Op donkere winterochtenden wilde het weleens gebeuren dat onze leraar Oud-Grieks veel te laat en zwetend van de kater het klaslokaal kwam binnengestrompeld. Werd de koppijn hem te veel, dan schoof hij de pseudosigmatische aoristus terzijde en las iets voor wat beter bij zijn melancholieke stemming paste.
Zo maakte ik kennis met Elsschots Het dwaallicht. Ik vond het zo prachtig dat ik er voor het vak Nederlands een boekverslag over besloot te schrijven. Stom, natuurlijk, want weinig is zo geestdodend als het schoolse samenvatten van een verhaal, weinig zo impotentie veroorzakend als het benoemen van thema’s en motieven. Ik leverde in, kreeg een tegenvallend cijfer, plus de opmerking: ‘Aardig verslag. Jammer alleen dat je de symboliek gemist hebt.’
Verbazing. Symboliek? Welke symboliek? De leraar Nederlands legde het uit. Toen: woede. Wat hadden de maagd Maria en de fucking drie wijzen uit het Oosten in vredesnaam te maken met dat sfeervolle verhaal in de haven, verteld op die heerlijk regenachtige toon?
De woede was, kan ik achteraf zeggen, verkapte schaamte. Dat ik niet eens op het idéé was gekomen even een blik achter het decor te werpen, en in de coulissen.
Te mijner verdediging: ik was veertien.

Vanaf dat moment bewoog ik me door de literatuur als door een woud vol valkuilen. Lezen was niet langer alleen maar plezierig. Het werd gevaarlijk. Er stond iets op het spel. Las ik wel wat ik las? Stond er wel wat er stond?
Een boek kon een schaakspel zijn, of een puzzel, een matroesjkaset of een doos Lego-stenen waarmee je zelf allerlei verschillende bouwsels kon vervaardigen.
Niet langer consumeerde ik het ene verhaal ná het andere, nee, voortaan zocht ik naar verhalen ín verhalen. Ik ontdekte het herlezen, waardoor je in een diepere geologische laag terecht kunt komen, en misschien wel fossielen vindt van oude teksten. Neem nu dat verhaal van Harry Mulisch waarin de verteller, een man met liefdesverdriet, aan de overkant van de rivier de Amstel moet zijn, maar de brug staat open. Hij laat zich dan maar overzetten door een oude man in een roeibootje, rauwe realiteit, maar daaronder doemt de schim van Charon op die een bedroefde Orpheus over de Styx naar de Hades vaart. Het menselijke wordt mythisch, maar wie daarna de mythe openbikt, treft opnieuw menselijkheid.
Voilà, dat zijn al drie leesbeurten.
Frans Kellendonks Mystiek lichaam bleek al net zo’n tocht naar de onderwereld in zich te bergen, en voor de ervaren paleontoloog nog veel meer.
Het is wat Borges schrijft over de fictieve auteur Herbert Quain, wiens debuutroman op het einde de indruk wekt ‘dat de ontknoping niet klopt. De lezer, onrustig geworden, leest de betreffende hoofdstukken nog eens door en ontdekt een andere ontknoping, die de echte is.’
Het is een manier van lezen die vreemde monumenten oplevert. Een van mijn favoriete boeken heet Anatomy of a Short Story, een bundel vol essays over één enkel kort verhaal van Vladimir Nabokov, getiteld ‘Signs and Symbols’. Het telt amper zes pagina’s, dat verhaal, maar een leger van schrijvers, letterkundigen, mathematici, psychiaters en linguïsten heeft ruim 400 pagina’s nodig om allerlei mogelijke interpretaties van dat raadselachtige verhaal te bespreken.
Een verhaaltje van zes pagina’s. Zes onuitputtelijke pagina’s.

Het mag niet verwonderen dat mijn eigen schrijfactiviteiten sporen begonnen te vertonen van dit soort leeservaringen. Als vanzelf kreeg wat ik schreef die labyrintische structuur.
Er was één probleem: toen ik eenmaal debuteerde, bleken de lezers met een zintuig voor zulk soort teksten bijna allemaal uitgestorven. Graven onder de oppervlakte was uit de mode geraakt. Herlezen? Welke gek verspilt daar tegenwoordig nog zijn kostbare tijd aan?
Zonder verongelijkt te willen klinken geef ik één voorbeeldje uit eigen praktijk. Mijn roman 25 had ik tamelijk opzichtig – dacht ik – opgedeeld in vier lange hoofdstukken. In elk van die vier hoofdstukken vertelt de hoofdfiguur haar lijdensverhaal aan telkens een andere luisteraar. Die vier luisteraars droegen namen die duidelijk varianten waren op de namen Mattheüs, Marcus, Lucas en Johannes. Ik gebruikte citaten uit het Nieuwe Testament, ik toonde een manspersoon met gespreide armen op een bed als was hij aan een kruis genageld. En toch: geen hond die ook maar één seconde dacht aan de vier evangeliën. Ja, één student op een christelijke universiteit, verder niemand. Het gevolg was dat het boek alleen gewogen werd op de kwaliteit van de seksscènes, waardoor het geheime verhaal van het boek, dat alleen toegankelijk was via die nieuwtestamentische sleutel, onbesproken bleef.

Het zij zo. Dit is de tijd van het ene ná het andere. We leven in de illusie dat we zo veel mogelijk moeten lezen. Van al die boeken die per jaar verschijnen ten minste toch de hoogtepunten, nietwaar? De toptien, de shortlist van dit of dat, de tips van de boekhandel, de titels met vier- of vijfsterrenrecensies, de lijst met klassiekers die je absoluut gelezen moet hebben.
Gedwee laten we ons de weide van de economische groei op herderen. De literatuur van nu is een vooruitliteratuur. Het Nieuwe, Het Volgende: dat zijn de heilige woorden van de markt. Zo veel eendimensionale debuten, zo veel derderangs boeken van middle-of-the-roadschrijvers. Je veegt je reet er een keer mee af en je kunt het zaakje in de pleepot flikkeren. Geen wonder dat het herlezen uitsterft. Uit een vrucht zonder pit groeit geen nieuwe boom.
Ik zou me hierbij neer kunnen leggen, als lezer. Ik zou me als een verzuurde reactionair tot het verleden kunnen wenden, enkel nog oude favorieten herlezen, maar liever fantaseer ik mij een toekomst waarin de eenduidige mededeling vervangen wordt door een toverspreuk van veelvuldigheid. Dat de roman met het valluik, het verhaal met de dubbele bodem weer in de mode komt.
Het ene in het andere.

Laat ons afkicken van de verslaving aan het grote getal.
Laat ons zo min mogelijk boeken lezen.
Het onhaalbare ideaal is één boek: en in dat ene boek telkens weer andere boeken ontdekken. Geen Bibliotheek van Babel, maar een Boek van Babel. Het boek waar alles in staat.


Het Passa Porta Festival te Brussel nodigde, in samenwerking met Vlaams-Nederlands huisdeBuren, zes schrijvers uit om te reflecteren op Calvino’s memo’s. De korte lezingen (over lichtheid, snelheid, exactheid, zichtbaarheid, veelvuldigheid en consistentie) werden uitgesproken op zondag 29 maart 2015.

Jamal Ouariachi (1978) debuteerde in 2010 met de roman De vernietiging van Prosper Morèl. Zijn tweede roman Vertedering (2013) werd genomineerd voor de BNG Literatuurprijs en stond op de shortlist van de Gouden Boekenuil. Hetzelfde jaar verscheen de novelle 25, deel van de trilogie 25-45-70. Afgelopen jaar verscheen de roman Een honger.

Meer van deze auteur