Voor een econoom is een model een vereenvoudigde weergave van een deel van de werkelijkheid. // Dat economisch model is vaak ook een aantal wiskundige vergelijkingen en daarvoor zijn ook weer een aantal veronderstellingen nodig.

Het ontbreekt de economische wetenschap aan tact. Dat zegt de Belgische wetenschapsfilosoof Isabelle Stengers, in de loop van haar epische studie naar de werkwijzen van uiteenlopende wetenschappelijke disciplines, Cosmopolitics. Onder ‘tact’ verstaat zij een zeker geduld, nodig voor de kunst van het opstellen van modellen. Zo kun je de ontwikkeling van amoebes in een experiment beschrijven in een stelsel van negen vergelijkingen met negen onbekenden, maar die zul je steeds moeten aanpassen aan wat de amoebes ook echt doen. Economie zou er juist toe neigen werkelijke condities te negeren: ‘Why not have the model hypothesize, for instance, that unemployed workers “disappear” from the market if that is a condition for a theorem? The economist requires, with a unilateral brutality that is the opposite of tact, that the modeled situation give her the right to publish a theorem’.

Wat is de vraag die je model je niet toelaat te stellen?

Op de middelbare school snapte ik het vak economie maar matig. Op opgaven moest je antwoorden met reeksen van ‘als… dan…‘-constructies: als de rente dit, dan de beleggers zo, dan de handel zus, dan de prijzen dat. De causale ketens klonken vaak volkomen willekeurig. Er zou, leek me, ook nog zoveel anders kunnen gebeuren. Een andere ‘als… dan…‘-keten, met alle termen in een andere volgorde, klonk meestal even plausibel.

Maar op een dag leerde ik de verkeersvergelijking van Fisher. MV = PT. De geldhoeveelheid keer de omloopsnelheid van de gemiddelde euro is gelijk aan de gemiddelde prijs keer het aantal transacties. Als bijvoorbeeld de omloopsnelheid gelijk blijft en de geldhoeveelheid toeneemt, dan moeten ofwel de prijzen ofwel de intensiteit van de handel stijgen. Prachtig, helder, wiskundig, tijdloos. Dit kon ik volgen.

Alleen zit er een adder onder het gras, juist in de tijdloze retoriek van de vergelijking. De elegante formule heeft het uiterlijk van een natuurkundige wet, zoals een hamiltoniaans systeem waarvan één grootse formule beschrijft hoe lichamen zich ten opzichte van elkaar bewegen, en die toekomst en verleden berekenbaar maakt. Zo’n formule vertelt je alles over het systeem op elk tijdstip t – elk moment van duur nul, elk moment zonder tijd. Fishers vergelijking ziet er ook zo uit. Alleen, wat ze beschrijft betreft nooit een tijd_stip_ – het is eigenlijk een boekhoudkundige betrekking, die alleen over een tijds_verloop_ geldt, een boekjaar, bijvoorbeeld.

De vergelijkingsvorm elimineert de tijd. Maar bestaat economie niet vooral uit afspraken, contracten, kredieten, futures – uit lopende tijd?

Denk je dat je snelle beslissingen met langzame kunt oefenen of met die waarover je eerder dacht dat je ze nog niet mocht nemen? // Zeg het eerste wat je invalt, zeggen ze tegen je.

Stengers omschrijft het dilemma van een economische wetenschap als volgt: ‘Equations are written expressing the consequences of rules, norms, laws, or conventions which, the model claims, “explain” the evolution of social or economic situations. But these rules, norms, laws, and conventions vary over time, and the model would only make sense if this variation were noticeably slower than the evolution the model is supposed to explain. Which, in general, is not the case. If the time scales are comparable, the model is worthless.’

Kan de econoom ooit zo snel bewegen, dat zij de verandering van het systeem, waarvan zij de wetten moet opstellen, kan bijhouden? Dit is een probleem, en des te prangender omdat de uiteenlopende economische wetenschappen directe invloed hebben op bestuur, beleid, zelfs op de vaststelling van prijzen – en zo de veranderingen die zij bestuderen zelf mee vormgeven.

Economie is de wetenschap die misschien wel het meest schreeuwt om gedachte-experimenten, maar je doet ze bijna nooit of niet openlijk.

