Ooit heb ik in een jaar tijd bijna alle Vestdijks herlezen. Ik deed dat samen met een vrouw met wie ik nu getrouwd zou kunnen zijn. De gedachte dat we iets met elkaar konden krijgen, heb ik in die periode nooit gehad. Pas later groeide het besef dat ik een kans had verspeeld.

Ik ontmoette haar door een advertentie die ik in de krant had gezet: op zk nr iem om vestdyk mee te lzen (allml), man 40+ vriendelyk. Dat laatste betrof mijzelf. Ik kon me voorstellen dat er mensen waren die wel Vestdijk wilden lezen maar geen zin hadden om dat met een man te doen. Ikzelf had van begin af aan ook liever een vrouw.
In weerwil van mijn bedoeling kreeg ik voornamelijk reacties van heren, veelal leraar Nederlands en in leeftijd uiteenlopend van eenenveertig tot achtenzeventig. Iemand schreef: ‘Lieve, aardige mevrouw (of mag ik je al Ina Damman noemen?), graag lees ik met jou voor het slapengaan alle Vestdijks. Krijg ik daar dan veel zoets voor terug?’ Een ander repte over ‘wilde Ierse nachten, die wij niet zonder genot zullen ervaren’. Opvallend was dat het merendeel van de brieven was ondertekend met ‘Anton Wachter’. Twee mannen noemden zichzelf ‘Sint Sebastiaan’.
Nooit eerder had ik in een week tijd meer dan vijftig brieven gekregen. Maar omdat vrijwel iedereen mijn stukje had gelezen als een contactadvertentie, was er haast geen enkele bij waar ik iets mee kon. De brieven van de ‘Anton Wachters’ las ik niet eens.
Uiteindelijk bleven er maar drie brieven over (de brief van Elze kreeg ik pas later). Omdat ik niet wilde dat de andere brieven nog langer in mijn huis lagen, ben ik eerst twee dagen bezig geweest met het afhandelen van die correspondentie. Ik ben belegger, en twee dagen niet naar de beurzen kijken betekent doorgaans veel geld verliezen. Het interesseerde me niet. Beleggen doe ik om in mijn onderhoud te voorzien, niet om er rijk van te worden. Bovendien is het vaker voorgekomen dat ik een hele dag niet keek hoe het met mijn aandelen ging. Meestal kostte dat me geld maar soms verdiende ik er juist door, ook al had ik niets gedaan. Dat laatste stemde me het treurigst, omdat ik begreep dat mijn inspanningen in wezen van geen invloed waren op succes.
Pas toen ik klaar was met het schrijven van de afwijzingen, pakte ik de drie brieven er weer bij. Barbara Grazand, de enige vrouw die overgebleven was, schreef:

beste vriendelijke heer,

ik las uw oproepje in de krant. toen ik uw grappige stukje zag, dacht ik meteen: het lijkt me heel leuk om vestdijk te lezen! mijn vader was leraar nederlands en hij las mij als kind altijd boeken voor. bent u ook leraar nederlands? ik denk dat als we afspreken om het samen te doen (om hoeveel boeken gaat het?) het er ook van komt. als ik voor mezelf een boek lees, lees ik het nooit uit. er is altijd wel iets op tv dat ik wil zien en bovendien luister ik liever muziek. gaan we bij u thuis lezen? dan neem ik wel wat te eten mee. ik werk in een bejaardentehuis tot half 8. daarna kan ik naar u toe komen. ik denk dat ik gezellig ben om mee te lezen.

Twee dagen later kreeg ik alweer een tweede brief:

beste maarten! wat superleuk dat ik een brief van je kreeg. natuurlijk begreep ik dat jij die vriendelijke heer van 40+ bent. ik ben er morgenavond om 8 uur. de kelner en de levenden ga ik straks meteen ergens proberen te kopen. ik neem zelfgemaakte nasi mee, zodat je je niet hoeft uit te sloven in de keuken! tot morgen! barbara

Logisch was geweest om te beginnen bij Vestdijks vroegste werk. Maar als we samen door De kellner zouden komen, dan zou de rest zonder moeite volgen. Dacht ik.

