ook die culturen zouden kunnen worden ‘geobserveerd, bestudeerd, begrepen en doorgrond’, waarmee dan ook kon worden ontraadseld waar onze huidige Europese cultuur uit voort is gekomen, en wat deze behelst. Onze oorsprong leeft nog in Afrika.

Leo Frobenius was geen man van halve maatregelen. Na zijn epifanie zette hij een ‘Afrika Archiv’ op en werkte zich in een kleine tien jaar door de complete antropologische en etnografische literatuur over Afrika, Oceanië, Zuid-Amerika en Azië heen – al die prachtige reisverslagen van avonturiers en geleerden die in de wildernis hun in Europa ontwikkelde concepten waren gaan testen en met de meest bizarre verhalen terugkwamen. Frobenius deed dit theoretische onderzoek in boekvorm, en tot 1905 verscheen er een trits studies over de maskers en geheime genootschappen van Afrika, de mythologieën van de jonge en de rijpere mensheid in twee delen, een dikke pil over de geschiedenis van de oorlog, een boek over het wereldbeeld van de natuurmens, een duizend pagina’s omvattend handboek met spannende verhalen voor aardrijkskundeleraren, een reeks polemieken met gevestigde professoren, die hem zijn verdere leven dwars zouden blijven zitten, plus een samenvattend werk over het tijdperk van de zonnegod. Want dat was Frobenius’ kracht, hij kon meer dan feiten verzamelen, informatie schiften en rangschikken. Hij was in staat tot een synthese, hij kon een heel vakgebied overzien zonder de blik op de details te verliezen. De kennis in zijn vroege werk is vast en zeker verouderd, maar wat een plezier is het om in deze boeken te lezen en te bladeren. Alleen al de plaatjes zijn verbluffend.

Vanaf 1905 gaat Frobenius op veldonderzoek uit, met als einddoel een ‘planmäßige Durchwanderung Afrikas’. Hij roept de ‘Deutsche Inner-afrikanische Forschungsexpedition (D.I.A.F.E.)’ in het leven en verlaat Europa. Over zijn soms jaren omvattende tochten door Congo, Nigeria, Mali, Senegal, Algerije, Egypte, Soedan en Ethiopië verschijnen nog geen half jaar na terugkeer in Duitsland al rijk geïllustreerde verslagen, in drie dikke delen soms, zoals Und Afrika sprach... (1912-1913), waar meteen ook een Engelse vertaling van verschijnt: The Voice of Africa (1913). Zijn nachtelijk optreden in het Babunda-dorpje Biembe was eerder routine dan uitzondering. Want hoe ging dat, dag na dag? Expeditieleider Frobenius trekt aan het hoofd van een colonne van 350 assistenten, tolken, dragers, koks en wat al niet, een dorp binnen op een open plek aan een rivier. Hij laat kamp opslaan en nodigt diezelfde avond nog de eerste van vele oude, wijze dorpsbewoners in zijn grote tent en luistert aandachtig naar hun verhalen. Die boek-staaft hij diezelfde nacht nog. Met elkaar zullen ze uiteindelijk de twaalfdelige reeks Atlantis, Volksmärchen und Volksdichtungen Afrikas (1921-1928) opleveren, een verbijsterende prestatie.

Frobenius heeft een zeer praktische onderzoeksmethode. Om het eigene van een stam snel op het spoor te komen laat Frobenius deze observeren en beschrijven door mensen uit andere stammen die hij onderweg heeft uitgenodigd mee te reizen: zij zien het snelst wat de verschillen zijn. Zijn assistenten zwermen over het te onderzoeken gebied uit om alle varianten van een verhaal op te tekenen. Geen uithoek of buitenoord wordt overgeslagen. En overal wordt bewijs gevonden voor Frobenius’ stelling dat hier nog de stem van een oercultuur sprak. En wat leerde die ons? Frobenius’ verrassende stelling na zo’n vijfduizend pagina’s sprookjes en volksverhalen is dat hun belangrijkste kenmerk is dat er geen touw aan vast valt te knopen. Stuk voor stuk zijn het diepe, humoristische en erotisch getinte vertellingen, maar ze lijken als los zand aan elkaar te hangen en hun inhoud verandert ook voortdurend. Wat gisteren als burenruzie begon is vandaag een epos over de scheiding van dag en nacht geworden. Elke verhouding is zoek, er bestaat geen herkenbaar ordenend principe dat alles bijeenhoudt – net zoals kinderen verhalen vertellen.

