156 staan

Een waarnemer die een bewegen volgt
beweegt niet zelf,
maar bewaart zijn plaats.
(Hij is verankerd op zijn plaats.)
Zijn plaats is terzijde van het bewegen.

‘Onbewogen’ en terzijde:
dat is de positie van de waarnemer.
(De waarnemer heeft voor deze positie gekozen.)

(dick raaijmakers, de methode)

Hoe pijnlijk moet het leven zijn wanneer je elke belediging, elke misstap, elke ongelukkige verspreking van een ander onthoudt. Niet uit kleinzieligheid, maar omdat je nooit weet of een pijnlijke vergissing ondanks of dankzij de kleur van je huid wordt begaan, bewust of onbewust.

De Amerikaanse dichteres Claudia Rankine verzamelde zulke ervaringen in de gelauwerde en veelbesproken bundel Citizen: An American Lyric (2015). Een grap waardoor het lyrisch subject, net voordat ze het podium op moet voor een panelgesprek, wordt buitengesloten als enige aanwezige zwarte vrouw. Een buurman die de politie belt omdat de zwarte babysitter, vriend van de familie, het gazon op is gelopen om te bellen. De lezer wordt meegezogen in deze ervaringen doordat consequent gebruik wordt gemaakt van de tweede persoon enkelvoud, jij. De lezer is daarmee gelijktijdig toeschouwer en deelnemer. Twijfel tussen woede en gelatenheid knagen aan de verteller: is het beter om te zwijgen of om te spreken? ‘Because just getting along shouldn’t be an ambition.’ En toch, de strijd lijkt niet te winnen: zwijgen om de vrede te bewaren doet de vertellers van zichzelf walgen. Zich uitspreken tegen deze aanvallen op de illusie van een frictieloos gedeeld leven brengt geen opluchting. Wat voor de spreker een onbetekenend incident is, is voor de verteller onderdeel van een voortdurende strijd. En precies deze discrepantie in ervaring maakt het vernederend deze incidenten überhaupt ter sprake te brengen. 

‘Do feelings lose their feeling if they speak to a lack of feeling? Can feelings be a hazard, a warning sign, a disturbance, distaste, the disgrace? Don’t feel like you are mistaken. It’s not that (Is it not that?) you are oversensitive or misunderstanding.’

(Claudia Rankine, Citizen: An American Lyric)

Al voordat ik begin is de vraag hoe de protagonisten, de kenmerken, zichtbaar en onzichtbaar in dit stuk te noemen. Mogen we over ras praten? Of is het beter om het over etniciteit te hebben? Of zullen we het, meer naar de Amerikaanse mode, over ‘person of colour’ hebben? Het probleem van die term is weer dat het veronderstelt dat wit geen kleur is. Al deze mogelijke benamingen lijken ontoereikend voor degenen die benoemd worden. Ik zoek een woord dat geen pijnlijke geschiedenis heeft, een begrip dat niet slechts bestaat bij de gratie van de negatie van witheid. Een term die tegelijkertijd universeel, concreet en comfortabel genoeg is om de verschillen te benoemen. Ik heb het woord nog niet gevonden. Misschien verlang ik iets van de taal dat nog niet mogelijk is.

Een Braziliaanse dichter met donker haar en een olijfkleurige huid vertelde me in de rookruimte van een literatuurfestival dat hij als tiener naar de Verenigde Staten was vertrokken om te studeren. In Brazilië werd hij vanwege zijn kleur en achtergrond als wit beschouwd. In de qua kleur even rijkgeschakeerde Verenigde Staten was hij Hispanic en dus allesbehalve wit. De verhuizing was genoeg voor deze verschuiving. Nu leefde hij al jaren in Berlijn en daar waren zowel de Duitsers, de buitenlanders als hijzelf er nog niet over uit of hij tot de migranten of de expats behoorde.