In de periode waar ik het nu over heb, krabbelde ik vaak over mijn rechteroorlel. Er zit daar al zo lang als ik weet een klein bobbeltje met een deukje erin; een foutje van de natuur, net alsof ik een gaatje in mijn oor heb laten maken. Maar ik heb nooit een oorbel gedragen.
De avond dat Barbara kwam, krabde ik er vanwege de zenuwen langdurig aan. Ik voelde het gloeien en bedacht om even voor acht dat mijn oor wel vuurrood zou zijn als ze aanbelde. In de hal, een kleine hal waar twee mensen met moeite kunnen staan, hangt een spiegel op ooghoogte. Ik draaide mijn hoofd naar links zodat ik met mijn neus bijna tegen de binnenkant van de deur aan geleund stond, en probeerde uit mijn ooghoek te zien of mijn oor rood was. Dat was het. Juist toen ik terug naar de kamer wandelde, ging de deurbel.
‘Jij heet helemaal niet Maarten!’ was het eerste wat ze zei. Ik gaf daar geen antwoord op en keek in het stralende gezicht van een meisje dat nog geen vijftien kon zijn.
‘Welkom,’ stotterde ik. In een reflex begon ik weer aan mijn oorlel te krabbelen. ‘Kom binnen.’ Ik wilde de vraag uitstellen maar het ging niet. Ze maakte een plastic zak open en diepte daar twee volle Tupperware-bakjes uit op. Ze keek me nog steeds stralend aan. ‘Hoe oud ben je eigenlijk?’
‘Zeventien!’ Barbara verdween in de keuken. Ik liep haar achterna en had meteen het gevoel dat het huis mijn huis niet meer was. ‘Ik heb nasi meegenomen, zoals ik had beloofd! Waar zijn de borden? Het is echt heel lekker geworden!’ De meeste dingen die ze zei schreeuwde ze. Misschien was ze dat gewend omdat ze in een bejaardentehuis werkte. Of misschien dacht ze dat ik slechthorend was omdat mijn oor er zo raar uitzag. Het was nog steeds rood. Ik zag het in de weerspiegeling van de afzuigkap.

Niet lang daarna zaten we in de woonkamer samen nasi te eten. Het was inderdaad erg lekker. Ook was het geen pijnlijk gesprek, want Barbara praatte bijna voortdurend, waardoor het leek alsof ze me heel nodig allerlei dingen wilde vertellen die ze tot op dat moment had moeten verzwijgen.
Misschien omdat Barbara het gesprek bepaalde, is het die avond geen moment over Vestdijk gegaan. Wel vroeg ze toen we weer bij de deur stonden welk boek we de week erna zouden gaan lezen. Het kan zijn dat het door de plotselinge intimiteit in het gangetje kwam – maar het lukte me niet om een antwoord te formuleren. Ik keek haar alleen maar aan. Pas nadat ze, enigszins op haar hoede, de deur had opengemaakt en met haar voeten op de rand van het gazon stond, antwoordde ik.
‘Wat dacht je van Rumeiland?’ Had ze De kellner en de levenden eigenlijk wel gelezen?
‘Vind ik goed! Leuk idee,’ zei ze tot mijn verbazing. ‘En nog iets anders: zou je me aajébé vijf euro vijftig willen geven voor die nasi? Ik moest best veel boodschappen doen enzo, ook vanwege die stukjes groente.’
Ik gaf haar een tientje.
‘Wisselgeld krijg je volgende week, oké?’
‘Oké!’ riep ik terug.

In de weken daarna werd dat betalen een vast ritueel. Een beetje vervelend was dat de nasi steeds duurder werd. Na een paar weken betaalde ik acht euro negentig en daarbij maakte het geen verschil of ik in de week daarvoor te veel betaald had. Daarom zorgde ik er op den duur voor dat ik, na een slordige schatting op hoeveel het uit zou komen – dat was meestal om en nabij de euro meer dan ik de laatste keer had betaald – gepast geld bij me had. Mijn wisselgeld van de week bewaarde ik voor de donderdagavond. Maar ik voelde me hoe langer hoe meer belazerd. Temeer daar we al die tijd met geen woord over Vestdijk hebben gesproken. Het gezelschap was aangenaam maar werd dat steeds minder, omdat ik me niet meer op mijn gemak voelde. Barbara babbelde aan de lopende band over haar werk op het bejaardentehuis en de ‘patiënten’ die er woonden. Ze noemde die mensen echt patiënten, niet ouderen of bejaarden – oudjes was al respectvoller geweest. Nooit noemde ze de naam van het bejaardentehuis en als ik ernaar probeerde te vragen, denderde ze over mijn woorden heen, om te vertellen over een of andere ‘superlieve oma’ die haar goudvis Wampi noemde. Waarschijnlijk was ze bang dat ik zou nagaan of er daar misschien ook nasi op het menu stond. En als het niet over haar werk ging, dan ging het wel over haar vader, de leraar Nederlands, die haar, ik vreesde het al op de eerste avond, ‘zo waanzinnig aan mij deed denken’ in plaats van andersom.

