Pieter Hartingh, acht jaar oud, stond met zijn voeten in het zand. Hij voelde de ruimte om zich heen: de duinen in zijn rug, links en rechts het strand, boven hem de lucht en voor zich de zee. Het was een nieuw gevoel, die eindeloosheid, en het was alsof hij overal tegelijk kon zijn. Hij keek omhoog, knijpend tegen het licht, en diep inademend gaf hij zich over aan de ruimte en stelde zich voor hoe hij meedreef met de reusachtige wolken die rond het middaguur boven zee waren verschenen en nu boven hem dreven.
‘Pieter…! Pieter…!’
Hij keek en zag zijn vader, een eind de zee in al; het water reikte tot aan zijn middel, hoger nog als er loom een golf voorbijrolde. Zijn vader lachte en wenkte, zwaaiend met beide armen.
‘Kom…!’
Pieter zwaaide terug, maar bleef staan, gevangen door de ruimte.
‘Kom dan…!’
Hij zwaaide nog een keer, maar sloot toen de ogen. De zon brandde op zijn gezicht, zijn borst, de voorkant van zijn benen; in vergelijking voelden zijn rug en de achterkant van zijn benen kil. Zijn voeten, al bijna helemaal begraven in het zand, waren nog kouder; met elke golf spoelde het water om zijn enkels; en als het terugstroomde naar de zee, zakten zijn voeten iets dieper in het weke zand.
Hij hield zijn ogen gesloten en luisterde naar de geluiden: het gedruis van de branding, het gesis waarmee het water over het zand spoelde, het rinkelen van de schelpen als het water terugstroomde. Verder weg hoorde hij een blaffende hond, spelende kinderen; nog verder het klapperen van touw tegen een vlaggenmast. Hij zocht naar het hoge stemmetje van zijn zusje, Anne, maar hoorde haar niet. Wel zag hij haar in gedachten voor zich, spelend op een handdoek naast zijn moeder. Ook mamma zag hij duidelijk voor zich, zittend op een laag, houten klapstoeltje met een zitting van grof katoen, een boek dat op haar opgetrokken knieën rustte in de ene hand, een sigaret in de andere, van de zon afgeschermd door een geel-witte parasol en van de wind door een verschoten rood windscherm. Onder haar badpak bolde haar buik: binnenkort kreeg Pieter nog een broertje of zusje.
Zijn vader riep opnieuw.
‘Pieter…!’
Hij opende zijn ogen en zag dat zijn vader verder de zee in was gegaan, want het water reikte nu al tot zijn borst. Maar Pieter maakte zich geen zorgen: zijn vader was sterk. ’s Avonds, als hij naar bed moest, pakte hij Pieter onder de oksels en tilde hem met een vloeiende beweging op, zodat hij een duizelingwekkende vlucht door de kamer maakte. Toen hij kleiner was tilde zijn vader hem soms boven het hoofd zodat Pieter werkelijk leek te vliegen, de keuken uit, door de woonkamer, via de trap naar de zolder en daar naar zijn kamer, onder de spanten van het dak. Om het gevoel dat hij vloog te versterken, spreidde hij dan zijn armen, en liet hij een denkbeeldige wind langs denkbeeldige vleugels gaan die hem hoger en hoger droegen.
Hij sloot zijn ogen weer en liet zijn lichaam opnieuw uitdijen. Het was nu alsof hij al die ruimte in zich opnam, in zijn lichaam, eerst in zijn borst, toen in zijn buik, toen ook in zijn benen, zijn armen, zijn hoofd. Door al die ruimte zwol hij als een luchtballon, steeg zachtjes op, en zag met een alziend oog: hoe het strand zich naar weerszijden strekte, de duinenrij daarachter, dan weilanden, velden, stadjes… De witte kronkellijntjes van de branding… De zee: zo ongelooflijk, zo eindeloos… En kijk, daar was zijn vader, die met krachtige slagen steeds verder de zee op zwom. En daar zag hij zichzelf staan, op de rand van zand en water, al tot zijn enkels weggezakt in het natte zand…
Hij schrok op van een golf die met meer kracht dan de andere op het strand stortte en rond zijn voeten bruiste. Toen het water terugstroomde en de schelpen liet rinkelen, zakte hij opnieuw dieper in het zand. Hij keek naar zijn voeten. Alleen zijn wreven waren nog net te zien; zijn tenen, hielen en enkels waren onder het zand verdwenen. Zonder dat hij het wilde maakte hij zich een voorstelling van de wereld onder het zand: een kille wereld van schurend zand waarin vreemde wezens leefden, schelpdieren, krabbetjes en wormen.