Toch spreekt uit alle sprookjes eenzelfde wereldbesef, ze komen voort uit dezelfde bron, maar daarvan zijn de vertellers zich niet bewust. Ze hoeven zich ook geen zorgen te maken over de samenhang, want die samenhang is a priori gegeven. Hun wereld is een geheel, en zij kunnen die niet van buitenaf zien. Ze hebben geen wereldbeeld, ze zijn het. En uit dat grondbesef sproeit de ene mooie vertelling na de andere op en kan de ene dag deze ene verklaring voor iets worden bedacht en de volgende dag die andere: het verschijnsel zelf, het ‘wereldbeeld’ of ‘grondbesef’ of wat in die tijd ‘de ziel van een cultuur’ werd genoemd verandert nooit. Je moet de Afrikaanse verhalen dus niet rationeel trachten te begrijpen, je moet je invoelen in wat ze bijeenhoudt, of liever waaruit ze opwellen.

Maar dan gebeurt er iets. Onder invloed van een externe kracht – een inval van een vreemde stam soms, een klimaatverandering waardoor een volk moet gaan zwerven of van levensstijl veranderen, soms een onrust die zich van jongeren meester maakt – kristalliseren de sprookjes uit in een mythologie. Als er grotschilderingen worden gemaakt, beeldt men voortaan niet alleen de dieren af waarop wordt gejaagd, maar ook de jagers. De plaatjes worden illustraties in plaats van dieren in plaats van symbolen daarvan. Zo wordt ook in de verhalen de bron van de sprookjes expliciet gemaakt, zij het opnieuw in de vorm van een reeks vertellingen. In een mythologie wordt verhaald hoe en door wie de samenhang in de wereld is ontstaan; de mythologie is die samenhang zelf.

Symbolen en ideeën zijn niet lukraak te combineren tot mythen en rituelen. Dat is het stapje extra dat de menselijke geest maakt ten opzichte van het sprookjesstadium: de verhalen belichamen bepaalde abstracte concepten, die niet in één woord zijn samen te vatten maar vaak uitgebreide vertellingen nodig hebben om helemaal over te komen. Als Frobenius in Das sterbende Afrika. Die Seele eines Erdteils (1928) een Afrikaans idee wil verklaren, vertelt hij een verhaal dat hij ooit op een dorpsplein optekende om maar niets van de complexiteit ervan te verliezen. Elke alledaagse handeling is in het mythologische stadium een ritueel, bedoeld om de wereld in stand te houden, en dan vooral de gang van de seizoenen en de rol van planten en dieren daarbij. Men is religieus maar heeft geen idee dat men ook niet-religieus zou kunnen zijn. In dit mythische universum bestaat niets wat niet leeft, alles kan zich met alles verbinden maar doet dat via een vast patroon, een structuur, bijvoorbeeld volgens de vier windrichtingen, of in een cirkel met een centraal punt. Dat levert dan een vierkante, of een ronde stadsplattegrond op. Door hun interne samenhang kunnen mythen, anders dan sprookjes, zich ongewijzigd verbreiden over grote afstanden en perioden, zodat je de zonnegod van Nieuw-Guinea tot Timboektoe kunt nawijzen. Aldus ontdekte Frobenius dat er in Afrika meerdere mythische universa bestaan: er is niet één enkele oercultuur.

Frobenius had uit zijn vroege literatuuronderzoek een Kulturkreislehre afgeleid, volgens welke culturen dienen te worden opgevat als levende wezens, met een eigen verspreidingsgebied. Er zijn kaarten te maken – Vom Kulturreich des Festlandes (1923) staat er vol mee – van culturen waarin bijvoorbeeld de swastika linksom draait of juist naar rechts. Die gebieden vallen samen met die waarin een maan- of juist een zonnecultus bestaat. Er zijn culturen waarin de zon mannelijk is en in andere is ze juist vrouwelijk, en tussen die twee zones ligt een overgangsgebied waar de zon beide kan zijn. Uit Frobenius’ idea mapping valt te extrapoleren in welke richting cultuurzones zich uitbreiden, zodat een indeling mogelijk wordt, bijvoorbeeld in oosterse en westerse motieven, of Oceanische en Afrikaanse. Ondanks een sterke band tussen culturen en de plek waar ze ontstaan is het niet zo dat de Afrikaanse cultuurzones samenvallen met de klimaatzones, want culturen die zijn uitgeweken voor een invallende overmacht of die door Wanderlust werden bevangen, vind je op de meest onverwachte plaatsen terug.