Na een paar weken, de Anton Wachter-cyclus en nog enkele andere titels verder, had ik er genoeg van. Het was bijna goedkoper om uit eten te gaan op donderdagavond en bovendien kon ik niet met haar over Vestdijk praten. De boeken die ik die weken las, had ik al een keer alleen gelezen, namelijk tussen mijn twaalfde en mijn achttiende. Maar mijn bedoeling was nu juist om leeservaringen te délen met iemand.
‘Barbara,’ zei ik vlak nadat ik veertien twintig in gepaste munt in haar hand had geduwd. ‘Dit was de laatste keer.’ Opnieuw keek ze me stralend aan. Al die tijd heb ik haar niet anders gezien. Alsof niet tot haar doordrong dat iemand in haar bijzijn zich met de minuut ellendiger voelde. ‘Ik wil niet meer dat je komt,’ voegde ik nog toe. Ik begon nu aan mijn linkeroorlel te peuteren, terwijl daar helemaal geen bobbeltje zit. Het stralen van haar gezicht verminderde niet. Ze stond weer op mijn grasveld. Het was misschien wel lente toen. Of zomer. In ieder geval regende het niet, want regen zou ik me herinnerd hebben. Het leek alsof ze over mijn schouder in mijn spiegel naar zichzelf stond te kijken.
Toen, terwijl ik me afvroeg wat ik nog meer zou moeten zeggen, antwoordde ze: ‘Oké!’ Ik moest denken aan wat ze die eerste avond in mijn huis geschreeuwd had: ‘Wisselgeld krijg je volgende week, oké?’ Er had nog nooit iemand ‘oké!’ in mijn huis geroepen. Ikzelf had het in ieder geval nooit gezegd voordat Barbara in mijn leven kwam. Ik heb haar na die laatste avond nooit meer gezien.

Pas later kwam in me op dat het hele verhaal over haar vader waarschijnlijk verzonnen was. Het maakte Barbara in mijn ogen definitief tot een bedriegster en ik nam me voor voorzichtiger te zijn met het uitnodigen van mensen. De avond dat ik haar voor het laatst gezien had, was ik door de hal teruggelopen naar de woonkamer. Tegen de muur, vlak naast de plek waar we onze nasi aten, staat de boekenkast. Op de onderste twee planken staan romans van verschillende schrijvers, boeken die ik na hun dood van mijn ouders heb overgenomen. De planken erboven waren gevuld met vrijwel het complete oeuvre van Vestdijk, op een paar bibliofiele edities na waarin ik niet was geïnteresseerd. Ik dacht: zoiets kan iemand niet ontgaan. Maar Barbara was het ontgaan. Zoals ze ook geen enkele opmerking had gemaakt over de tekeningen aan de muur: schetsen van naakten, die ik gemaakt heb toen ik nog op school zat. Waarschijnlijk was ik voor haar niet meer dan een van haar bejaarden. Een inwisselbare patiënt. Ik was toen vijfenveertig.