Dat je het beste voor hebt met minderheden en je bewust bent van hun mogelijke achterstelling (ongeacht je eigen identiteit) is op zichzelf geen prestatie waar je rechten aan kan ontlenen. Bewust tegen discriminatie zijn wil niet zeggen dat je er daardoor zelf niet meer toe in staat bent. En andersom: mocht je je er toch weleens schuldig aan maken, onbewust weliswaar, dan zegt dat ook niet alles over de kracht en oprechtheid van je overtuigingen.

Ik zat in een kleine zaal waar een academische lezing werd gehouden. Ik zat op een plek vanwaar ik onbelemmerd zicht op het podium had. De spreker zei, met de spijt en finaliteit van iemand die zich gedwongen voelt een bekend maar pijnlijk feit publiekelijk te herhalen: ‘We weten allemaal dat er geen zwarte mensen komen naar dit soort lezingen.’ Ik voelde schaamte, niet uitsluitend plaatsvervangende, omdat de man op het podium iets zei dat onwaar was en dat mijn aanwezigheid het bewijs daarvan moest zijn. 

36 de stoel

Ik zit in een kamer
en kijk.

Een man zit op een stoel.
De man staat op en kijkt uit een raam.
Ik kijk naar de stoel, en het valt mij op
hoe goed die stoel de plaats van de man bewaart.
(De stoel is warm.)

Toen de man nog zat was er zoveel man
en zo weinig plaats
dat zijn plaats mij niet wezenlijk opviel.
Maar de man stónd nog niet
of de stoel vulde zich met plaats.

Niemand in de kamer zou wagen
op die stoel te gaan zitten
en plaats − zijn plaats! − te nemen.
(Ook niet een beetje −
op het puntje.)

Ik vraag mij af
hoe lang mijn stoel
wanneer ik eenmaal de kamer verlaten zal hebben
mijn plaats zal bewaren,
en ook,
wat er van die plaats op den duur terecht zal komen.

(dick raaijmakers, de methode)

Ik vraag mij steeds weer af: hoe belangrijk is ervaring voor het gewicht dat de spreker in deze discussie kan leggen? Mag men alleen spreken over discriminatie wanneer men die aan den lijve heeft ondervonden? Is geleden leed de valuta in deze discussie? Oftewel, kan een blanke man opkomen voor de rechten van een zwarte vrouw zonder verweten te worden dat hij zijn positie misbruikt om te spreken voor iemand die niet gehoord wordt? Stel dat je alleen kan spreken voor of in naam van je eigen ervaringen. Zou ik, als persoon die nauwelijks discriminatie heeft ondervonden, niets, of nauwelijks iets, mogen zeggen over discriminatie? 

In Enschede hadden onbekende mensen veertien varkenskoppen neergelegd op de plek waar een asielzoekerscentrum moest komen, las ik in de krant. Arjen van Veelen analyseerde de foto van een van de achtergelaten varkenskoppen als was het een kunstwerk, en speculeerde over de motieven van de daders. Ik identificeerde me met de schrijver en zijn standpunt, met zijn ironisch-afstandelijk en raak geformuleerde afschuw over de xenofobie die uit deze daad sprak, met zijn woede over het gebrek aan weerstand die deze xenofobie ondervindt. Ik wentelde me in onze gedeelde weldenkendheid. Toen bleef ik haken aan een zin. En hoe ik me er ook overheen probeerde te zetten – het was immers een onbetekenend detail, niet van belang voor het wezenlijke punt dat de auteur probeerde te maken – de scheiding tussen mijzelf en de door de auteur geïmpliceerde lezer was niet meer te dichten. Van Veelen schreef: ‘En het varken is het menselijkst van alle dieren. Net als wij zijn ze roze en slim.’ Plotseling bleek, onbedoeld, dat hij mij helemaal niet in gedachte had als potentiële lezer. Waarom had hij juist kleur nodig om zich te identificeren in dit stuk? Waarom was de meest oppervlakkige, figuurlijke verwijzing naar kleur al genoeg om mij te vervreemden als lezer?