De Afrikanen zijn intelligenter dan wij, of nee, zij zijn wijs en wij niet. Wetenschappelijke inzichten veranderen snel, maar intuïties behouden hun waarde. Die blijven geldig. Ook Frobenius weet niet hoe hij zelf aan zijn inzichten komt. Je mag aannemen uit hetzelfde ‘Dämonische’ in hem waaruit ook echte sprookjesbedenkers als de Bena Lulua tappen, Frobenius’ lievelingsstam. Dat het demonische niet tot het materieel van de exacte wetenschap behoort, verhindert Frobenius niet in 1920 een ‘Forschungsinstitut für Kulturmorphologie’ op te richten, waarvoor hij tot ver in de jaren dertig expedities maakt en boeken publiceert. Cultuurmorfologie vraagt wat de zin en de betekenis, of wij zouden zeggen het nut en de functie is van de vele prachtige artefacten, gebruiksvoorwerpen, gewoonten en verhalen die in de vele prachtige culturen ter wereld bestaan, en hoe al die culturen met elkaar samenhangen. Zoals een bioloog niet hoort te vragen wat er nu precies leeft in levende materie, zo overtreedt Frobenius het antropologische of etnografische taboe door te vragen wat een cultuur in leven houdt, of preciezer gezegd: waarvan een cultuur nu precies de cultus is. Dat maakt zijn geschriften als wetenschap problematisch, maar als essay superieur.

Na de fase van de sprookjes en die van de mythen volgt in het natuurlijke ontwikkelingsproces van elke cultuur de fase van de rijpere mensheid. Deze fase is niet zozeer anti-religieus, als wel niet-religieus. Men gelooft niet langer in mooie verhalen maar alleen nog in nuchtere feiten. Dat wij naar nut en functie van mythe en cultus vragen, komt omdat onze westerse cultuur zich in deze derde fase bevindt. De enige menselijke drijfveren die nu nog erkend worden zijn nood die gelenigd moet worden en de noodzaak van nakomelingschap. De ‘materialistische’ kijk doorziet de illusies waarin het vroeger zelf geloofde, en doorziet die van anderen ook. Elke hogere, geestelijke invloed wordt door het mechanische denken ontkend, en tegelijk wordt de materie zelf passief verklaard. In plaats van met offers en feesten poogt de rijpere mens de materie te beheersen met behulp van de materie zelf, met werktuigen en machines. Men heeft geen poespas nodig, geen decoratie, geen tijdverlies aan godsdienstige voorschriften. Er is geen god die je schuldig zal verklaren als je iets fout doet, al zullen je tijdgenoten dat wel doen. In deze cultuurfase draait het in het culturele leven om het veroveren van een machtspositie, status, prestige. En er moet altijd om die positie worden gestreden, ook als ze niet wordt bedreigd. Vrijemarkteconomie heet dat, of de stimulerende werking van concurrentie.

Leo Frobenius verwierp het materialistische denken van zijn tijd. Hij accepteerde het idee niet dat de materie passief en inert zou zijn, want kijk eens wat een vormenrijkdom er in de natuur en cultuur bestaat. Er moest een levenskracht bestaan die materie tot al die wonderen in staat stelde. Die kracht werd rond 1900 de levensgeest of ‘ziel’ genoemd. Omdat niemand uit de rijpere mensheid die begrippen nog kan snappen, introduceerde Frobenius een ander woord voor de vormende kracht in de cultuur: paideuma. Het paideuma is als een levend organisme waarvan de verschillende culturen de uitingen zijn, de manifestaties. Culturen bewegen zich door de tijd en over grote geografische afstanden. Mensen zijn niet meer dan de dragers van het paideuma. Ze dragen een cultuur een eindje verder door de tijd en soms door de ruimte. Elke cultuur is groter dan de afzonderlijke dragers ervan, elk paideuma groter dan welke cultuur dan ook. Wij zijn deel van een proces dat ons begrip te boven gaat.

‘Niet de wil van de mens brengt de culturen voort, maar de cultuur leeft “op” de mensen. (Nu zou ik zeggen: ze “doorleeft” de mens),’ formuleert Frobenius een beetje haperend in Das sterbende Afrika. Een cultuur is een ‘innerlijk vormend wezen’. Bij de Bena Lulua, vertelt Frobenius, wordt onderscheid gemaakt tussen twee soorten verhalen: Mukanda na M’Putu en Tuschimuni. Het verschil wordt door een van Frobenius’ zegsmannen als volgt verduidelijkt: ‘In de Tuschimuni leven de Gabuluku (een kleine antilope vergelijkbaar met Reintje Vos), de Ngulu (wildzwijn) en de Kaschiama (luipaard). Als er Tuschimuni worden verteld, spreken de Gabuluku, Ngulu en Kaschiama. In de Mukanda’s daarentegen wordt alleen gezegd wat ze vróéger hebben gedaan, hoe het vróéger met ze was. Tuschimuni zijn alle dagen, ze zijn gisteren, vandaag, morgen. Mukanda’s daarentegen zijn voorbij, ze zijn dood.’