De weken na het afscheid van Barbara heb ik geprobeerd aan andere dingen te denken. Overdag bekeek ik de beurzen, deed boodschappen en ’s avonds keek ik tv of speelde schaak op de computer. De donderdagavond werd weer een avond zoals alle andere en ik keek geen boek van Vestdijk meer in. Dat deed ik de weken daarvoor eigenlijk ook al niet meer, maar toen werd de schijn van het lezen nog opgehouden. Ik noemde de titel van een roman en deed de week daarop hetzelfde. Ik wist dat Barbara er toch niet over zou beginnen.
Ondertussen lagen er nog steeds twee brieven op het tafeltje naast de bank. Een van de brieven waar ik nog niet op had gereageerd, was van Frans Huppelschoten, maar die had via de krant laten weten dat hij geen interesse meer had in een ontmoeting. In plaats daarvan kreeg ik een nieuwe brief, van Elze. Ik belde haar meteen op.
Eerst hoorde ik alleen maar muziek. Het geluid schalde door een kamer. Daarna blèrde er een stem in de hoorn waarvan ik had gehoopt dat ik die nooit meer zou horen. Hoewel ze haar naam niet zei, herkende ik de stem onmiddellijk.
‘Hallo? Wie is daar?’
En toen: ‘Ik hang op, oké?’ En ze hing op. Ik had geen woord gezegd.

Ik was perplex. Voelde me misselijk worden en probeerde mijn rechteroorlel eraf te trekken. Meteen daarna ging de telefoon over. Elze.
‘Met wie spreek ik?’
Omdat ik niet antwoordde, noemde ze haar eigen naam. Het gevoel in de maling te worden genomen is een van de akeligste gevoelens die ik ken. Ik had weinig zin om terug te praten maar deed dat toch, al was het maar om erachter te komen wat er gaande was.
‘U heeft me een brief gestuurd…’
‘U bent Maarten Ruiters?’ vroeg ze.
‘Ik ben Maarten Ruiters,’ herhaalde ik.
‘Belde u om een afspraak te maken?’
‘Ik bel omdat ik een brief van u heb gekregen.’
Daar reageerde ze niet op. In de kamer waar ze telefoneerde, was het stil. Ik luisterde geconcentreerd als om erachter te komen of de muziek misschien toch op de achtergrond te horen was. Maar ik hoorde alleen haar ademen en het tikken van de klok in mijn kamer.
‘Belt u om een afspraak te maken?’ vroeg ze weer.
‘Ik weet niet wat uw bedoeling is?’
Waarop zij riposteerde: ‘En ik weet niet wat ú bedoelt?’
‘Was dat uw dochter die ik net aan de lijn kreeg?’
‘Waarom vraagt u dat?’
‘Ik ken haar.’
‘Hoe kent u haar dan?’
‘Weet u dat niet?’
En zo modderde het gesprek voort. Op iedere vraag die ik stelde, antwoordde ze met een wedervraag en dat deed ze zo consequent dat ik na verloop van tijd het idee kreeg dat ze écht van niets wist. Uiteindelijk hebben we zelfs een afspraak gemaakt. Waarschijnlijk deed ik dat, omdat mijn verlangen naar een verbinding sterker was dan de angst om belazerd te worden.

Die eerste avond dat ze bij mij was, probeerde ik erachter te komen waarom ik eerst de dochter en daarna de moeder op bezoek kreeg. Ik hield nog altijd rekening met een grote grap ten koste van mij. Elze was zich van geen kwaad bewust. Maar dat begreep ik pas later.
Ze was ingetogener dan ik me haar had voorgesteld naar aanleiding van ons telefoongesprek. Een bang konijntje, dacht ik toen ze voor de eerste keer met gebogen rug mijn kamer binnenliep. Ze keek me bijna nooit recht in de ogen. Vaak keek ze over mijn schouder, alsof er achter mij iemand anders was tegen wie ze praatte.
Ze wilde niet aan tafel zitten. In plaats daarvan zat ze op de bank onder de klok, waarnaast op een tafeltje de telefoon staat. Ik was in mijn zenuwachtigheid naar de computer gelopen om met een klik op de muis te bekijken hoe het met mijn aandelen stond. Daarna schoof ik een stoel bij en ging tegenover haar zitten. ‘Dus u heeft geen eten meegenomen?’ vroeg ik.

