Close reading zou kunnen beginnen vóór het begin – bij wat voorafgaat aan titel en tekst: naam van wie ze belichaamt, dichter zich noemend. Een tekst duiden van binnenuit, aan de hand van zichzelf, is vrijpostig, en soms kun je brutaliteit ‘opheffen’ met juist nóg een stapje erbij. Vegter: de naam heeft iets uitdagends, vandaar mijn vóórafdwaling.

Wat een, nou ja, vechter is, weten we. Een rebel, zou ik zeggen. Niet een huursoldaat van de gevestigde machten. Of, mythisch-landelijk bekeken, een bronbeekje, de Vegt, aan wiens oevers je, als Vegter geboren, van de weeromstuit krijgshaftig opgroeit.

Voorwaarts mars. Van een bronbeek naar de zee waar Medea als vluchteling vanuit Kolchis over gevaren kwam met Jason en het Gulden Vlies. Medea die haar geboorteland en familie verloochende, die haar broer heeft laten doodsteken door Jason, Medea de toverheks.

In het gedicht lijkt de kust van deze zee het strijdtoneel c.q. onderzoeksterrein van een scheefgroei der liefde, die benoemd wordt als ‘leugen’. Er is ook een reële leugen: die van het liefdesverraad (‘had ik je nou betrapt op een aanloop’). Jason is, sinds Euripides de tragedie Medea (431 v.Chr.) schreef, het oerbeeld van de echtgenoot die zijn gezin in de steek laat uit honger naar sensatie en om hogerop te komen, als ‘prijsbig’, om Vegters term te gebruiken, die ook doorklinkt in de titel van de bundel, Big data:big = groot, big = varken(tje).

Op zoek ‘naar de oorsprong van de leugen’ raapt de spreker ‘een babylichaam op dat ademde zonder kern’. Dat moet toch wel de liefde zijn, want ook die is diffuus, veelomvattend, ademend, want levend, zonder kern, want liefde kent zichzelve niet, meent alleen de ander te kennen tijdens het samen ademen, hartstochtelijk of beschuttend: ‘er zijn dacht ik, er zijn is eromheen zijn’.

‘gelukkig gaat het goed met baby, die van zichzelf doorlatend is’ – de liefde ‘verdraagt alle dingen’ zoals Paulus zegt. De ‘baby’ is het tere en tedere tussen twee gelieven in, de zachte kracht die hen bindt, die sterker is dan elk van beiden. Vandaar het verscheurende van de strijd tussen liefde en ontgoocheling. Het hart blijft bloeden zolang het zich niet losmaken kan. Liefde wil zichzelf in stand houden zoals een baby wil leven: onvoorwaardelijk. Maar de liefde kan ook besluiten dat verzadiging niet meer opweegt tegen honger: ‘baby is de honger tussen toestand en verzadiging’. Let op de omdraaiing – je zou verwachten dat er stond: ‘baby is de toestand tussen honger en verzadiging’.



Er wordt naar eenvoud en klare taal gezocht: ‘schippertjes, niet meer omkijken’. Geen geschipper, er is geen terug! Zo kun je de slotregel ook opvatten. Hoe de spreker zich vermant, vermaant. Tegelijkertijd zijn de ‘schippertjes’ de ‘piepjonge zoons, die houden overdag niet van verkleinwoorden’. Het verkleinwoord laat zien dat de dag nu om is: het licht, het geluk, is weg.

‘zeg eens dierlijk eerlijk / dierlijk, eerlijk’ – er wordt geoefend in ferme taalklank, in een objectief gezichtspunt, los van de emotie die sprak uit ‘neem de zon of nee, de zee, neem de zee en haar superspeelse houdingen’. Al die lange ee’s schetsen een immens vrij zicht over zee, en tegelijk wordt met die ‘superspeelse houdingen’ jaloers verwezen naar liefjes van ‘de vader’. Het woord ‘neem’ draagt hier ook seksuele lading. Maar het wordt avond, het onderzoek levert een besef van ondergang op, en dat stemt weemoedig, niet alleen wanhopig. Er kruipt gaandeweg verstilling in dit gedicht, noodlotsbesef. Ook het woord ‘noodsprong’ suggereert dat al bijna.