Pieter stelde zich voor hoe hij in het zand wegzakte en huiverde; razendsnel kroop de angst omhoog, alsof de kilte van die natte wereld optrok langs zijn benen. Hij probeerde zijn voeten los te trekken, maar kon zich niet bewegen. Hij was betoverd. In een poging de betovering te doorbreken wiegde hij zachtjes met zijn bovenlichaam, maar hierdoor zakte hij alleen maar dieper weg. Hij keek naar zijn vader, ver weg op zee, te ver om zijn hulpgeroep nog te kunnen horen, te ver om nog op tijd te zijn en hem uit het zuigende zand te redden. In zijn buik zwol de paniek aan, maar in zijn hoofd bleef hij kalm. Wat gek: dat je in je buik iets anders kunt voelen dan in je hoofd…
Hij sloot zijn ogen en probeerde zijn lichaam opnieuw uit te laten dijen in de ruimte rondom, op te gaan in die blauwe koepel, mee te drijven met de wolken. Hij zou zichzelf eenvoudig te groot maken om opgezogen te kunnen worden door het zand. Maar het lukte niet: terwijl zijn bovenlichaam naar de hemel reikte, zakte zijn onderlichaam verder weg.
Om aan de oplaaiende angst te ontkomen dacht hij aan Neil Armstrong, de astronaut die afgelopen nacht als eerste mens een stap op de maan had gezet. Pieter had het gezien op de televisie. Pappa had hem heel vroeg wakker gemaakt, toen het nog donker was. Anne hadden ze laten slapen. Mamma zat al beneden, een deken om zich heen gewikkeld, rokend.
Vijf dagen eerder hadden ze de lancering van de Apollo-raket gezien. Onder in het beeldscherm verstreek de tijd tot de lancering, aangegeven met witte, verspringende cijfers. Ze zagen een dubbele toren, links de lanceerinstallatie, rechts de raket, onscherp in de helle zon. De raket, vertelde de commentator, bestond voor het grootste deel uit brandstofreservoirs die tijdens de eerste uren van de reis één voor één afgestoten zouden worden, totdat alleen nog maar de top overbleef. Pieter had zich erover verbaasd hoe langzaam de raket in beweging was gekomen, als een oude, dodelijk vermoeide reus. Geleidelijk won het gevaarte aan snelheid; uiteindelijk, zei de commentator, zou de capsule tien keer sneller dan een kogel door de ruimte schieten.
Vanochtend vroeg was dan eindelijk het grote moment aangebroken. Ze zagen hoe Neil Armstrong, de gezagvoerder, gestoken in een log wit pak de trappen van het ruimtevoertuig afdaalde en op het maanoppervlak stapte, waar hij met trage, lange passen heen en weer begon te lopen.
‘Hier zien we geschiedenis,’ had zijn vader opeens gezegd. Zijn stem klonk vreemd: stijf, plechtig. En toen herhaalde hij het nog eens: ‘Hier zien we geschiedenis…’
Pieter luisterde naar de woorden en keek naar zijn vader en toen weer naar de televisie en dacht: hier zie ik geschiedenis. Maar hij begreep het niet goed. Hij keek ingespannen naar de beelden, maar wist niet waar hij precies moest kijken: naar de astronaut, het rommelige maanoppervlak, de diepe schaduwen die eroverheen lagen, de zwarte achtergrond van het heelal. Hij wilde zijn vader om uitleg vragen, maar durfde niet: aan de toon van pappa’s stem – dat stijve en plechtige – hoorde hij dat het ongepast zou zijn om hem nu iets te vragen. Maar toen gebeurde er iets waardoor hij het opeens toch een beetje begreep: hij voelde hoe zijn borst en keel met iets zwaars werden gevuld, en hij wist dat zijn stem net zo vreemd zou klinken als die van zijn vader als hij nu iets zou zeggen.