Aan het einde van de avond zat ik alleen in mijn kamer, op dezelfde plek als waar Elze had gezeten. Met mijn trui poetste ik mijn bril en voelde me ellendig. Ik had mezelf voor gek gezet door haar aan het begin van de avond allerlei vragen te stellen over haar dochter. Toen ik er eenmaal achter kwam dat ze geen kwaad in de zin had, besefte ik op hetzelfde moment hoe raar mijn gedrag voor haar moest zijn. Ik probeerde te redden wat er te redden viel. Dat lukte een beetje, beslist niet helemaal. Het laatste half uur werd het pas enigszins gezellig. Elze vertelde dat ze mijn advertentie had uitgeknipt en opgehangen op het prikbord bij haar in de keuken. Ze was hem eigenlijk alweer vergeten, totdat Barbara op een avond Rumeiland uit de kast had getrokken.

Vier dagen later belde ik haar op. Gelukkig kreeg ik Barbara niet aan de lijn.
‘Je hebt geluk,’ zei ze, ‘normaal gesproken ben ik overdag nooit thuis.’
‘O.’
‘Normale mensen werken dan,’ zei ze, wat ik geestig vond en tegelijkertijd een beetje pijnlijk; ik werkte ook wel overdag maar dat deed ik gewoon thuis. Zij suggereerde dat normale mensen niet thuis werkten.
‘Wat doet u voor werk als ik vragen mag?’
‘Moeten we elkaar niet inmiddels tutoyeren?’ vroeg zij. Ik moest denken aan ons vorige telefoongesprek toen we ook iedere vraag beantwoordden met een wedervraag. Voor ik iets kon terugzeggen, vertelde ze dat ze accountant was. ‘En jij?’
‘Ik beleg,’ antwoordde ik. ‘Ik ben particulier belegger.’ Dat had ik al een tijd lang aan niemand verteld.
‘Dat vind ik niets voor jou,’ zei ze nadat het een tijdje stil was geweest.
Ik ging met de hoorn over het bobbeltje op mijn oorlel. ‘Ach,’ zei ik met een blik op mijn computer, ‘iedereen belegt tegenwoordig. Een belangrijk voordeel is dat je er de deur niet voor uit hoeft.’
‘Ja, ja, daar kan ik me wel iets bij voorstellen,’ zei ze. Ik vroeg of ze het leuk zou vinden om nog eens af te spreken. ‘Zou u het leuk vinden om…’ zei ik per ongeluk. We spraken af om allebei Het genadeschot te gaan lezen.

Elze kwam sindsdien iedere vrijdagavond. Slechts bij uitzondering zegde ze af. Iedere week lazen we een boek. Op Het genadeschot volgde Een huisbewaarder, de weken daarna lazen we De filosoof en de sluipmoordenaar, De vijf roeiers, Een alpenroman en nog maar weer eens Terug tot Ina Damman en Surrogaten voor Murk Tuinstra. Van het praten met Elze over de boeken die we gelezen hadden, werd ik rustiger. Voor het herlezen gold dat het soms zo mogelijk een intensere ervaring was dan toen ik die boeken op mijn twaalfde voor het eerst had opengeslagen.
Het werd steeds vanzelfsprekender dat ze langskwam. Ik heb haar nooit iets gezegd over de geschiedenis met Barbara. Zij heeft er ondanks die eerste avond nooit naar geïnformeerd. Uit wat Elze over haar vertelde, begreep ik dat er altijd moeilijkheden waren. Barbara was niet in het gareel te houden, ze was een keer voor de politierechter verschenen omdat ze een van de bejaarden had bestolen.
Dat Elze weduwe was, wist ik pas na verloop van tijd. Ze ging nog iedere zaterdag naar het graf. Afgezien van de avond dat ze het vertelde, hebben we nooit over hem gepraat, al dacht ik er bij ieder vertrek aan dat ze een dag later voor zijn steen zou staan.
We groeiden naar elkaar toe, geloof ik. Na enkele weken waren we elkaar gedag gaan zoenen bij de deur en na zeventien weken en vijftien romans legde ze op hetzelfde moment een hand op mijn schouder. Als ze vervolgens de tuin uit liep, over het grind en vervolgens langs de heg over de stoep in de richting van haar huis, bleef ik in de deuropening staan tot ze uit beeld was. Wanneer ze zich omdraaide, stak ik mijn hand in de lucht. Daarna was er niets dan de stilte in de tuin en soms het blaffen van de hond in het huis van de buurvrouw.