Het paideuma is alles wat er Tuschimuni is aan een levensgemeenschap, een stam, dorp, volk, of natie. Frobenius’ intuïtieve methode maakt het mogelijk door alle ‘Mukanda’ heen te pellen en de levende kern van een verhaal, een voorwerp, een gewoonte te peilen. Het paideuma is niet alleen een groot levend wezen dat mensen verenigt in hun begrip van de wereld, maar leeft ook in elk afzonderlijk individu dat drager is van die cultuur. Net als mensen hebben culturen daarom een speelse kindertijd, een idealistische jeugd en een nuchtere rijpere leeftijd. Het paideuma is een ongrijpbaar begrip en ook Frobenius krijgt er nooit helemaal vat op. Van boek tot boek verandert hij van opvatting en terminologie, maar het paideumabegrip houdt zijn theoretische bouwwerken toch altijd bijeen. Het heeft enerzijds een leven dat niet anders kan eindigen dan in de dood, en is anderzijds tijdloos, ahistorisch, of levend op een tijdsschaal waarop wijzelf slechts seconden zijn. Het is datgene wat ons levend houdt, onze verbeeldingskracht, onze vormwil, en het is ook datgene waardoor we ons achtereenvolgens vrolijk, sterk en ten slotte ‘wiser but sadder’ voelen.

In Vom Völkerstudium zur Philosophie: der neue Blick (1925) beschrijft Frobenius hoe hij tijdens een expeditie verhalen verzamelt bij de Kuilu-stammen, de Bakuba, Baluba, Bena Ki, Kalebue, Wakussu, Malela, Bena Mai, Bapende, Kaniola en Bena Lulua. ‘Alle stammen hadden zeer specifieke fabels en sprookjes. Maar overal waren het overgeërfde oude verhalen. Alleen de Bena Lulua en stammen die met hen gemengd waren, gaven telkens weer blijk van het vermogen, ja de behoefte telkens iets nieuws te creëren. Alle nieuwe scheppingen lieten daarbij dezelfde oorsprong zien. Na een of andere belevenis waren ze spontaan opgedoken, niet zozeer als bewust bedenksel of gewilde creatie, dus als wilsdaad, maar als onbedoelde uitdrukking van een organisch zielsleven, dat zich alleen in zulke vormen uitkristalliseerde als bepaalde gebeurtenissen er aanstoot toe gaven.’ Dit citaat laat enerzijds het wetenschappelijk probleem zien dat er aan Frobenius’ methode kleeft. Waar precies ligt de grens tussen wilsdaad en onbewuste schepping? En bij wie constateer je dat? Hoeveel mensen moet je spreken voor je iets statistisch verantwoord kunt omschrijven als een ‘onbedoelde uitdrukking van een organisch zielsleven’? Anderzijds overtuigt het beeld van de Bena Lulua met hun ongefilterde fantasie, want zo werkt het ook in ons, lezers. Al lezend borrelen in ons de verhalen op, en waar die vandaan komen, zeker niet alleen uit het boek in onze handen.

Frobenius ontdekte stammen en volken met een paideuma dat nog volledig operabel was op sprookjesniveau. En toen deed hij een inhoudelijke ontdekking van de hoogste orde. Er blijken twee soorten sprookjes en verhalen te kunnen worden onderscheiden, die uitdrukking geven aan een tegengesteld levensgevoel, een totaal andere wereldbeschouwing. Er is het vertegevoel en het holtegevoel. Mensen die in kleine huizen wonen en voor wie elke stap buitenshuis zoveel als een overgang naar de vrije ruimte is, hebben het vertegevoel. Het holtegevoel daarentegen hebben mensen die in de vrije ruimte leven en er ’s avonds hun tijdelijk onderkomen in opzetten, en die altijd verder zullen trekken omdat ze maar niet de deur uit de gevangenis kunnen vinden waarvan de staalblauwe hemel en pikzwarte nacht het lage plafond vormen. Het weidse vertegevoel vind je bij boeren die hun leven lang op één stuk grond werken en die alles wat daarop gebeurt vertalen in kosmische termen, in de invloed van een zonnegod, een maangod, moeder aarde en vadertje dood. De ruimte rond hun kleine plekje is oneindig groot. Het nauwe holtegevoel vind je bij heersers, jagers, herders ook wel. Voor deze mensen is de wereld zoveel als een plat vlak met een koepel erover. Erbuiten is niets, zelfs Allah zit erbinnen. Alles is onderworpen aan een ijzeren noodlot, het enige wat je kunt doen is je eer behouden, respect afdwingen, en groter zijn dan de situatie. Heroïsch nihilisme.

