What is a sea storm as a child? How does an earthquake begin to know ­itself? That first rumble you hear and think: me.

– Melissa Febos, ‘Wild America’, uit Girlhood



In haar essay Uses of the Erotic: The Erotic as Power schrijft Audre Lorde dat, om te blijven bestaan, elk onderdrukkend systeem de bronnen van macht die de onderdrukten de energie kunnen geven om dingen te veranderen, moet corrumperen of ontwrichten. In het geval van vrouwen betekent dat de onderdrukking van ‘het erotische’ als bron van kracht en kennis. ‘As women, we have come to distrust that power which rises from our deepest and nonrational knowledge. We have been warned against it all our lives by the male world.’Ze verduidelijkt nog dat ze met ‘het erotische’ de creatieve energie van vrouwen bedoelt, maar zelf vind ik de term misleidend. Ik verkies de term ‘het wilde’.

Die vond ik ook terug bij Melissa Febos. In haar essay ‘Wild America’ toont ze op schrijnende wijze hoe het wilde kind dat ze was, het kind dat op handen en knieën, met het gezicht begraven in een halve watermeloen, deed alsof ze een hyena was, het kind dat geen ballerina was maar een zwemmer, een klimmer, een renner, een duwer en trekker, een drager van schrammen en builen en korstjes, hoe dat wilde kind verwerd tot een vrouw vol zelfhaat die zo weinig mogelijk ruimte probeert in te nemen. Toen ze al op jonge leeftijd vrouwelijke vormen begon te ontwikkelen, voelde dat als muiterij van haar lichaam. Ze had immers geleerd dat meisjes niet kolossaal hoorden te zijn, dat meisjes de enige diersoort waren die niet groot en sterk wilde zijn. Meisjes hielden geen vreetwedstrijdjes maar uithongeringscompetities, meisjes pochten niet met hun spierkracht maar sloten vriendschappen door zichzelf te kleineren, meisjes arm­worstelden niet maar vergeleken hun armen om te zien wie de onbeduidendste had. ‘We competed to be the weakest and smallest and most infantile. We seemed to spend all of our resources withering ourselves to be attractive to males. The goal was to be as soft and tidy and delicate as possible.\
I strove to tame my own nature and wither my form. I turned away from the real inside of me and orient myself outward.’ Dat is wat elk meisje leert: het gaat niet om jezelf, centraal staat de ander. Dat is waar elk meisje zich willens nillens aan moet onderwerpen: de knechting onder de blik van de ander. ‘I had succesfully internalized the belief that all my animal aspects – including, and perhaps most of all, the inherent vigor with which I approached life itself – were an affront to my femininity and should be annihilated if possible, and, failing that, vigilantly suppressed and camouflaged.’ Weten dat we geconditioneerd zijn maakt nog niet dat het tenietgedaan wordt, voegt ze eraan toe. We bewaken onszelf angstvallig omdat we verinnerlijkt hebben dat we klein en stil en tam moeten zijn in plaats van groot en luid en wild.

Origineel en mooi in het essay van Melissa Febos is dat het voor een keer niet gaat over het vet op buiken en kuiten, billen en bovenarmen, enkels en knieën, borsten en heupen (dat weten we nu allemaal wel), maar over grote sterke handen. Febos is klein van gestalte, maar heeft grote, vierkante, mannelijke handen. ‘Soms raak je me meer aan als een beer dan als een vlinder,’ zegt de eerste liefdevanhaarleven.

Het is natuurlijk mooi omdat het symbolisch is: handen zijn bij uitstek in staat te laten zien wat het menselijk lichaam vermag, zijn kracht en kunde, zijn gaven en vaardigheden, en als ik het bedwingen van de vrouw aanklaag, dan bedoel ik niet alleen haar uiterlijkheden, maar evenzeer haar potentie en energie, haar wilde kern en haar expressie daarvan.