Na de uitzending was hij naar het raam gelopen. Het was nog vroeg, maar al licht. De eerste zon scheen over de weilanden aan de overkant van het spoor, schuin nog. Hij voelde zich vreemd, belangrijk, op de een of andere manier verbonden met de hele wereld… Er stonden grote dingen te gebeuren. Hij had geen idee wat, maar voelde op een overweldigende manier dat alles, ooit, goed zou komen, en met die gedachte vulden zijn ogen zich met tranen.
Niet veel later, nadat ze hadden ontbeten, reden ze naar het strand, in een nsu die zijn vader van een collega had geleend. Onderweg vroeg hij zijn vader wat geschiedenis precies betekende. Dat wat geschied is, zei pappa, alle dingen die ooit zijn gebeurd. Pieter dacht erover na. Alle dingen die ooit zijn gebeurd… Al die seconden die ooit zijn verstreken, en al de dingen die daarin gebeurden, met alle mensen, overal op de wereld, en nu ook op de maan… Hoeveel was dat wel niet? In zijn eigen leven gebeurde al zo veel. Het meeste onthield hij niet eens. Ja, sommige dingen wel, als ze belangrijk waren. Hoe je tussen de tuinbonen moest schoffelen bijvoorbeeld, zoals hij dat van opa had geleerd. Of hoe pappa boekenplankjes in zijn kamer had opgehangen, vorig jaar, drie metalen plankjes in verschillende, heldere kleuren. Of hoe hij het ijs in de sloot had gebroken op de dag dat Anne werd geboren. En mamma’s geur in de woonkamer natuurlijk: boeken en sigaretten. Maar de meeste dingen verdwenen snel uit zijn geheugen: dat was geschiedenis die hij zich niet meer herinnerde. Hé, kon dat…?
Het was nog vroeg toen ze arriveerden, rond achten. Vanuit de duinen woei een vochtige geur van dauw aan. Ze zochten een plek op het nog verlaten strand en zetten het windscherm op. Daarna renden ze naar de zee om te zwemmen. Later bouwden ze op de vloedlijn een meterslang stelsel van waterwerken, kanalen, dijken, met schelpen verstevigde duikers en van wrakhout geïmproviseerde sluizen. Zijn vader werkte onvermoeibaar, ijzersterk, de haren in slierten langs het hoge voorhoofd, de brylcreem er uitgespoeld door het zeewater. Pieter werkte zo hard hij kon in de hoop dat zijn vader het zou zien. Anne hielp ook mee, zo goed ze kon met haar vier jaar, maar opeens zat ze huilend in het zand, ontroostbaar, omdat ‘straks alles weg is’. ’s Middags, op het heetst van de dag, aten ze de meegebrachte boterhammen, bruine boterhammen met kaas; ondanks de verpakking van vetvrij papier knisperde het zand mee tussen Pieters tanden. Na het eten lag hij in de schaduw van het windscherm en soesde een uurtje, zich vaag bewust van het geluid van de branding, de wind die af en toe het zand opjoeg tegen het rode, verschoten doek van het windscherm, het omslaan van de bladzijden van het boek dat mamma las, het zachte zuchten waarmee ze de sigarettenrook uitblies, het gejoel van spelende kinderen in de branding, het geluid van de in het zand ploegende voeten van mensen die langs hun plek liepen – en al soezend verwonderde hij zich over het verschil in afstand van al die geluiden en hoe ze elkaar verduidelijkten en hoe in die akoestiek een kleine ruimte ontstond waarin hij volkomen veilig was.