Ik liep de lokale drogist binnen en zag een nieuwe, halflege rij schappen naast de shampoo, erboven stond ‘etnische producten’. In de gauwigheid was duidelijk dat met ‘etnische producten’ uitsluitend haarproducten voor kroeshaar werden bedoeld. Shampoo om blonde lokken te laten oplichten en glanzen daarentegen, is simpelweg shampoo. Een paar weken geleden moest ik modereren en kreeg ik een huidkleurig microfoontje om. De leverworstkleur stak nogal af tegen mijn huid, die hiermee tijdelijk niet meer onder de algemene categorie ‘huidkleurig’ viel. Een aantal lezers zal zich nu wellicht afvragen of dit niet al te kleinzielig is om van belang te zijn voor deze discussie. Op zichzelf zijn deze voorbeelden triviaal, gezamenlijk laten ze zien hoe eenvoudig een op kleur gebaseerde norm wordt geïmplementeerd in het dagelijks leven.  

Soms voel ik me een spion zonder partij om voor te spioneren. Zou je dit essay anders lezen als je wist hoe ik eruitzag? Zou ik een totaal ander essay hebben geschreven als ik er anders uitzag? Is mijn opvoeding, opleiding en wat ik heb gelezen niet belangrijker voor de vorm en inhoud van dit essay? Het is benauwend te moeten samenvallen met je uiterlijk en de daarbijhorende vermeende biografie. Dat is misschien waar discriminatie je toe dwingt.

In Yves Petry’s laatste roman Liefde bij wijze van spreken (2015) vertelt Felix Jespers over zijn jeugdvriend Jasper Fielinckx. De roman begint op een prachtige zomerochtend, met een lyrische omschrijving van Jaspers verliefdheid op zijn nimfijnachtige buurmeisje. Diezelfde dag verliest de verliefde tiener beide ouders in een auto-ongeluk. Jaren later ontmoeten de mannen elkaar weer. Jasper verklaart nu de liefde aan de onwillige Felix, die al vanaf zijn tienerjaren beseft homoseksueel te zijn. Daar gaat deze roman over: in hoeverre zijn wij een continu en consequent subject? Jasper ontkent altijd al homoseksueel te zijn geweest, of dat hij in de war is, of dat het auto-ongeluk een breuk heeft veroorzaakt die van hem een nieuw persoon heeft gemaakt. Jasper weigert van zijn leven een narratief te maken dat niet meer dan een onvermijdelijk resultaat van zijn opgedane ervaring is. Hij is ervan overtuigd dat zijn positie als onaangename solitair het logische gevolg is van zijn superieure inzicht in de wereld om hem heen. Hij wil niet dat zijn identiteit wordt teruggebracht tot een afwijkende geaardheid of een traumatische ervaring. De meeste leden van een minderheid lijken die diepe angst te delen teruggebracht te worden tot uitsluitend het kenmerk dat hen tot minderheid maakt.

‘You can’t put the past behind you. It’s buried in you; it’s turned your flesh into its own cupboard.’

(Claudia Rankine, Citizen: An American Lyric)

In november 2015 werden Seada Nourhussen, Arzu Aslan, Mariam el Maslouhi en Anousha Nzume, vier vrouwelijke twitteraars die zichzelf beschouwen als person of colour, geïnterviewd in NRC Handelsblad over hun poging ‘witte vanzelfsprekendheid’ in Nederland aan de kaak te stellen via ‘black twitter’. Daarbij richten ze hun pijlen niet uitsluitend op evident racisme of mensen die deze strijd in Nederland overbodig zeggen te vinden, maar ook op vermeende medestanders. Helaas maakten ze zelf ook een zeer ongemakkelijk onderscheid in kleur binnen hun eigen groep. Het grootse venijn werd echter gereserveerd voor de goedbedoelende, progressieve oudere blanke man die denkt dat zijn overduidelijk juiste overtuigingen het onmogelijk maken zijn handelingen op te vatten als vorm van discriminatie. Er barstte dan ook een storm van kritiek los en de twitteraars werden weggezet als hysterische vrouwen die het verkeerde mikpunt hadden gekozen in hun strijd. De groep voor wiens emancipatiestrijd je je zegt in te zetten, uitmaken voor hysterisch of overdreven fijngevoelig legt, denk ik, precies het probleem bloot.