De gedichten in de zeer dikke bundel Van groot belang van dichter, schrijver en econoom Nachoem Wijnberg denken na over problemen van de echte wereld. Beleidsproblemen, beslissingsproblemen, problemen van staatsinrichting, economische problemen. Misschien is de enige dichtbundel die ik ermee kan vergelijken Gorters De Arbeidersraad, als poëtische theorievorming voor politiek. Maar anders dan Gorter werkt Wijnberg geen specifiek programma uit, maar laat de gedichten voorstel na voorstel doen, voor nieuwe staten, stemprocedures, belastingstelsels, marktregels, beleggingsstrategieën, het voeren van oorlog. Sommige worden diepgravend uitgewerkt, andere snel weer ingewisseld voor nieuwe. Sommige lijken reëel, andere op het eerste gezicht volstrekt onhaalbaar of bijna absurd. Ze gaan in op de bezetting van Irak, de Griekse schuldencrisis, het zionisme en de Palestijnen, maar ook op de Franse Revolutie, de veldtochten van Napoleon, de algemene staking, en de komst van het christendom naar IJsland. Op schoonheid, eer, en liefde. En op wetenschappelijke kwesties, zoals de vraag wat een probleem is, wat een model is, wat theorie is.

Speltheorie helpt niet een oplossing te vinden, het is hoogstens een manier om te zien hoe problemen met elkaar vergeleken kunnen worden, dus hoort het bij de vergelijkende methode

In een interview in NRC afgelopen zomer noemde Wijnberg literatuur een kennisinstrument, en hij stelde: ‘Als je een krantenartikel kunt lezen, kun je mijn poëzie lezen’, daarmee minstens suggererend dat zijn gedichten over de wereld gaan, zoals de krant over de wereld gaat. Of ook dat problemen in de krant, problemen in de wetenschap en problemen in de poëzie vergelijkbaar zijn.

Tegelijk zijn Wijnbergs gedichten ongrijpbaar. Ze spreken vaak in algemene termen (over een ‘koning’, een ‘stad’, een ‘wet’) en zingen zich zo los van context, zoals ze ook steeds van probleem naar probleem schakelen, van tijd naar tijd, van variant naar variant. Telkens als je het probleem van een gedicht denkt te vatten verschuift de focus. Maar wat, in poëzie, is eigenlijk een probleem?

‘Het gedicht is voor mij niet een aardige of elegante manier om een mening uit te dragen, maar een nadenken over iets,’ zegt Wijnberg. ‘Dat komt soms ergens uit en geeft dat proces ook aan.’ Inderdaad schrijft hij een denkende poëzie, die leest als het proces van een dichter terwijl die dicht. Het gedicht is geen klip-en-klare theorie van wat het wil beschrijven, maar een tasten naar wetmatigheden die lijken te veranderen terwijl je ze beschrijft.

Wat het gedicht bewaart is die tastende beweging.

Tot speltheorie uitgevonden werd ging het zo: als je iets wilde zeggen over een volgende oorlog bestudeerde je de geschiedenis, zoals een advocaat die wil kunnen zeggen of een zaak kans heeft. // Na die uitvinding begin je met een voorstel over welke beslissingen welke toekomstige beslissingen onmogelijk maken en welke daarvan je later nog kan herroepen.

Veel van Wijnbergs gedichten gaan over beslissers: generaals, koningen, beleggers. De beslissers hebben tijd nodig die ze niet altijd krijgen, maar het beslissen maakt ook tijd, het heeft gevolgen voor hoe de dingen zich ontwikkelen, welke latere beslissingen mogelijk zijn. Tijd bestaat uit dynamische ketens van beslissingen.

Het gedicht ‘De managers van de wereld’ mediteert over uiteenlopende demonen, en hoe die verleden en toekomst verbinden, zoals de alwetende demon van Laplace de toekomst geheel uit het heden kan berekenen. De demon van Maxwell houdt de toename van de entropie tegen, door snelle gasdeeltjes kunstmatig te scheiden van langzame; Walras stelde zich een ideale veilingmeester-demon voor, die geïdealiseerde markten subiet onderwerpt aan de juiste evenwichtsprijzen. De geestigste demon is die van Keynes, die ‘elke dag rapporten / over jou ontvangt, / maar hij heeft geen tijd om ze allemaal te lezen / of hij heeft liever een halfuur rust’. Geef de wereld zulke demonen van het uitstel, dan krijgen we misschien tijd.