‘diep onder jou’ – alsof de man op een duikplank staat, hoog boven het water (de oceanische ander, de vrouw als mythe vol ‘onmenselijk geschitter’), ‘kleurt de zee van licht naar schuld, een noodsprong […] het is avond’. De man, rood van schuld en schaamte, de zonsondergang. Jason rijmt bijna op zon. Beide blijven ongenoemd, toch zien we het beeld, completer dan uit te leggen is. Van ‘oorsprong’ naar ‘noodsprong’ en ‘springen, blijven springen’ loopt een rode draad door de tekst. Maar ‘blijven springen’ kun je ook lezen als ‘blijven of springen’.

‘nu kan ik verder’ zegt de spreker, beseffend dat ‘avond’ een einde, een besluit inluidt. En dan gebeurt er iets heel ontroerends: ‘baby wil mee’ – maar ‘baby’ is die verwevenheid, dat tere spinsel tussen de een en de ander, dat nu wordt stukgetrokken. ‘en strekt zich in mijn armen / o, lief warmkloppend lichaampje versus jouw hart, een wak’. Een wak is een dooiplek in het ijs, soms onder de sneeuw die het ijs bedekt, een plek om te verdrinken in ijskoud water, een wak is verraderlijk. Als iemands hart een wak is, was je eigenlijk allang verdronken.



De spreker is moeder van beroep, zij beschut haar zoontjes, net als Medea, die haar kinderen vermoordt om ze te beschermen, zij draagt de ‘baby’ in de armen. Zij heeft iets te verdedigen: die liefde. Daarom is het zo wrang de ander vreemd te zien gaan, een vreemde te zien worden, als een duiker die gaat springen. Het woord ‘noodsprong’ is ook bitter ironisch.

De man, nee, ‘de vader’ lijkt eventjes te aarzelen, vanwege ‘warmkloppend lichaampje’. ‘gewoon springen’, zegt zij quasimonter, en maant zichzelf en haar zoontjes: ‘schippertjes, niet meer omkijken’. Je hoopt altijd dat de ander nog komt, meekomt, juist als je niet omkijkt. In heel de westerse poëzie is ‘omkijken’ verbonden met Orfeus, die zijn geliefde Eurydice uit het dodenrijk terug naar het leven mocht brengen, mits hij niet omkeek… Ook hier een echo van dat verhaal: ‘wij gaan hup, naar huis’.

Alles spreekt van tweestrijd, van verlangen en furieuze onmacht, en alles blijft waar het hoort, binnenboord, zodat de tekst zelf een innerlijke dialoog wordt waar de dichter haar beide kanten laat spreken. ‘de zee is ook keihard: klotsen, zwelgen, uitspuwen’ – er wordt gedreigd, maar met een voelbaar broze inzet, het ‘keihard’ is grootspraak uit wanhoop en liefde. Een prachtgedicht in strijdig evenwicht.

tussen baby’s en leugens

inmiddels goed op gang met mijn onderzoek naar de oorsprong van de leugen
ik raapte een babylichaam op dat ademde zonder kern
er zijn dacht ik, er zijn is er omheen zijn
gelukkig gaat het goed met baby, die van zichzelf doorlatend is
baby bijpraten is traagwerk
dat lukt beter aan de kust, naast iets moois:
neem de zon of nee, de zee, neem de zee en haar superspeelse houdingen
mijn zoons zeggen dat ze groeien van het onmenselijke geschitter
voel de pulsjes, allemaal echt
maar de zee is ook keihard: klotsen, zwelgen, uitspuwen
ik zeg het niet graag, maar de zee is eerlijk
even tussen de vader en mij, vanwege het onderzoek:
had ik je nou betrapt op een aanloop
ging jij nou heimelijk springen
diep onder jou kleurt de zee van licht naar schuld, een noodsprong
dit weten mijn piepjonge zoons, die houden overdag niet van verkleinwoorden
maar een baby maak ik er niet gek mee
baby is de honger tussen toestand en verzadiging, zeg eens dierlijk eerlijk
dierlijk, eerlijk
nu kan ik verder, het is avond
baby wil mee en strekt zich in mijn armen
o, lief warmkloppend lichaampje versus jouw hart, een wak
sta je nou weer te twijfelen
gewoon springen, blijven springen
schippertjes, niet meer omkijken, wij gaan hup, naar huis

Anne Vegter

Anneke Brassinga (1948) werd aan de Universiteit van Amsterdam opgeleid tot literair vertaler en vertaalde werken van Nabokov, Plath, Diderot, Broch en vele anderen. Sinds 1987 wordt haar eigen werk, proza en poëzie, uitgegeven door De Bezige Bij. In 2015 ontving zij voor haar poëtisch oeuvre de P.C. Hooft-prijs.

Meer van deze auteur