Maar het is nog mooier omdat de kleine Febos met de grote handen zich vereenzelvigt met de Hekatoncheiren, die drie reuzen uit de Griekse mythologie, zonen van aardmoeder Gaia en hemelgod Ouranos. Honderd machtige armen ontsproten aan hun schouders, en vijftig hoofden. Ze brachten stormen en aardbevingen, ze schudden de zeeën, ze droegen de wolkenforten rond. Uit angst dat ze hem ten val zouden brengen, hield hun vader hen gevangen, diep in de baarmoeder van zijn vrouw. Maar hun neefje Zeus bevrijdde hen om aan zijn zijde tegen de Titanen te strijden. Met hun driehonderd reuzenhanden grepen ze driehonderd enorme rotsblokken waarmee ze de Titanen bekogelden, en dat beslechtte de strijd.

Als ik het moeilijk heb, schrijft Febos, dan denk ik aan de Hekatoncheiren. Ze versloegen de Titanen niet als kinderen, ze leefden lange tijd onder hun heerschappij, het kostte ze vele jaren om sterker te worden dan de oude goden en ze hadden een goddelijk neefje nodig om ze te bevrijden, om te geloven in hun kracht – wat als ze in plaats daarvan geleerd hadden hun eigen krachten te haten?

Telkens als ik de hoop verlies, heb ik ook de honderdhandige reuzen. Ik zie ze voor me als ze met hun honderdogenknipperend bovengronds komen, kijken naar hun kolossale handen en denken: dit zijn wij, de eerste beving van de zee zien, het eerste gerommel horen en denken: dit zijn wij. 

In een van mijn favoriete passages van het essay vertelt Febos hoe ze als kind in het bos op de grond ging liggen en haar geest schoonveegde als een schoolbord. Wanneer ze daarna weer opstond, was ze een alien die planeet Aarde moest verkennen: ‘My wonder was bottomless for the world empty of stories, mine alone to name.’ Voor mij gaat dit over het ontstaan van literatuur. Aan het eind van haar essay keert ze terug naar dat bos, en voor mij gaat het opnieuw over literatuur: ‘It is entering the woods a stranger, shaking loose the stories assigned you, and naming the world as you meet it.’



Dat is hoe ik mijn literatuur wil. Ik wil niet langer in een sportvliegtuigje hoog boven het bos en kijken door een vuil raampje, luisteren naar de verhalen van de piloot, over alles wat hij van hierboven daarbeneden gezien heeft en hoe hij dat geanalyseerd heeft, ik wil niet langer luisteren naar zijn alwetende, beheerste stem, zijn monkelend ironische toontje van op zijn comfortabele alles-onder-controle-afstand. Ik wil het woud in met de reuzinnen, ik wil al de mij door piloten aangemeten verhalen van mijn honderd schouders afschudden en wild staan dansen in de stormen die we zelf scheppen.

En zo heb ik de cirkel van ‘Het wilde lezen’ gesloten. Ik begon het jaar met een stuk over het bevrijdende schrijven van Claire-Louise Bennett, en ik somde daarin enkele van de stempels op die critici reeds op mijn werk geplakt hebben. Vandaag wil ik zeggen dat ik, zowel in mijn lezen als in mijn schrijven, niet langer mijn natuur wil temmen, noch mijn vormen wil doen verschrompelen, ik wil niet langer minder willen en minder zijn, ik ben geen vlinder, ik ben een beer, ik ben reuzin onder reuzinnen, ik wil kijken naar alles wat mijn honderd handen grijpen, luisteren naar het gerommel in mijn vijftig hoofden en weten: dit ben ik, onaangepast, ontoegankelijk, ongeremd, onorthodox, ontregelend, overdadig, obsessief, bizar, brutaal, buitenissig, grillig, woest, tegendraads, mateloos, manisch, surrealistisch, agressief geil, vlammend intens, exuberant, excentriek, expressief en experimenteel, maar ook theatraal en bombastisch. Gegroet!

Caro Van Thuyne (1970)  leeft en schrijft in het Houtland achter de Vlaamse kust. In 2018 debuteerde ze met de verhalenbundel Wij, het schuim. In 2021 verscheen de roman Lijn van wee en wens, die genomineerd werd voor de Libris Literatuur Prijs en bekroond met de Bronzen Uil. In 2022 verscheen haar nieuwste boek Hier begint de natuur.

Meer van deze auteur