Wat de werken van Frobenius nog altijd zo meeslepend maakt is niet alleen de leer of theorie die hij tracht te verbreiden, maar meer nog dat die leer of theorie ontstaat op het moment dat Frobenius haar opschrijft. Hij heeft in Afrika het geheim van de levende tekst ontdekt, hoe die ontstaat bij de oma aan de haard, bij de eposzanger in de lichtkring, bij de etnoloog die in zijn tent zijn observaties uitwerkt. Frobenius publiceerde zijn werk ook onder een literaire noemer. In de zeven delen van zijn grotendeels speciaal voor de gelegenheid geschreven verzamelde werken, Erlebte Erdteile (1925-1929), uitgegeven in zakformaat omdat de auteur dat zelf zulke prettige boekjes vond, is een aantal vroege artikelen opgenomen waarvan Frobenius zelf erkent dat ze achterhaald zijn – maar wat laten ze toch mooi zien hoe de ontwikkeling van een onderzoeker verloopt, hoe zijn gedachten vorm krijgen, soms een verkeerde afslag nemen en daarna weer de weg terugvinden… Frobenius’ eigen boeken en artikelen vertonen eenzelfde ontwikkeling als de culturen die hij beschrijft: eerst jong en driftig, dan in de kracht van het leven en idealistisch gestemd – Das sterbende Afrika is geheel in de lyrische toonaard geschreven – en ten slotte vriendelijk nuchter in het zesde deel van Erlebte Erdteilen, genaamd Monumenta Africana, en in deel zeven, Monumenta terrarum, een overzicht van de bewegingen van de diverse paideuma’s op het reuzencontinent Europa-Azië-India-Afrika.

Frobenius gebruikte literatuur als methode om zijn inzichten te verwoorden. De cultuurkunde van zijn voorgangers keek alleen naar de buitenkant van samenlevingen, naar de ‘vormen’ die erin bestonden, of het nu de staatsvorm, de woninginrichting of het wapentuig betrof. Maar een paideuma kun je niet zien. Je kunt het afleiden uit bepaalde voorwerpen en praktijken, maar duiden kun je het zo niet. Een proces, een individu is alleen te begrijpen als je het zowel van buitenaf als van binnenuit doorvoelt en ‘doorleeft’. Je kunt een ander paideuma dan dat van je eigen cultuur leren begrijpen als je het diep op je laat inwerken. Een paideuma is niet alleen collectief maar altijd ook persoonlijk, en dient daarom zowel door feitelijk onderzoek als door zelfstudie te worden blootgelegd. Je moet het in jezelf productief laten worden, verhalen laten voortbrengen, samenhangen laten leggen. Achteraf zijn die wellicht logisch te reconstrueren met behulp van begrippen en argumentatielijnen, maar in eerste instantie borrelen ze op en geven ze het gevoel ‘dat het klopt’. Dat is het verschil tussen wetenschap en literatuur. Een feitelijke analyse waarin de mythische onderlaag niet meetrilt blijft oppervlakkig en onbevredigend. Zodra je ontdekt hebt welke mythische laag jouw feitelijke inzichten voortbrengt, wordt het ook mogelijk andermans mythen te doorgronden in hun rijkdom en begrenzing. Want hoe is Frobenius op het spoor gekomen van de twee tegengestelde paideuma’s van het holte- en het vertegevoel, of van wat hij later de Hamitische en de Ethiopische cultuurvorm zou noemen? Hijzelf werd onmiskenbaar voortgedreven door het onbegrensde verlangen van het vertegevoel.

Frobenius onderscheidde in Afrika vijf verschillende cultuurgebieden: dat van de Syrtische, de Atlantische en de Eritrese cultuur – die alle drie uit andere continenten zijn geïmporteerd – en daarnaast de Ethiopische en Hamitische culturen, die oorspronkelijk Afrikaans zijn. De beschrijving die hij daarvan geeft in Erlebte Erdteile is uiterst pregnant. De Ethiopische cultuur is karakteristiek voor gevestigde boeren en daarom georganiseerd rond het leven van planten. De Hamitische cultuurvorm vind je bij jagers en herders en staat in het teken van dieren. Planten worden gekweekt van zaad tot vrucht en terug tot zaad, dieren zijn er nu eenmaal en kunnen worden geschoten of gevangen en geweid. De Ethiopische kijk ziet de tijdelijkheid en het cyclische karakter van de aarde die ons voedt als wij haar voeden, met offers en onze doden. Voor de Hamitische verschijnt alles in het licht van de eeuwigheid: de wereld blijft zoals ze altijd is geweest. Voor de Ethiopiër keert een dode terug in een nieuw leven als hij zijn vergankelijke materie in de aarde terug heeft laten stromen. Voor de Hamiet is een dode een stuk rottend vlees, al was het je zoon of vader – het wordt achterlaten waar het doodvalt. De Hamiet walgt van lijken, de Ethiopiër is niet vies van stinkend lichaamsvocht en bederfsel. Hij leeft altijd in een hechte relatie met zijn voor- en nageslacht, en met de aarde en de hemel en wat die hem bieden aan regen en vruchtbaarheid. De Ethiopische cultuur organiseert zich in de ‘Sippe’, het familieverband of wat later in Duitsland de ‘Wohn- und Werkgemeinschaft’ zou worden genoemd, broedplaatsen van verlangens. De Hamitische cultuur is georganiseerd in ‘clans’: broederschappen van hooghartige lieden die zelfs met en voor hun geliefden eindeloos moeten vechten, hun verloofde, echtgenote en kinderen. De Hamiet kent geen verlangens, maar verplichtingen.