Een debat overdoen, een / beslissing overdoen, // we kunnen toch wel iets overdoen, / vandaag.

De gedichten zoeken naar tijd, door onophoudelijk alternatieven te overwegen. Zo ontglippen de gedichten aan de dwang van het ene, allesbeslissende moment. In plaats van tijdstippen creëert deze poëzie intervallen: tussen beslissingen en mogelijke gevolgen, tussen het ene pad dat je kunt nemen en het andere. Determinisme wordt omzeild.

‘Als dit, dan kun je dat’: dit type constructie is bij Wijnberg alomtegenwoordig. Wiskundige bewijzen (in tegenstelling tot wetten of formules) beginnen vaak met ‘Stel:…’ – en ook veel regels van Wijnberg beginnen zo. Wat wordt er mogelijk, nadat je een aanname hebt gedaan? Eerst dit, dan dat heette een eerdere bundel – het is een spel van oorzaak en gevolg, waarbij de tijd niet geëlimineerd wordt in een alles afdekkende formule, maar het interval tussen oorzaak en gevolg juist wordt uitgesproken, wordt geopend, wat resonanties mogelijk maakt.

In hun onophoudelijke spel met hypotheses en wat ze openen ademen de gedichten in de tijd, van oorzaak naar gevolg en weer terug. Niets lijkt te gebeuren in de echte tijd, alles gebeurt in een hypothetische tijd van mogelijkheid en variatie, elke hypothese vult andere aan.

Denk nu over de staat als een model en de hoogste wetten als de axioma’s die dat model waarmaken. // Zou je je een staat kunnen voorstellen met enkel het axioma dat als dit of dat niet onrechtvaardig is, niets onrechtvaardig is?

Gilles Deleuze en Félix Guattari – belangrijke inspiratiebronnen van Stengers – zagen in de twee delen van hun Kapitalisme en schizofrenie het kapitalisme als een historische kracht die overal stromen vrijmaakt, van goederen, mensen en geld, maar ze tegelijk vangt in één axiomatiek – de wereldmarkt. Staten, met hun verschillende staatsvormen, waren voor hen niets dan lokale modellen van deze axiomatiek. Een staat is een variatie. Communistisch, liberaal, fascistisch, democratisch, dictatoriaal. Met soms wat extra axioma’s (vakbonden, uitkeringen, markttoezicht, burgerrechten); soms wat minder (de rechts-libertaire droom: alles onderwerpen aan dat ene axioma, kapitaal).

Nu heeft het kapitalisme een ‘schizofrene’ tendens. Dat wil zeggen: door onophoudelijk mensen en goederen in beweging te zetten en door over staatsgrenzen heen te stromen breekt het identiteiten af. ‘Alles Ständische und Stehende verdampft, alles Heilige wird entweiht,’ zegt het Communistisch Manifest. Maar het schizoïde kapitalisme is ook een onophoudelijke creatie van variaties, van nieuwe axiomatische stelsels. De wereldmarkt verandert en staten passen zich aan, ze voegen axioma’s toe, laten er varen, veranderen van systeem. Moderne staten als de experimenten van het kapitalisme.

Zo hebben de gedichten in Van groot belang ook veel weg van experimenten: voeg een hypothese of axioma toe, en kijk wat er gebeurt. Wat voor staat levert dit op?

En als de bedoelingen van de huidige wetgever niet meer dezelfde zijn als toen de wet opgeschreven werd, is die dan niet meer geldig? // En als de betekenissen van de woorden in de wet of de bedoelingen niet meer dezelfde zijn? // Dat is toch ook zo in gedichten en, als ze goed zijn, blijven ze langer geldig dan andere teksten.

De titel, Van groot belang, is ironisch, maar niet in de zin dat Wijnberg het eigenlijk niet zo bedoelt. Ik denk dat hij het juist wel zo bedoelt, tegen beter weten in. De wereld hecht geen belang aan poëzie, maar dat is geen probleem van de poëzie, maar van de wereld. Dus praten de gedichten van Wijnberg over dingen die de wereld belangrijk acht, schijnbaar met de wereld mee – maar ze praten belangrijker. Dit is een socratische ironie.