Discriminatie is niet alleen een onrecht tegen de mensen die erdoor worden benadeeld, het is ook een onrecht tegen alle mensen die tegen die discriminatie zijn. En zodoende hebben zij evengoed recht van spreken. Zij spreken alleen niet uit ervaring. 

Toen ik nog studeerde moest ik voor een cursus een stuk van Cornel West lezen, Amerikaans filosoof en cultuuronderzoeker met wisselvallige reputatie in eigen land. In het betreffende stuk bespreekt West de moeilijkheid carrière te maken in een bijna geheel blanke omgeving, namelijk de academische wereld. De vaardigheden die worden gewaardeerd in de gemeenschap waar hij uit komt, zijn niet dezelfde als die verwacht worden in de gemeenschap waar hij in terecht is gekomen. En beide gemeenschappen verwijten hem niet trouw te zijn aan zijn afkomst. Ik zat in een voor de universiteit gebruikelijk homogene werkgroep. Het stuk van West wekte ergernis op bij mijn medestudenten en er werd met vuur over gediscussieerd. De consensus binnen de werkgroep was dat een student die van Groningen naar Amsterdam verhuist ook ‘tussen discoursen’ zit en zich evenzeer moet aanpassen aan de nieuwe omgeving als Cornel West in een bijna exclusief wit bolwerk. Ik meende dat het gelijkschakelen van deze onvergelijkbare vormen van verschil meer ontsproot aan onwetendheid dan aan onwil, maar achteraf betwijfel ik of dat uitmaakt. Wat deze studenten uit het oog verloren is dat er weliswaar altijd verschillen zijn, maar dat sommige verschillen een beduidend negatievere invloed hebben dan andere.

‘You are in the dark, in the car, watching the black-tarred street being swallowed by speed; he tells you his dean is making him hire a person of color when there are so many great writers out there.’

(Claudia Rankine, Citizen: An American Lyric)

Tijdens een werkgroep inleiding in de literatuurwetenschappen zei een van mijn studenten tegen mij en de rest van de groep: ‘Er bestaan geen zwarte literatuurwetenschappers.’ Ik was zo verbaasd dat ik niet eens meer weet wat ik heb geantwoord. Dacht de student dat ik geen literatuurwetenschapper was? Of betwijfelde hij of ik onder de noemer ‘zwart’ viel? Eigenlijk denk ik dat hij niet de noodzaak voelde tot coherentie tussen wat hij zag en wat hij dacht.

De afgelopen tijd heb ik meerdere artikelen gelezen waarin werd gesteld dat begrippen zoals ‘white privilege’, ‘institutional racism’ en ‘white fragility’ begrepen moeten worden in een specifiek Amerikaanse context en niet onverkort in Nederland van toepassing zijn. Alsof vergelijkbare problemen ons land zouden binnendringen als we deze woorden zouden accepteren. Minder vaak worden in diezelfde kranten en weekbladen romans, muziek, films en televisieseries uit de VS aan dezelfde pijnlijk nauwkeurige contextualisering onderworpen. Blijkbaar kunnen die werken wél zonder problemen, zonder disclaimer en vertaalslag door ons geconsumeerd worden. Waar ik me over verbaas is dat sommige teksten en de daaruit sprekende ervaringen zonder meer herkenbaar, universeel, worden geacht. Andere daarentegen moeten eerst gecontextualiseerd worden. Universaliteit wordt zo gemakzuchtig gelijkgesteld met een blank, mannelijk, heteroseksueel en meestal ook nog eens middenklasseperspectief. 