Het vertegevoel van het Ethiopische paideuma maakt het leven diepreligieus. Het hoeft niet op spanning te worden gebracht met wonderverhalen en kismet, het is van zichzelf mysterieus genoeg: dat uit dood leven ontstaat, met na het zaaien de korte regentijd en dan na de hitte de grote regentijd en ten slotte wordt het gewas rijp en dient men te oogsten, eten en prijzen. Een deel van het graan wordt bewaard en komt volgend jaar op, na een doodse winter. De doden die in de aarde leven zijn belangrijker dan de levenden die de aarde alleen maar bewerken. De levenden lopen in vodden en de doden krijgen de prachtigste lijkgewaden, want zij garanderen de continuïteit van de stam. Zij laten het leven terugkomen. Dit alles is vanuit Hamitisch zicht volslagen absurd. Frobenius’ tolk was een Toeareg. De man vertaalde professioneel alle verhalen van de Ethiopische boertjes die ze bezochten, en pas op de laatste avond van de expeditie, na lang aandringen, gaf hij uiting aan zijn weerzin tegen de zeden en gewoonten die hij de afgelopen maanden om zich heen had gezien. ‘Neem dat masker van Tschamba. Die Tschamba is een soort Allah, een god, hun vrouwen beven ervoor. En dat terwijl het een stuk hout is dat uit een boom is gesneden! De mensen hebben het zo gemaakt, mensen die net zo Tschamba waren als alle andere Tschamba’s. Maar denk maar niet dat zij aan hun stamgenoten hebben verteld dat ze het gewoon uit een stuk hout hebben gesneden. Het zijn oplichters! En degenen die denken dat dat hout iets anders is, dat zijn narren.’

Hier spreekt de Hamiet. Allemaal flauwekul, je ziet toch dat het niets anders dan hout is. ‘Ik ben in de hemel geweest en ik heb geen God gezien,’ zei de Russische kosmonaut. De Hamiet ziet feiten, geen symbolen. Macht begrijpt hij, eer, dood en heroïek, maar niet verzoening, gemeenschappelijk bezit, reïncarnatie en geduldig doorwerken. Trotse ridders met een streng, hooghartig leven en vrouwen die nooit geïmponeerd raken en zich onderwerpen. De Toeareg: ‘Maar dat een stam zijn lijken wekenlang open en bloot laat liggen tot ze in een zee van stank vergaan en invallen, en dat een andere stam hun dode verwanten het hoofd afsnijdt en in hun eigen hut bewaart, en dat weer andere hun lijken weer opgraven, terwijl nog weer andere ze in hun eigen hutten begraven, en dat ze de schedels eten en drinken brengen, dat ze de schedelbeenderen op moeilijke dagen om raad en bijstand vragen, dat ze met ze omgaan als met levenden, enzovoort, enzovoort’, het was te smerig voor woorden. In zijn eigen cultuur werd een lijk onmiddellijk in een runderhuid geknoopt en ver weg in de wildernis bedekt onder een grote laag stenen, zodat de hyena’s en jakhalzen het niet konden verscheuren. Want dan kon de dode als spook gaan rondzwerven. ‘Een dode is iets volkomen slechts en kwaads. Dat weet ieder verstandig mens. Een lijk vergaat, stinkt en zit al snel vol weerzinwekkende wormen.’

Dat ziet de Ethiopische cultuur ook, maar ze waardeert het. Zo werkt leven als je het z’n gang laat gaan. In de Ethiopische cultuur is ieder mens een persoon, een bijzonder individu. De Hamitische cultuur ziet alleen maar typen, precies zoals grotestadsbewoners elkaar ook vandaag de dag herkennen en inschatten. Bij de Ethiopiërs is het feest als opa doodgaat, want hij is van zijn kwalen af en wordt binnenkort herboren in een kleinkind. Alleen als een man zonder kinderen sterft heerst er diepe rouw. Voor de Hamiet is het doden van een vijand het bewijs dat hij een man is, autonoom, soeverein – tot het volgende gevecht. Met een Hamitische instelling beschouw je je kinderen als je bezit, met een Ethiopische als mensen met wie je een tijd lang samenleeft. Hamieten zijn patriarchaal, Ethiopiërs matriarchaal, en dat merk je. Waar Hamitische vrouwen zich met sluiers zelfs aan je blik onttrekken, raken Ethiopische vrouwen je zonder de geringste gêne aan.