De avond waarop het allemaal is misgegaan, bespraken we Bevrijdingsfeest. Overdag had ik geld verloren, bij benadering het bedrag dat ik sinds de maandag ervoor verdiend had. Toen Elze aanbelde en ik nog even voor de spiegel stond om te kijken hoe ik eruitzag, realiseerde ik me voor het eerst dat het niet vanzelfsprekend was dat een alleenstaande vrouw wekelijks bij een man op bezoek gaat. Ik had geen tijd om daar lang bij stil te staan, maar het inzicht liet me de avond niet los. Bevrijdingsfeest was het zesenveertigste boek dat we lazen. Voor het eerst hadden we moeite om het gesprek gaande te houden. De vier uur per week die Elze bij me was, vulden we normaliter probleemloos met de bespreking van het boek dat we gelezen hadden. Dat het die avond zo moeizaam verliep, lag aan mij. Daar ben ik inmiddels heel zeker van.
De roman was me in de week ervoor gaan tegenstaan. Met moeite had ik hem op vrijdagmiddag uit gekregen. Tijdens de naar later bleek laatste avond dat Elze bij mij thuis is geweest, zwegen we meer dan normaal en ik zat voortdurend zenuwachtig aan mijn oorlel te krabben. Elze probeerde de stiltes op te heffen door over andere dingen te beginnen. Het was voor het eerst dat ze vragen stelde over mijn jeugd.
‘Wat wil je precies weten?’ vroeg ik.
‘Gewoon,’ antwoordde ze (toen nog) vrolijk, ‘had je broertjes of zusjes, zat je op een leuke school, wie waren je vriendjes?’
Ik had hier geen enkele zin in. We hadden het tot dat moment al wekenlang gezellig gehad, volgens mij juist omdat we praatten over wat we allebei interessant vonden, en zonder dat we alles over elkaar wilden weten. ‘Ik was enig kind,’ loog ik zonder te beseffen dat ik loog. ‘En ik had één vriendje, dat ik voordat we vrienden werden eerst in elkaar geslagen heb. Andere vrienden had ik niet en als ik uit school kwam, tekende ik.’ Ik wees naar de tekeningen aan de muur. Elze reageerde niet. Ze fronste haar wenkbrauwen. Terwijl ik steeds zenuwachtiger werd, begon ik te ratelen. ‘Later verving ik het tekenen door sporten. Eerst bokspringen en kaatsen, daarna voetbal. Op de middelbare school werd ik voor het eerst echt verliefd…’
Ik hield op, omdat Elze plotseling was opgestaan. Ze keek me neerbuigend aan en verdween naar de wc. Toen ze even later terugkwam, zat ik onderuitgezakt in mijn stoel. Ik had allebei mijn oorlellen beet en begreep dat ik er als een idioot bij zat.
‘Maarten,’ begon ze, ‘Maarten Ruiters. Heb jij in de gaten dat ik je al sinds de tweede keer dat ik hier binnenkwam niet meer zo genoemd heb? Dat boek dat je mij geleend hebt, Een huisbewaarder, daar had je ook “Maarten Ruiters” in geschreven. Waarom deed je dat?’
Ik antwoordde niet. Ik wilde dat ze wegging.
‘Waarom deed je dat?’ vroeg ze nog eens. ‘En waarom vertel je me zojuist een romancyclus na, als ik gewoon belangstelling toon? We hebben die boeken nota bene samen gelezen.’
Ik begon haar aanwezigheid in de kamer verschrikkelijk te vinden. ‘Omdat ik niet wilde dat je vergat dat het boek van mij was,’ antwoordde ik. Het was geen antwoord op haar laatste vraag, maar op haar eerste. Of eigenlijk was het daar ook geen antwoord op. Elze verdween weer naar de gang. Ze kwam terug met haar jas aan.
‘Waar maak je je eigenlijk druk om? Fred Bardewijk, Gerard Raven, Bart van der Leeuw: die mensen bestaan waarschijnlijk óók. Dat is toch geen reden om…’
Omdat ik haar onbewogen aankeek, maakte ze haar zin niet af. Ik zat nog altijd onderuitgezakt op mijn stoel met mijn handen aan mijn oren. Elze keek naar me alsof ik een patiënt was. Sinds ik het me kan herinneren hebben mensen me zo bekeken. En dat was niet eens altijd omdat ik met mijn handen aan mijn oren zat.

