Nuttig en zoet zijn de nieuwe naturen.
Dieren en planten komen er veel voor.
Het regent er niet vaker of juist minder.
Alles is inheems.
De mensen die er lopen zijn meest blij
of bloot of ongekapt of verongelijkt.

Zoom van het goor: duet van koekoek en vleesram.
Loofhoutwal: palet van anemoon en lijsterbessen.

Betrokkenen binnen en buiten het veld
zijn voorzien van inspraakorganen.
De vogelaarhut kent interactieve hostessen.
Dit project werd mede mogelijk gemaakt.

Kijk daar creperen vlekkerige hitjes.
Hoor daar verschalkt een havik een weeë doffer.
De natuur is geen democratie.
Ruikt u die sloot? Zo zijn hier de processen.

Rust zo zwaar op aarde dat je inklinkt
tot massa allercompactste modder graniet
tot je niets dan lichaam van lichaam.

Concentreer tot binnenste pit van je gistend vruchtvlees.

Pas dan zal je ziel zich bevrijden
en ruimte vinden te paren met wind
en zachte krachten die deeltjes bewaren

voor weemoedigste desintegratie.

Ik zie een oude slang zijn huid afstropen.
Zij hult zich in de gratie van het maanlicht.
Wij dopen ons in spiegels van wat vloeit.

Niet in een doos van weerloos karton in de sneeuw
niet onder een golfplaten hemel
niet op een bankje op een tochtig perron

ook niet in een jacuzzi op het dak van een loft
in een suite van hilton
noch in de orangerie van een buiten aan vecht of leie.

Waar wel? Want wat is moet een ergens
om zijn moede uitgebreidheid neer te leggen.
Niet iedere locatie lijkt gezien herbergzaamheid
meteen geschikt voor klei die breekbaar is.

Het zadel van een afgeragde koga.
Een krappe stortbadcel in een oud pension.
De climax van een lange avondraga.
Piepspiralen van een opklapsponde.

Een aarden kuil met een dek van lei en mos.

Piet Gerbrandy (1958) is dichter, classicus en poëziecriticus. Hij doceert Latijn aan de Universiteit van Amsterdam en is redacteur van De Gids. In 2018 verschenen zijn dichtbundel Vloedlijnen en de essaybundel Grondwater.

Meer van deze auteur