Het is verbazingwekkend dat niemand vóór Frobenius de twee fundamentele levenshoudingen in Afrika heeft herkend. Frobenius’ verklaring hiervoor is dat de cultus van de ‘onberispelijke Ethiopiërs’ zo veel verschillende vormen aanneemt dat de meeste onderzoekers niet aan de grotere verbanden zijn toegekomen. Anderzijds kunnen Hamitische volken hun eigen levensopvatting zo goed, maar eenzijdig verwoorden, dat onderzoekers de neiging hebben hen blind te geloven en de cruciale details over het hoofd zien.

Wat gebeurt er als we Frobenius’ dubbelmodel van de oorspronkelijke Afrikaanse oercultuur – die volgens zijn epifanie ook de Europese oercultuur moet zijn – toepassen op onszelf? Blijkbaar dienen wij ons het innerlijk gelaagd voor te stellen. Er is een bodem vol krioelend leven, fantasietjes, gekke wendingen, waar slimme barden en getergde oude vrouwtjes ronddolen. Daarop ontwikkelt zich in de adolescentie een goed gestructureerde laag van mythen rond idealen: elke handeling in de materiële wereld is tegelijk een geestelijk proces. Het profane en het sacrale vallen samen. Op deze laag ontwikkelt zich een korst van rijpere leeftijd, als een dode schors die het levende hout eronder beschermt. Dat zijn wij. Wij, Europeanen, die ten tijde van Altamira nog Ethiopisch van cultuur waren, zijn sindsdien steeds meer Hamitisch geworden. Wij zijn machtsdenkers, egoïsten die menen dat alleen onze eigen kijk de juiste is en dat anderen zich nog heel lang moeten ontwikkelen voordat ze ons niveau bereiken. In eigentijdse termen: wij hebben beschaving, zij culturen, en daar hebben ze last van ook. Zij moeten hun geloof nog verliezen.

Ondanks bezwaren van vrijwel de hele antropologische literatuur na Frobenius, zou ik toch aan de termen Hamitisch en Ethiopisch vast willen houden. Want ik herken ze heel goed. Ik ben, schat ik, tachtig procent Ethiopisch en twintig procent Hamitisch. Macht vermag me niet te boeien, maar als ik het moet gebruiken schrik ik er niet voor terug. Ik vind het niet leuk door anderen als pion te worden gebruikt. Ik erken de gang der seizoenen, de verschillende invloed van maan en zon. Mijn medemensen zijn wezens met een eigen leven en ontwikkelingsgang, al zie ik als stadsbewoner mensen vaker als type dan als die ene persoon vol hoogst karakteristieke trekjes. Dit indelen in typen maakt weer veel observaties mogelijk die bij het zoeken naar eigenheid over het hoofd worden gezien. Frobenius’ intuïtie uit 1895, dat de oorsprong van onze cultuur nog in Afrika leeft, bracht hem uiteindelijk tot het inzicht hoe innerlijk verscheurd wij zijn, heersend en dienend, hooghartig en gelijkwaardig, kil en warm tegelijk.

De Hamitische cultuur is zoveel als de derde levensfase van het paideuma, waarin de Ethiopische de tweede is. Dit roept de vraag op wat er na de feiten komt, na de materialistische kijk van Darwins struggle for existence. Wat leeft er nu werkelijk in een cultuur? De eindconclusie van Frobenius’ vele ontmoetingen in Afrika was dat hij de vraag anders stelde. Niet: wat is cultuur, en niet: hoe zit die in elkaar, maar: hoe laat je een cultuur leven, hoe kun je een bijdrage leveren aan het leven van het paideuma, hoe voorkom je dat het paideuma stremt, de cultuur verstart? Frobenius trok eropuit om zijn eigen leven terug te vinden bij de Afrikanen, de oorspronkelijk Europese cultuur, en toen hij die vond werd hij een ander mens. Zijn theorie was correct gebleken, maar je kunt niet met levende materie, met levende cultuur in aanraking komen zonder daar zelf bij te veranderen. Frobenius zag iets in Afrika wat niemand nog gezien had. Met ras had het niets te maken. Leven is creëren, ordenen, afsluiten. Alleen maar sprookjes vertellen is niet genoeg, hoe spannend die ook elke keer weer zijn. Mythisch leven is evenmin voldoende, want niet bestand tegen de uiteindelijke feitelijke blik, die alle mooie verhaaltjes doorziet en als zodanig ontluistert.