Toen ze de voordeur opende, droeg de wind de geur van houtrook naar binnen. Ik keek haar verslagen aan.
‘Waarom doe je dit eigenlijk allemaal?’ vroeg ze.
Terwijl ik me voornam om nóóit meer aan mijn oorlel te krabben, krabde ik eraan. ‘Uit liefde voor Vestdijk,’ antwoordde ik zonder kracht in mijn stem. Hoe moest ik uitleggen dat het lezen van Vestdijk toen ik zestien was mijn redding had betekend. Dat mijn leven door die middagen zin had gekregen. Dat ze bovendien het begin van mijn isolement markeerden.
Ze keek me ongelovig aan en draaide zich definitief van me af. Ik keek haar niet na maar staarde naar het koperen naamplaatje naast de deur. Ik heb haar nooit meer gezien.

Toen ik een jaar later mijn huis opruimde, kwam ik de brief tegen die ik toen alweer twee jaar eerder opzij had gelegd maar waar ik nooit op had gereageerd. Omdat ik niet wilde dat Elze de laatste persoon was met wie ik Vestdijk had gelezen, besloot ik dezelfde middag een briefje terug te schrijven. Bovendien was ik met Elze tot de zesenveertig gekomen, wat betekende dat er nog zes boeken van Vestdijk in mijn kast stonden die ik niet kort geleden gelezen had en waarover ik nog met niemand had gesproken. En dan rekende ik zijn essaybundels niet eens mee. Achteraf ben ik blij dat ik het gedaan heb. Want hoewel mijn reactie leidde tot de grootste vernedering die ik naar aanleiding van mijn advertentie ervaren heb, was het de laatste duw die ik nodig had om tot een definitief besluit te komen.
Ik sloot mijn briefje aan een zekere John Schult af met mijn initialen, mijn echte: S.W. Twee dagen later kreeg ik al een enthousiast, zij het verbaasd bericht terug. Hij wilde dezelfde avond langskomen. ‘Zonder tegenbericht kom ik,’ schreef hij. Ik vroeg me af hoe ik hem dezelfde dag nog kon laten weten dat het niet kon, gesteld dat het niet kon, want een telefoonnummer stond er niet bij. Maar toevallig had ik die avond niets te doen. Het enig mogelijke obstakel was dat hij dacht dat ik een vrouw was. Zichzelf omschreef hij als een vriendelijke heer van boven de veertig.
Toen er om zeven uur werd aangebeld, dacht ik met enige weemoed aan Elze, die bijna een jaar lang wekelijks op hetzelfde tijdstip had aangebeld. Al op het moment dat ik de deur opende, begreep ik dat hij niet zou binnenkomen. Hij droeg een overhemd, waarvan de bovenste drie knopen openstonden, en hij rook indringend naar muskus.
‘Ik dacht…’ zei hij. Hij sprak met een Duits accent.
‘Het spijt me,’ zei ik.
Even later draaide hij zich om en liep de tuin uit, net zoals Elze en Barbara hadden gedaan.

Toen John Schult uit het zicht verdwenen was, liep ik naar binnen zonder de deur dicht te doen. Even later droeg ik één voor één vier loodzware vuilniszakken naar buiten. Ik ging door mijn rug terwijl ik de laatste zak op de stoep zette. Ik had daardoor een reden om meteen naar bed te kunnen gaan.
De volgende ochtend zag ik dat zwervers alle vuilniszakken in de straat hadden opengescheurd. Het was alsof een metersgrote rat zijn spoor had achtergelaten. Ik bekeek de opengescheurde zakken voor mijn eigen huis. Mijn boeken lagen tussen het afval van de buren. De vijf roeiers lag naast een hoopje uitgeperste sinaasappels en een lege zak hondenvoer. Er was verder niemand op straat.

Merijn de Boer (1982) is schrijver en was bijna tien jaar redacteur van Uitgeverij Van Oorschot. Hij schreef twee romans en twee verhalenbundels. De geur van miljoenen verscheen in 2018 en werd genomineerd voor de BNG Literatuurprijs. Hij woonde tot voor kort in New York, om de hoek bij Amber en Sebastian.

Meer van deze auteur