Opeens was het gevaar bezworen: hij voelde hoe koude natte handen onder zijn oksels werden geschoven, hoe zijn voeten loskwamen uit het zuigende zand, hoe hij opgetild werd.
‘Pappa…!’
Hij sloeg zijn armen om zijn vaders nek en drukte zijn gezicht tegen de natte huid van diens hals.
‘Wat sta je hier nou? Wil je niet zwemmen…?’
Hij gaf geen antwoord: zijn stem zou hebben verraden hoe blij hij was. Hij klemde zich stevig vast, zijn armen rond de nek, zijn benen rond het middel. Zijn vaders huid voelde koud aan, plakkerig zout van het zeewater. Snel telde hij tot dertien, het getal van zijn geboortedag; al bij de zeven voelde hij zich kalmer worden.
‘Hé, ik vroeg je wat… Wil je niet…’
‘Onder het zand is ook heel veel,’ viel hij zijn vader in de rede, ‘allemaal dieren en schelpen…’
Hij probeerde rustig te spreken, maar de opluchting joeg de woorden uit zijn mond. Toen de woorden stokten duwde hij zich af tegen de schouders van zijn vader en keek hem in diens lachende gezicht. Zoals zo vaak verwonderde hij zich over de rimpeltjes rond de bruine ogen en de talloze donkere baardhaartjes die de helft van zijn gezicht bedekten. Zijn vader draaide zich een halve slag om en wees naar de lucht.
‘Kijk…’
Hij keek in de aangegeven richting en voelde een scheut in zijn borst: hoog boven hen stond de maan, een bleke halve cirkel, nauwelijks te onderscheiden in het heldere blauw.
‘De maan…!’
‘Nog een paar uur,’ zei zijn vader, ‘dan gaan ze weer terug.’
Pieter knikte. Tegen beter weten in probeerde hij iets te onderscheiden op die bleke halve cirkel, een of andere beweging, een miniem teken van leven.
Zijn vader streek een sliert haar van zijn voorhoofd.
‘Hé, wil je nou zwemmen of niet?’
Pieter keek over zijn vaders schouder. Hoewel het op het strand zelf al wat rustiger werd, was het bij zee nog druk. Volwassenen en kinderen liepen heen en weer, groeven kuilen, zwommen of speelden met een bal. Een zwart-witte hond stoof het water in, blaffend, maar deinsde terug voor een golf. In de verte hing een waas waarin alles vervloeide. Bij de duinovergang zag hij de vlaggenmast waarvan hij het touw had horen klapperen. Midden op het strand onderscheidde hij het rode windscherm waar zijn moeder nog altijd las. Anne zat een paar meter verderop en bouwde een kasteel; een verzameling fleurige emmertjes, schepjes en harkjes lag om haar heen.
‘Ik vroeg je iets…’
Hij keek in de donkerbruine ogen van zijn vader. Rond de pupil, in het bruin, zag hij lichtere vlekjes, geel bijna. Hij streek met zijn handpalmen langs de ruwe wangen van zijn vader, waardoor ze binnenin kriebelden. Opeens sloeg hij zijn vader met vlakke handen op de wangen, iets harder dan hij bedoeld had.
‘Nee,’ zei hij, ‘ik wil rennen…’
Meteen liet hij zich langs het harde lichaam op het zand glijden. Even laaide opnieuw de angst op toen hij het weke zand onder zijn voeten voelde, maar het volgende moment rende hij langs het water.
‘Hé, wat ga je doen…?’
Hij hoorde het al niet meer. Hij liep snel, met lichte voeten. Zonder moeite ontweek hij mensen, een emmertje, een paar kwallen. Al rennend stelde hij zich voor dat hij op de maan liep. Zijn passen vertraagden en verlengden zich. Zijn voeten raakten het zand nauwelijks: hij vloog bijna.

Sander Kollaard (1961) debuteerde in 2012 met de verhalenbundel Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde. Daarna volgden de roman Stadium IV (2015), de verhalenbundel Levensberichten (2018) en de roman Uit het leven van een hond (2019).

Meer van deze auteur