Je weet toch hoe zeldzaam het is / om burger gemaakt te worden / in de stad van de ideeën

Denken over marktwerking en staatkunde geldt niet als poëtisch – maar waarom eigenlijk niet? Misschien omdat er een spanning zit tussen het poëtisch schone, als tekst die langere tijd ‘geldig’ kan blijven, en de geschiedenis met haar vuile handen.

Wijnbergs oplossing ligt vaak in het abstraheren. Concrete historische omstandigheden worden in zeer algemene termen geschetst, vaak blijven hoogstens eigennamen bewaard. De grote mannen van de geschiedenis zoals Napoleon of Socrates – Wijnbergs wereld is opvallend masculien – worden daarmee een soort zwevende vectoren, hypothetische figuren die steeds opnieuw mee kunnen doen in de dans van de oorzakelijke ketens.

Voordat er een koning is / is er een koning voor één dag, / omdat dat eerst voor één dag / uitgeprobeerd wordt.

‘Maar ook wat ik rechttoe rechtaan beweer, méén ik,’ zegt Wijnberg in het interview. Als hij ‘belasting’ schrijft, dan bedoelt hij ook ‘belasting’: van verborgen betekenissen is geen sprake. Maar wat is eigenlijk de betekenis van een woord in deze poëzie van veranderlijke contexten? Als er ‘koning’ staat, dan bedoelt Wijnberg natuurlijk een koning. Maar het kan om vele koningen gaan. Er zijn gedichten die wijzen op de oudtestamentische koningen, of op Romeinse koningen of Europese, of de koningen van het toneel die historische koningen herhalen, tot vector maken, de beweging bewaren van hun tasten in de dagen van hun macht.

Juist omdat Wijnberg alles meent wat hij zegt heeft hij het hypothetische nodig, soms op de rand van vrijblijvendheid. Dat is geen tekort van deze poëzie, hoogstens een risico. De voorlopigheid van de gemaakte claims behoedt het gedicht voor te snelle afsluiting, al te snelle plaatsing binnen een geschiedenis. Ik denk dat dit is wat veel lezers als mysterieus ervaren. Maar het is misschien vooral een vorm van zelfverdediging.

Je mag een beetje winst maken als je twee markten met elkaar verbindt, zoals wanneer je ergens bent en je een andere plaats herinnert.

Wijnberg meent alles wat hij zegt, maar schiet van geschiedenis naar geschiedenis. De betekenissen van de woorden liggen vast, maar niet in een context – juist in de manier waarop ze van context naar context veranderen, in hun manier van variëren. De woorden resoneren in de intervallen die geopend worden door de steeds veranderende hypotheses.

Bundels van Wijnberg hebben vaak iets weg van archipels, waar een levendige handel plaatsvindt. Een bundel focust op een aantal thema’s, motieven, historische referenties, vormprincipes, en varieert van gedicht tot gedicht op de mogelijkheden die al dit materiaal biedt. In Van groot belang is elk gedicht een revolutionaire nieuwe staat, een experimentele ruimte met eigen axioma’s, waarin steeds dezelfde woorden en uitgangspunten zich anders ontvouwen. Die worden een soort handelsreizigers tussen de gedichten. Je wist misschien al wat een koning is voor je begon te lezen, maar door de tocht van de koning tussen de gedichten te volgen, leer je de koning beter en beter kennen – tot je niet meer kunt zeggen wat een koning is. Al het statische verdampt. De koning lost op in meerwaarde.

Hoe komen de Joden dan aan geld / om uit te lenen? // Ze lenen het van andere Joden die in andere koninkrijken wonen / en hopen dat zij op tijd vluchten met het geld in hun koffers .

‘De Joden’ is de titel van vier gedichten in de bundel, en ook van misschien de meest meeslepende en verpletterende Nederlandse roman die ik ooit las, eveneens van Wijnberg, uit 1999. Ook in dat boek is alles variatie. De meeste tekst wordt uitgesproken door Walter Benjamin, en bestaat uit een eindeloze stroom interpretaties en herinterpretaties van wetten, gebruiken, verhalen, uitzonderingen en speciale gevallen. De handeling is zelf een historische variatie: een joods complot heeft Hitler afgezet en een volkomen onmachtige Martin Heidegger tot rijkskanselier gemaakt. Stalin vreest het joodse complot, en stuurt zijn joodse spionnen naar Duitsland, waar ze met Benjamin kennismaken die de feitelijke macht in handen heeft. Jawel, het boek gaat ook over de Holocaust, maar op een verbijsterende manier, door hem te verzwijgen, onder variaties te bedelven. In het boek beschikken de joden over een eindeloos vermogen tot spreken en interpreteren, die de werkelijke geschiedenis aftroeft. Maar Hitler is afwezig, Heidegger kan alleen met zijn moeder praten, Stalin kan nooit meer dan één woord zeggen – zij zijn niet tot bewegende taal in staat.

