Voor een realist, zo schrijft Hegel in zijn dagboek, is het lezen van de krant bij het ontbijt als het prevelen van een ochtendgebed. Zo komt in het huis van een moderne mens vlak na het ontwaken de buitenwereld binnen: als een gast die niet stoort, maar die, integendeel, de rest van de dag mogelijk zal maken door zijn aanwezigheid. Of het nu rampen of weldaden zijn die de filosofie van Hegel heeft afgeroepen, is niet helemaal duidelijk en zelfs niet erg belangrijk. Het is echter zeker zo dat Hegel diepgaand denkwerk heeft verricht, dag na dag, een heel leven lang, als een idealist, dus volgens volgend schema: opstaan – toilet maken – ontbijten en de krant lezen – aan het werk!

Hegel leefde in de achttiende en negentiende eeuw. Het verlangen naar bewustzijn werd toen als de motor van alle belangrijke dingen beschouwd. Dat bewustzijn lag in de wereld voor het grijpen – dat wil zeggen: het volstond om met open ogen en zinnen alles wat bestond tegemoet te treden, om het als interessant te beschouwen, en om er denk- en levenswerk op te baseren. Vandaar dat een dag van Hegel begon met het lezen van de krant, als de rechtstreekse en onkreukbare afgezant van de buitenwereld. De moderne tijden hebben het realisme niets in de weg gelegd. Het is steeds makkelijker geworden om blikken op de wereld te werpen. De gast die na het ontwaken binnenkomt is steeds groter geworden, steeds scherper en zwaarlijviger tegelijkertijd. Was Hegel in leven gebleven, dan was hij steeds gelukkiger en succesvoller geworden, op voorwaarde dat ook hij niet stilaan aan de boodschappers van de wereld was gaan twijfelen.

In de negentiende eeuw was het lezen van de krant het ochtendgebed, in de eerste helft van de twintigste eeuw luisterde men naar de radio, in de tweede helft keek men naar de televisie, en vandaag, in de eerste helft van de eenentwintigste eeuw, eet de vooruitstrevende en nuchtere mens zijn ontbijtgranen terwijl hij op het internet surft. Alleen zo krijgen we wat we willen, en wat ook Hegel wou: informatie, contact, overzicht en actualiteit. We zijn bij, we zijn er bijna ook echt bij, we weten wat het betekent om vandaag in leven te zijn, we leggen een fundering waarop de uren van de komende dag als bakstenen gestapeld kunnen worden – en onze optimistische tevredenheid over de wereld is het cement.

Natuurlijk, helaas, gaat dat niet zomaar. Krant, radio, televisie of internet: wie vandaag zijn dag op die manier begint, houdt er na een half uur mee op en gaat weer in bed liggen. Ook dat is realisme – maar het is geen realisme meer dat een filosofisch oeuvre doet ontstaan, of, bescheidener: werk, creativiteit, arbeid en bezigheid. Al minstens een eeuw lang, eigenlijk sinds de Eerste Wereldoorlog, is daarom een soort anti-hegeliaans concept van de ochtend ontwikkeld. Wie iets van zijn dag wil maken, die moet de wereld zo ver mogelijk op afstand houden. De geslaagde en productieve dag is de dag waarin – zeker in het begin – al het publieke is vernietigd, en het private op de spits is gedreven. De met kurk beklede schrijfkamer van Proust is het beste en meest letterlijke voorbeeld: Proust stond nooit op, hij ontbeet op bed en schreef tussen de lakens, de hele dag door. Tijdgenoot Valéry is een ander voorbeeld: Valéry stond iedere dag om vier uur op, en las niet de krant (die op dat tijdstip waarschijnlijk nog niet op de deurmat lag), maar las zichzelf: een paar uur lang, tot de zon opkwam, dacht hij na en schreef in zijn Cahiers neer wat hij dacht. Valéry beweerde dat de moderne tijd opnieuw om streng bewaakte en afgezonderde kloosters vroeg, waarin alle eigenschappen van de wereld – snelheid, massiviteit, nieuwheid, verrassing, spektakel – zouden worden geweerd, zodat het lezen en het schrijven een kans op overleving werd gegund. Het is zo’n klooster dat het ochtendgebed weer bij zijn oorsprong zou doen aanbelanden: het hoogstindividuele begin van een dag waarin op paradoxale wijze door middel van zeer universele activiteiten een singulier bestaan tot iets zinvols wordt gemaakt – en dus tot iets wat men liever wakend dan slapend doorbrengt.