Het Rijksmuseum besloot onlangs de mogelijk aanstootgevende titels van werken uit hun collectie aan te passen. Voor het schilderij Negerinnetje voor Stuiverskerkhof overwoog men eerst Surinaams meisje voor Stuiverskerkhof om uiteindelijk te besluiten tot Meisje voor Stuiverskerkhof. In een ingezonden brief aan NRC Handelsblad schreef Herman Vuijsje dat de nieuwe titel nog steeds met terugwerkende kracht seksistisch en discriminerend naar armoedzaaiers is en stelde als titel Persoon op plek voor. Met deze reeks titels wordt precies de overgang van de casuïstiek van Claudia Rankine naar het universalisme van Dick Raaijmakers getoond. 

De dichter, kunstenaar en pionier op het gebied van elektronische muziek Dick Raaijmakers (1930-2013) publiceerde de methode in 1984 (een deel verscheen in 1982 in Raster). De gedichten in de bundel, als je het zo wil noemen, zijn genummerd en de opeenvolgende definities lijken te gaan over taal en beweging. Maar het is niet noodzakelijk om het werk enkel op dit abstracte niveau te lezen. Het kan ook gelezen worden als een uiteenzetting over verlangen tot beweging, verandering en emancipatie. Sociale relevantie is niet alleen een kenmerk van het kunstwerk zelf, maar ook van de lezing die ervan gegeven wordt, zonder dat het daarmee ook maar iets hoeft in te boeten aan universaliteit of schoonheid.

Raaijmakers onderzoekt in de methode de relatie tussen het subject en de wereld. Rankine doet een soortgelijk onderzoek. In de methode  gaat het om ‘personen’, ‘plekken’, ‘bewegen’ en ‘beweging’. We komen er nooit achter wie iets beweegt, waarheen en waarom. Citizen daarentegen wemelt van de eigen- en plaatsnamen: Ferguson, Katrina, Serena Williams, Trayvon Martin, Michael Brown, en meer. In elke nieuwe editie van de bundel groeit, tragisch genoeg, zelfs de lijst met namen van mensen die omgekomen zijn door politiegeweld. Rankine onderzoekt wat het effect is van lid zijn van een minderheid die systematisch wordt achtergesteld. Zelfs wanneer je excelleert, zoals Serena Williams of de dichteres zelf. De verhandeling over waarnemer, actor, beweging en wereld die de methode is, is bijzonder toepasselijk op deze emancipatiestrijd. Uit het werk van Raaijmakers spreekt een intens verlangen de zichtbare wereld en de wereld in het hoofd van de waarnemer met elkaar in overeenstemming te brengen door een deconstructie van alle minutieuze stappen in dit proces. Raaijmakers’ abstracte poëzie is evenzeer programmatisch, Rankines programmatische poëzie is ook abstract. Precies daardoor kan de door haar weergegeven strijd van individuen ook begrepen worden als een strijd om emancipatie en taal. 

158 de beweger

Geen bewegen zonder beweger!
Wat beweegt is níet de beweger
maar de door hem bewogen ‘dit’.
(Ook een beweger is onbewogen.)

Een beweger die ‘dit’ beweegt
wenst zich in de richting van de wereld
uit te breiden.
Hij wenst de wereld te raken.

Niet de beweger raakt de wereld
maar ‘dit’ namens hem.
‘Dit’ verplaatst de plaats-van-gebeuren
van de beweger naar de wereld.
Deze verplaatsing −
dát is uitbreiden!

(dick raaijmakers, de methode)

Fiep van Bodegom is redacteur van De Gids. Ze schrijft regelmatig voor De Groene Amsterdammer en NRC, doorgaans over literatuur. Daarnaast publiceerde ze essays, proza en vertalingen.

Meer van deze auteur