U bent geen neerlandicus.
Genres zullen u worst zijn,

zoveel heb ik opgemaakt
uit de vreemde hoekige
theologisch onhoudbare
taalgevaartes
uw evangeliën.

Zeldzaam betrouwbaar,
speciaal op het punt van de wonderen.

In mijn taalgebied zou elke beetje prozaïst
ze hebben geschrapt,
om te beginnen uw opstanding
in de gedaante van volmaakt intact
en weergaloos depbaar uw zoon.

Wil dan ook velen
mijn vlees noch vis,
traktaat noch gebed,
gedicht noch bewering,
essay noch psalm.

Zo lang het mij lukt u bijtijds af
te breken en toch uit te sparen
u onvermijdelijk mensvormige ruimte
die u niet inneemt,

zo lang weet ik
op bidden voor eigen intenties na
(en eenvoudig aandachtig leven)
geen eerbaarder omgang
dan deze.

Noem het dansen.

Aanvaard mij, blinde Pacino, als partner,
dans mij onzichtbaar dwars
door het wemelend spiegelziek feest

Uitgerekend tijdens het gedachtestreepje tijd
waarin mijn ene leven zich voltrekken zou
kwamen de geleerden met het leerstuk
van de oerknal en zijn dijende heelal.

Voor de onbevooroordeelde toeschouwer,
die ik niet was,
ik zag niets in de reductie van u
tot hooiberg zonder speld,

moet het een soort verslaving geleken hebben
aan een steeds nodelozer begin
dat, als we diep genoeg het uitspansel
in keken, alsnog zou zijn gezien.

U stond hier buiten
met uw zeven dagen
uw nok vol lampionnen
zon en maan en sterren
uw neuriënd herhaalde ja, is goed.

De Babylonische jood die het neerschreef
heeft u als auteur genoemd.
Hij moet zich de ogen hebben uitgewreven.
Vreemde boel. Zeker vergeleken
bij de omringende kosmogonieën
waarin de ene godheid uit de andere
komt voortgesproten.
Die hadden wel degelijk iets overtuigends.
Ze verklaarden de wereld
uit elkaar verslindende demiurgen
evolutie avant la lettre.

Van u evenwel geen verklaring
eerder het nauwkeurig verslag
van hoe het is
om een drukkende stilte te verbreken
met een binnensmonds liedje dat meezingbaar blijkt.

Om in een plastic zakje met onbekende pitjes
een woud van sequoia’s te zien.

Om uit één rib
de volledige Eva te concluderen, inclusief eisprong.

Om in de tunnel tohoewabohoe
een lichtpunt te onderscheiden.

Om in het bladstille oerbos
te komen op wind en waait waar hij wil

Om nog geen week na het uitblijven van de ongesteldheid
al te dromen van volledig een duimzuigend mens

Om ons te leren
te komen op u,
op het onvoorstelbaar hoe,
debuteerde u met poëzie.

Anders dan bij Jupiter en Darwin
is uw wet niet verkrachting,
zie: Wees Gegroet.

Hoe verder van haar laatste eisprong,
eind vorige eeuw,
des te minder ik haar ken.

Steeds minder vat ook
op de onherroepelijke maandagmiddag
maart negentien achtenzeventig.
meer dan dertig jaar geleden
– ik was niet haar eerste,
we kenden elkaar enkele maanden –
toen zij desgevraagd zei: ja,
van jou met jou wil ik een kind.

Het was raar, dat lidwoord,
hoeveel kinderen gaan er wel niet in een kind,
en wat voor.

Ze had een fietstocht gemaakt alleen,
‘om na te denken’,
en op de Nieuwendammerdijk
een omafiets zien staan
met een zitje aan het stuur,
leeg, dat deed het hem,
zij leefde toen al sterk met tekenen,
al had ze het nog niet over u,
toch had ze u nodig.

Van jou met jou kind.

Uw wet is niet verkrachting,
zij is een woord dat verwekt.

Haar ja was dan ook niets minder
dan een conceptie,
er zij licht,
in die orde van grootheid.

Verwekt werd immers
uit de tohoewabohoe van de begeerte
ik
de vader
een man die voordien niet bestond.

Hoe beter ik mij dit herinner
des te onkenbaarder zij mij is.

Niet op te helderen haar vertrouwen,
ook al word ik met haar nog zo intiem.

Zij is mij onkenbaar op uw wijze,
of op zijn minst van uw aartsengel
toen die zei Wees Gegroet

Toen ik hem van u vertelde
van uw aanhoudend aanhoren
luisterde mijn vader zwijgend
haalde hij zijn schouders op.

Niet uit onverschilligheid
laat staan uit ergernis –
verontschuldigend veeleer.

Zijn zwijgen sinds zijn coma –
rivier die ’s nachts een verdronkene
stroomafwaarts draagt.

Hij werd zo stil
dat toen hij stierf
hij eerder vermist was
dan dood.

Dat u hem verraste met uw bestaan.

Zijn mond open brak
hersens aan zijn lippen sloot

hem aanhoorde zoals ik hem vertelde
dat u mij

hem vrijuit liet zwijgen sindsdien.

Willem Jan Otten (1951) is (toneel)schrijver, dichter, essayist. Hij debuteerde in 1971 als dichter in Hollands Maandblad, in 1974 als essayist in De Revisor en was begin jaren negentig redacteur van Tirade.

Meer van deze auteur