Welke staat is niet ook een gevangenis voor volkeren

Van groot belang mediteert ook op de joodse geschiedenis – en op het heden. Hier raakt Wijnbergs werkwijze aan zijn grenzen. De koloniale politiek van Israël en het ermee verbonden religieuze zionisme is geen geschiedenis die makkelijk gaat zweven, daar is ze te actueel voor, en ze leent zich ook niet goed voor een modeltheoretische benadering, daarvoor is ze te zeer van vlees en van zo veel bloed.

Toch probeert Wijnberg, zoals steeds, door nadenken op iets uit te komen. Maar volledig vrij denken is nu niet mogelijk. Al wil de dichter virtuoos hypotheses opstellen over staatsvormen, hij heeft tegelijk te maken met een dwingende politieke werkelijkheid. Dit betekent een constante onderhandeling tussen vrijuit denken en stellingname. Zo wordt duidelijk dat Wijnberg tegen het religieuze zionisme is en grote kritiek op Israel heeft, maar zonder de gedachte van een staat, waar joden heen kunnen vluchten, op te geven. Tegelijk erkent Wijnberg dat de Palestijnen onrecht is aangedaan – hij pleit minimaal voor ‘serieuze herstelbetalingen’, ‘gefinancierd door een heffing over de waarde van de grond die van een Palestijn was en die een jood te goedkoop verkreeg en door een inzameling onder de joden in de diaspora die ergens heen willen kunnen vluchten’.

Het leidt tot gedichten waarin de voorstellen over staten ver reiken. Waarom zouden staten geen grondgebied kunnen delen? Kunnen we niet burger worden van tientallen staten tegelijk? Of van maatschappelijke organisaties, in plaats van staten? Maakt dat een beter idee van zionisme mogelijk? Zulke vragen beheersen een van de langste gedichten in het boek, ‘Een voorstel voor de dag van het geluk’, een uitgebreide en virtuoze meditatie op burgerschap.

‘De glorie van niet één staat, één taal, één godsdienst te hebben, maar zoveel als we willen’ – jazeker, maar zulke ideaalbeelden betekenen ook de sublimatie van daadwerkelijke onderdrukking en geweld. De Nakba – de ‘ramp’, zoals de Palestijnen de gebeurtenissen van 1948 noemen – heeft, anders dan de onmiddellijk plaatsbare Holocaust, nog lang niet voor iedereen een onaantastbare historische status. In de roman De joden kon de Holocaust een centraal probleem zijn door opvallend afwezig te blijven. Maar over de Nakba schrijven, zonder deze expliciet aanwezig te stellen als daad van politiek geweld, is iets anders. Er blijft daadwerkelijk iets onuitgesproken.

Vergelijk Wijnbergs quasilegalistische benadering met de Palestijnse dichter Ghayath Almadhoun, die probeert te doorvoelen wat je meemaakt als je door een kogel van een scherpschutter doorboord wordt, of die het Palestijnse volk zijn excuses laat aanbieden voor de manier waarop de Palestijnen op onze tv’s worden afgeslacht. Samen gelezen vormt Almadhouns confronterende, directe lichamelijkheid een supplement van Wijnbergs hypothetische tasten te midden van de rampzalige brokstukken van de geschiedenis.

Maar voor de zekerheid / zijn die wapens onklaar gemaakt, / gebogen, half doorgezaagd. // Bovendien zijn ze / van goud, / niet geschikt als wapens.

Direct, actueel, lichamelijk geweld is een probleem voor deze poëzie, in de zin dat het de grenzen ervan in kaart brengt. Wijnberg is in zijn beweeglijkheid een groot dichter, maar hij kan niet overal bij.

Maar misschien tast zijn poëzie juist naar het supplement van de gegevens waarmee zij denkt. De gedichten proberen alle variaties van markt en staat en oorlog uit, maar blijven zo wel gedoemd in termen van markten en staten en oorlogen te denken – wat ze beweegt is dan misschien de schizoïde vraag: hoe denk ik mij voorbij de grenzen van mijn denken?

