De generatie van mijn ouders heeft de maanlanding beleefd als overwinning op wat voor onmogelijk werd gehouden. Voor mij is de maan als een eiland in de Stille Zuidzee. Zolang ik leef weet ik dat er weleens mensen naartoe gaan. Ik neem aan dat er nog velen zullen volgen. Wij kijken niet naar dezelfde maan.
Ik raakte pas geïnteresseerd in wat zich op de maan heeft afgespeeld toen ik las dat de vlag die de Amerikanen er plantten een vod is. De vlag die hegemonie moest uitdrukken, is met grote haast geregeld door een textielleverancier uit New Jersey, Dennis Lacarrubba. In 1969 leverde hij zes nylon vlaggen aan de NASA voor 5 dollar 50 per stuk.
Op aarde verbleekt dit soort vlaggen al na enkele jaren. Op de maan, blootgesteld aan de elementen zonder bescherming van de atmosfeer, kan de vlag niet anders dan inmiddels volledig zijn verbleekt, als hij nog overeind staat. ‘I gotta be honest with you. It’s gonna be ashes,’ aldus Lacarrubba.
De witte vlag op de maan is onbedoeld een treffend symbool geworden van een kwijnende wereldmacht. Het onnadrukkelijke maar effectieve beeld van de verbleekte vlag – ik geef me over! – zou een fenomenaal kunstwerk zijn als het als zodanig door iemand was bedacht.
Juist in wat hij niet of onterecht representeert, is de vlag een interessant uitgangspunt voor een kunstwerk. Er valt een verhaal mee te vertellen van macht en onmacht, ambitie en falen, identificatie en buitensluiting.

De vlag als middel om betekenis te genereren, wordt tot een hoogtepunt gedreven in het werk Apolítico van de Cubaanse kunstenaar Wilfredo Prieto (1978), voor het eerst gepresenteerd in 2001. De installatie bestaat uit vijfenveertig vlaggen van landen die tot de Verenigde Naties worden gerekend. Prieto voerde deze vlaggen uit in zwart-wit. Hij laat ze in feite zien zoals ze in 1945 bij de oprichting zijn gefotografeerd in San Francisco. De vlaggen gingen toen in zwart-wit de wereld over.
Het is een regelrechte ontgoocheling om vlaggen die je kent als kleurrijk, te zien wapperen in zwart-wit. Een misverstand, lijkt het op het eerste gezicht. Maar deze contrastrijke, ontkleurde vlaggen – waar weinig triomfantelijks meer aan is – vormen een commentaar op de doelstellingen van de VN. Er wordt op een subtiele manier bevraagd of deze zijn waargemaakt. Kunnen de landen die zijn aangesloten bij de VN hun kleuren nog waardig dragen?
De Zweedse kunstenaar Felix Gmelin (1962), die in zijn werk een persoonlijke ontwikkeling afzet tegen de gemeenschapsidealen van de jaren zestig en zeventig waarin hij opgroeide, verheft de vlag tot een dubbelzinnig attribuut. Farbtest, Die Rote Fahne II (2003) bestaat uit twee filmprojecties: links een opname uit 1968 van een protestmars in Berlijn waarin zijn vader meeliep; rechts een remake gefilmd door de kunstenaar, vierendertig jaar later. In beide films wordt een rode vlag doorgegeven door dragers die door een stad lopen, frontaal gefilmd. Bij het kijken naar de rode vlag die wel en niet dezelfde blijft, rijst de vraag wat er nu eigenlijk wordt doorgegeven. Idealen, geschiedenis, een constructie?
In de tentoonstelling exclude/include. Alternate Histories bij Castrum Peregrini is een vlaggenwerk te zien van Remco Torenbosch (1982). Voor EU (2011-2015) ging hij uit van de Europese vlag. Torenbosch herkent in het oorspronkelijke ontwerp uit 1955 een blauw monochroom in de modernistische traditie, met haar idealen van puurheid, transcendentie en geloof in vooruitgang. Tegelijkertijd ziet de kunstenaar in het blauwe materiaal een blue screen of chroma key. Wanneer iets tegen een blue screen wordt gefilmd kan de achtergrond nadien met kleurfilters doorzichtig worden gemaakt, zodat wat gefilmd is voor een andere achtergrond geplaatst kan worden. Vanuit dit oogpunt is de blauwe vlag een bron van mogelijkheden.
Torenbosch bevraagt, net als Prieto met Apolítico, de belofte van de oorspronkelijke vlag: is die wel waargemaakt? De vraagstelling ligt in het werk van Prieto zelf besloten. Bij de opstelling van Torenbosch moest ik er door een begeleidende tekst op gewezen worden. Toch blijft het blauw van Torenbosch me achtervolgen. De blauwe stof ligt netjes gevouwen in een vitrine, alsof er nog iets mee moet gebeuren. Moet ik zelf iets verzinnen om op het blauw te projecteren? Moet ik zelf een vlag maken? Heb ik dan geen alternatief voor het Europese verbindingsideaal dat aan alle kanten uiteenvalt?
In dezelfde tentoonstelling wordt de Barcode-vlag van OMA gepresenteerd. Het Office for Metropolitan Architecture (OMA) werd in 1975 opgericht door Rem Koolhaas, Madelon Vriesendorp en Elia en Zoe Zenghelis om ideeën over de hedendaagse samenleving aan de praktijk te toetsen. Hun vlag kwam voort uit een opdracht uit 2001 van de Europese Unie toen de blauwe vlag verouderd werd bevonden. De vlag van OMA is voorzien van een barcode waarin elk land dat tot de Europese Unie behoort een eigen kleur heeft. De Barcode-vlag is niet statisch, zoals de huidige vlag met een vast aantal sterren; bij elk nieuw toetredend lid kan het kleurenschema worden uitgebreid.
Het resultaat vertoont een opvallende gelijkenis met de vrolijke, gestreepte stof van strandstoelen uit de jaren zeventig. Hip en ook al weer passé, geeft de vlag uitdrukking aan wat OMA wil bekritiseren met zijn ontwerp, namelijk het gebrek aan een eigen visuele taal van de Europese Unie. OMA zag een directe relatie tussen een afwezige beeldtaal van de EU en de afwezige kennis bij het grote publiek van wat de EU nu eigenlijk behelst.

De vlaggen in mijn hoofd wapperen erop los terwijl ze zich majestueus aan alles onttrekken. Ze veranderen van kleur. Ze worden zwart-wit. Ze verbleken. Ze vieren dat geen enkele geschiedenis, geen enkele visie op het heden of de toekomst vastligt.
Hijsen, die vlaggen!

Maria Barnas (1973) is dichter, schrijver en beeldend kunstenaar. Bij uitgeverij Van Oorschot verschenen haar roman Altijd Augustus (2017) en dichtbundel Nachtboot (2018). Ze is redacteur van De Gids. Met Ilse van Rijn leidt ze de nieuwe master Approaching Language aan het Sandberg Instituut. 

Meer van deze auteur