O, ik heb een dodenlijst om in het nu te leven.
Boeken waarin hulp aan mijn zelf
wordt geboden lopen te stapel als koeien
op mijn elegante zijtafel uit een es.

Ik haal als een verzamelaar zijn netsukes
de namen overal vandaan, ze bevolken het huis
soms doorgehaald uit genot of dubbel genoteerd.
Daar praat je niet over, dat doe je gewoon
uitputtend en het put uit, daarom maak ik

op voorschrift van een voodoopriesteres
met wijwater mijn slaapkamer zindelijk, het geeft
geen pas me ’s nachts in horror te wekken
en in plaats van het jagende spinzwart
raast nu een biljartbal licht op me af die tegen
alle muren ketst.

Ik heb zorgen gebaard, misschien minder
dan de meesten, misschien gruwelijker dan
enkelen, no worries, ik sta op de lijst om te zien
hoe levend ik ben tussen de levenden.
De letters van mijn apennaam kan ik simpel
omzetten naar mijn geboorteprentje, toch
is geld voor een idee zoveel geld, de vergissing
vaderlijk en ik denk dat ik van apen houd.

In de opgetaste boeken veel over hun brein
niks over namen, maar sinds gisteravond liggen
ze voor dood onder mijn bleke tafel, een engel
bij de Krijtberg wist dat ik behalve in mijn
lichaam in dat van een ander leef, geboren
aan een rivier in een klein land, net als ikzelf
misschien Gambia.

We stonden onder de maan waaraan alle
wateren hangen, de engel droeg geen vleugels.
Natuurlijk zou hij op een keer komen, zo staat
ook onherbergzaam vast dat mijn engelachtigheid
in één seizoen verdonkert en mijn borsten doven
gelijk met die van die ander.
Ik had me wel op zijn vleugels verheugd.

Ik speel het liefst met Europeanen, de vriendin
uit Gambia ontbreekt, een jonge weduwe
die niemand kent die zo op mij lijkt.
Anderen lachen om haar koosnaam Fanta, ik lach
al genoeg zonder reden, zoals de modernisten
in hun boeken iemand of zichzelf ombrengen, out
of the blue.

Toen verbrandde ik de dodenlijst in een schoteltje
met gewassen bloemen, want ik herinnerde
me hoe we zijn gekomen om te sterven, denk
maar aan de heiland.
Toen strekte de dubbelgangster zich in mij uit.
Ik was compleet gelukkig, en ik besefte, ik ben
een groot dichteres nu.

(Met een knipoog naar Kees Ouwens’ gedicht ‘Een groot schrijver’.)

Sasja Janssen (1968) is schrijver en dichter en geeft les in schrijven op de Schrijversvakschool Amsterdam, Crea en de HKU. Ze publiceerde de romans De kamerling en Teresa zegt. Daarna volgden vier poëziebundels: Papaver, Wie wij schuilen, Ik trek mijn species aan (nominatie VSB Poëzieprijs) en Happy. ‘Hoe moet ik leven?’ is het thema in haar werk.

Meer van deze auteur