Het belang van de ochtend wordt in alle onheilsberichten van de afgelopen tweehonderd jaar over de teloorgang van het publieke leven, van de republiek der letteren, van de hoge cultuur en van het intellect, meestal over het hoofd gezien. Nochtans ligt daar de kern van de zaak. Alles wat de afgelopen twee eeuwen is ontstaan, bestaat alleen maar om het de mens makkelijker te maken. Makkelijker op een primaire en onmiddellijke manier; makkelijker gedurende een paar seconden of hoogstens een paar minuten; makkelijker op de zeer korte termijn. Zo is het zeker zeer aantrekkelijk en bevredigend om de dag te beginnen met een bezoek aan nieuwssites, internetfora of e-mailvakjes. Dat genot duurt kort, en slaat meteen om in ontevredenheid. Er kan geen dag op gebaseerd worden.

Dat geldt voor alle fenomenen die door het cultuurpessimisme met de vinger worden gewezen: alles wat ‘de cultuur’ aantast, is op een basale manier hoogst aantrekkelijk. Het is moeilijk om te beweren dat niet iedereen, hoe kortstondig ook, verleid kan worden door een sensationeel nieuwsbericht, een zure maar breed uitgemeten klacht aan het adres van een overheidsinstelling, een oppervlakkig en alleen maar informatief stuk culturele berichtgeving, of een kunstwerk dat overduidelijk en zonder distantie of diepte een wereldse zaak reproduceert. Ook het cultuurpessimisme is eigenlijk ondertussen zelf zo’n fenomeen, dat de mens ontslaat van manieren en methoden om aan cultuur te doen. Er lijken steeds meer redenen te zijn om aan te nemen dat we dat ontslag als een beloning verdiend hebben. Het leven is zo zwaar, de werkdag zo lang, de verplichtingen zo talrijk, de invloeden en de prikkels zo verwarrend en onoverzichtelijk, de loop der dingen zo onrechtvaardig. Met kunst en cultuur is het echter als met dromen. Het komt vaak voor dat dromen pas herinnerd worden in de loop van de dag, en niet vlak na het ontwaken. En zelfs dan is het rendement van die herinnering nooit ogenblikkelijk. Men kan dromen wel interpreteren, maar niet eenduidig; men kan zich dromen wel voor de geest halen, maar nooit volledig; men kan dromen wel navertellen, maar nooit als een voorwerp doorgeven. Daarom wordt de hedendaagse dag zo ingericht dat de mens er alle belang bij lijkt te hebben, en er ook geen moeite voor moet doen, om zoiets van zich af te schudden. Een droom gaat echter meestal over het verre verleden, en bestaat voor de even verre toekomst.

Over veertig jaar zal er vast wel nog zoiets als een literaire cultuur bestaan. Maar ook dan, net zoals nu en net zoals honderd jaar geleden, zal die cultuur elke dag opnieuw ’s ochtends geboren worden. Dat zeer prille leven blijft voorhanden, iedere ochtend, en voor iedereen. Het voortbestaan ervan hangt af van alles wat ons, vanaf het moment waarop we onze ogen voor de wereld openen, zo vriendelijk en zo voordelig wordt aangeboden – en dan vooral van de mate waarin we op het aanbod met ja of nee reageren. We mogen nooit vergeten dat we, wat dat betreft, elk afzonderlijk, meer macht hebben dan in de geschiedenis ooit het geval is geweest.

Christophe Van Gerrewey (1982) is auteur van drie romans en een essaybundel. Hij doceert architectuurtheorie aan de technische hogeschool EPFL in Lausanne en is redacteur van De Witte Raaf.

Meer van deze auteur