Geschiedenis verkoopt niet / meer, / behalve als je zingt / dat je er geen meer / hebt. // ‘s Ochtends ligt je wakker in je / bed / en alles wat je je / kunt herinneren doet / pijn. // Daarom wil je niet / meer / over geschiedenis zingen, / omdat die niet meer van jou / is.

Wat is een probleem? Een gevoelige, misschien pijnlijke plek. Iets dat je moet aftasten, dat je ertoe brengt je grenzen te verkennen. Iets dat zich hardnekkig verzet, hoeveel hypotheses je ook opstelt. Iets dat blijvend dwingt tot denken, en al je kennis daarbij in te zetten. Een probleem is productief zolang je het niet kunt oplossen.

Daarom is het goed / als zo veel mogelijk personen koning voor een dag / geweest zijn – of langer, als zij langzamer zijn

Volgens Isabelle Stengers moeten uiteenlopende kennispraktijken, wetenschappelijke, technische, politieke en sociale, als ze met elkaar willen werken, het veilige eigen terrein verlaten waarop ze zelf hun waarheden bepalen, en in een diplomatiek proces tot een vergelijk komen. Dit noemt zij ‘kosmopolitiek’. Het is een wezenlijk onvoorspelbaar en risicovol proces. Niemand mag er algemene regels voor opstellen.

Kunnen economie, politiek en poëzie elkaar ook vinden, en tot een rechtvaardige vrede komen? Kunnen staten en volken dit? Wijnberg is in diplomatiek geïnteresseerd. In ‘Nog een voorstel voor de dag van het geluk’ gaat het zo: ‘Jij doet de Franse ambassadeur / en iemand anders de Duitse / of jij de Assyrische / en hij de Babylonische / als die twee staten moeten onderhandelen / om niet met elkaar in oorlog te komen’. Het eind van het gedicht zegt dat er ook een ‘baan’ moet zijn, ‘die zelfs jij niet kunt kopen’: ‘Wat voor baan / zou dat zijn, / een waarin je iedereen / vertegenwoordigt / naar elkaar?’

Zou die baan ‘dichter’ kunnen zijn? ‘Hoe lang kan een tekst waaruit afgeleid wordt wat te doen zijn als van niemand?’ vraagt een ander gedicht. De universaliteit van een wetstekst is inderdaad een poëtische vraag, net als de bemiddelende waarde van een verdragstekst. Wat er voor diplomatie nodig is, is op zijn minst iets als een radicaal onbestemde positie, en dichten als tastend denken kan dan helpen bemiddelen. Om oorlog te vermijden, zodat nieuwe variaties kunnen opbloeien. Mogelijk bevat geen gedicht van Wijnberg de oplossing voor welk probleem ook, maar zijn poëzie is in haar tastende beweging, door bewust voorlopig te blijven en iedereen te willen kunnen vertegenwoordigen, wel degelijk utopisch.

Het is nog altijd te vroeg om te beslissen, maar als je het nu moest zeggen zou je zeggen dat de Franse Revolutie de belangrijkste politieke gebeurtenis is waarover je weet, en hoewel Napoleon veel daarvan terugdraait is hij nog steeds de vertegenwoordiger van de herinnering aan die revolutie.

Over tien, honderd, met een beetje pech duizend of tienduizend jaar is er geen kapitalisme meer. Hopelijk leven Arabieren en joden en anderen dan tezamen, bijvoorbeeld in het huidige Palestina en Israël, in wat dan vast geen twee staten zullen zijn, zeker geen anderhalve staat en een illegale, wanhopig stemmende bezetting zoals nu, misschien zelfs minder dan één staat. De gedichten van Nachoem Wijnberg hebben hun actualiteit dan geheel verloren. Misschien schrijft hij juist voor die tijd.

Samuel Vriezen (1973) is componist en dichter. Recent werk was o.a. de essaybundel Netwerk in eclips (Wereldbibliotheek, 2016) en het hoorspel Schade (2017) over oliewinning in de Nigerdelta, waarvoor hij tekst en geluid maakte. ‘naar ons toe’ is een reeks in wording van exponentieel instortende gedichten, deel van een volgend jaar te verschijnen bundel.

Meer van deze auteur