Hoe ontstaat paideuma? In Kulturgeschichte Afrikas (1933), Frobenius’ meesterwerk waarin hij al zijn vroegere theorieën samenvat en overstijgt, herziet hij zijn begrippen voor een laatste keer om het paideumabegrip eindelijk te bevatten. Vóór het eerste cultuurstadium met z’n spontaan opwellende sprookjes bestaat nog een ander stadium, dat niet gedocumenteerd is met verhalen en ook niet met grot-schilderingen, al getuigen deze er wel van. Dat oerstadium is alleen in levenden lijve te ervaren, en het komt over je als ‘Ergriffenheit’: als je zo gegrepen wordt door een verschijnsel waarvan je in leven en dood afhankelijk bent, dat je het als vanzelf gaat naspelen – zoals kinderen doen, en kunstenaars. Gegrepen word je niet door op zichzelf staande feiten – externe kennis –, maar door de werkelijkheid van de verschijnselen die je in jezelf gewaarwordt. Alleen door gegrepenheid ontstaat er levende ervaring, en die ervaring vertaalt zich daarna in de omgang met alles, van het dagelijks leven en de verhouding tussen de geslachten tot het staatsbestel aan toe.

In de Ethiopische cultuur speelt eenieder het leven van de plant na, van zaad en ontkieming tot bloei en zaad dat weer in de aarde verdwijnt en dan een volgende cyclus begint. De eerste kleinzoon die trouwt na grootvaders dood laat zijn jonge bruid met haar lippen een graanzaadje pakken van de schedel van opa, die op een ereplaats in de hut staat, zodat als ze zwanger wordt grootvader in haar kind kan herrijzen om de plantcyclus nogmaals te doorlopen. De Hamitische cultuur is gegrepen door het leven van het dier, en speelt zowel het solitair zwervende roofdier als de leider van de kudde na. Vandaar de paarden, kuddes, de eer, het geweld, het gezag, de onderwerping van anderen. Eerst is er altijd een werkelijkheidservaring, die extra stap die alleen mensen kunnen nemen: te beseffen dat de wereld bestaat, in plaats van er alleen maar deel van te zijn. Dat besef ontstaat als men, ‘gegrepen’ en in de ban van een plant of een dier, terugkijkt op de eigen werkelijkheid en deze helemaal bevat, als levend geheel. Maar pas als men zich daarvan bewust wordt, na jaren, in een volgende stap in de ontwikkeling van de geest of het bewustzijn, gaat men verhalen vertellen, sprekend als een plant of juist als een dier. Cultuur is de cultus van een oerervaring, aanvankelijk zwijgend, daarna vertellend, daarna organiserend en ten slotte verklarend. De Ethiopiërs zeggen niets bij alle rituelen die ze uitvoeren, ze leggen ook hun kinderen niets uit, maar dezen gaan hen na verloop van tijd exact nadoen, inclusief het bijbehorende ontzag. Het spel van de Ethiopiërs is een ‘spel van overgave’, dat van de Hamieten een ‘spel van de wil’.

Ik ben tachtig procent plant, twintig procent dier. Ik vind dieren bedreigend maar ben dier genoeg om me te kunnen verweren. In een Hamitische cultuur wordt veel te veel vlees gegeten, in een Ethiopische te weinig. Men blijft klein. Frobenius werd ‘ergriffen’ door de cultuur, door culturen. Hij liep over naar de kant van zijn studieobject. Dat maakte het hem mogelijk anderen te begrijpen, of preciezer gezegd: met hen overeen te stemmen. Van geest tot geest, van lichaam tot lichaam. Leo Frobenius peilde en doorgrondde het raadsel van het leven en het lukte hem bijna het uit te spreken en vast te leggen in een theorie, maar hij hield een uitgang open. Met de feiten is het leven niet afgelopen, je kunt altijd opnieuw ergriffen worden, door de feiten zelf desnoods. Paideuma kan overal ontstaan, in elk medium, elk landschap, elk klimaat. Het houdt niet op, het organisme stulpt zich uit in telkens andere individuen en groepen, blijft soms lang hangen of is zo weer weg. Iets levends verdwijnt nooit helemaal, het kan verbluffend veel vormen aannemen en van binnenuit veranderen ook, maar het blijft hetzelfde leven. Frobenius vatte de westerse cultuur samen als: ‘Wij spelen ons noodlot.’ Al onze handelingen zijn gericht op een eindpunt, een voltooiing of verlossing. Wij kunnen besluiten van het paideuma ons noodlot te maken, of van ons noodlot paideuma. Wij zijn vrij. Openheid, meer is niet nodig. Vind uit waarvoor.

Arjen Mulder is bioloog en essayist. Zijn meest recente boek is: De successtaker, Adrien Turel en de wortels van de creativiteit (2016). Hij schreef eerder over Mondriaan en Klee in zijn studie Van beeld naar interactie: betekenis en agency in de kunsten (2010). In 2019 publiceerde hij zijn liefdesverklaring aan planten, getiteld Vanuit de plant gezien.

Meer van deze auteur