Het restaurant had een achtenhalf gekregen in de krant, we waren het erover eens dat dit cijfer volkomen verdiend was, de wijn was ook goed geweest – en toen we naar buiten liepen, stapten we over die zwerver heen.
‘Niet doen!’ riep de zwerver. ‘Dat brengt ongeluk!’
We schrokken, we hadden gedacht dat hij sliep, of dat hij dood was.
‘Wat brengt ongeluk?’ vroeg Floris. ‘Over een dakloze heen stappen? Wat is het ergste wat ons kan overkomen? Dat we alles kwijtraken en naast jou komen te liggen?’
‘Nee,’ zei de zwerver, ‘dat is het ergste wat míj zou kunnen overkomen.’
Daar moesten we toen erg om lachen, verbaasd, alsof we nooit hadden gedacht dat een zwerver een gevat antwoord zou kunnen geven, en geef toe, je verwacht het ook niet, het had veel meer voor de hand gelegen dat de man iets vaags had gebromd, waarna we onze weg hadden vervolgd zonder ooit nog aan hem te denken.
Maar ik denk nog weleens aan hem, want we bleven staan. Floris greep de man bij zijn hand en trok hem overeind, snel en efficiënt, alsof hij precies wist hoe dat moest, een dakloze overeind trekken. En daarna nam hij hem met zich mee. Best dapper als je erover nadenkt, de man stonk behoorlijk en in zijn baard zaten allerlei etensresten.
‘Ho! Ho! Ho!’ riep de zwerver, maar hij liep wel mee, eerst nog wat stroef, alsof hij even moest uitvinden hoe dat ook al weer ging, lopen, maar na een meter of tien begon hij zich al soepeler te bewegen, voortgesleept door Floris, die hem stevig bij zijn bovenarm vasthield. De man moest zijn best doen Floris bij te houden, soms maakte hij een kort huppeltje omdat hij niet uitkwam met zijn passen. Wij liepen mee, we wilden weleens zien wat Floris van plan was.
‘We zijn er zo!’ riep Floris tegen de zwerver. ‘Ik woon hier vlakbij!’ En inderdaad, voor we het wisten stonden we bij zijn voordeur. Floris haalde zijn sleutel tevoorschijn, maakte de deur open en duwde de zwerver voor zich uit de trap op. Wij liepen achter hen aan naar Floris’ appartement, uitgelaten en opgewonden, en ook een beetje nerveus.
Floris trok de man de hal in en verdween naar de keuken. Wij bleven in de hal staan, samen met de zwerver. Er hing een wolk van ranzigheid om de man heen, we vielen bijna flauw van de stank, en ik dacht nog: als we hier lang blijven staan gaat die geur in onze kleren zitten. Het was echt een sterke geur, een striptekenaar zou om het hoofd van die zwerver allemaal kleine vliegjes tekenen en misschien zouden die vliegjes ook wel flauwvallen van de stank. De zwerver keek ondertussen rustig om zich heen, alsof hij met een makelaar was meegekomen en bedacht wat hij met deze hal zou doen als hij deze woning eenmaal had gekocht.
Het duurde even voordat Floris terugkwam, hij had toen nog dat grote appartement dat hij later moest verkopen toen hij eruit vloog bij de bank. Toen hij de hal weer in liep, had hij een grote keukenschaar bij zich. Dat was even schrikken, zeker voor de zwerver, die zijn handen afwerend omhoogstak en weer ‘Ho! Ho! Ho!’ riep. Een paar van ons begonnen ook ‘Ho ho ho!’ te roepen, maar Floris trok zich daar niets van aan. Met één hand trok hij de jas van de zwerver van diens lichaam, met een geluid alsof een klittenbandsluiting werd losgetrokken. Daarna begon hij rustig en beheerst de kledingstukken los te knippen die zich in verrassend veel lagen onder die jas bleken te bevinden. De lappen vielen als vettige boombast van het lichaam af. Op het laatst stond die man daar in een ontzettend smerige onderbroek ongerust om zich heen te kijken terwijl wij hem stevig vasthielden; ik weet niet meer wie van ons hem als eerste vastgegrepen had. Floris bukte zich om de veters van de schoenen door te knippen. Daarna probeerde hij de schoenen van de voeten te trekken, maar dat lukte niet, ze moesten eerst worden ingeknipt. Moeiteloos gingen de bladen van de schaar door het taaie leer. Je kon veel zeggen van Floris, maar hij wist wel waar hij goede keukenscharen moest kopen.
Als laatste werd de onderbroek los geknipt. Met zijn lange haar en zijn handen voor zijn geslacht gevouwen zag de naakte zwerver eruit als een geboeide Jezus, maar dat duurde niet lang, want Floris begon met snelle bewegingen de haren van de man af te knippen. Een voor een vielen de strengen op de vloer, maar het was hard werk, het haar gaf niet gemakkelijk mee. Toen het meeste eraf was, begon Floris aan de baard. De ogen van de zwerver schoten heen en weer, maar hij bleef roerloos staan, hij durfde zich blijkbaar niet te bewegen terwijl er zo’n grote schaar vlak bij zijn gezicht heen en weer flitste. Nadat de baard was bijgeknipt, trok Floris hem met zich mee. De zwerver begon weer ongerust ‘Ho! Ho! Ho!’ te roepen, en wij ook, als een echo, ‘Ho ho ho!’, terwijl we achter hen aan dromden, vol beweging opeens weer, verder het huis in, weg van de stank die opsteeg uit de losgeknipte kleren.
Floris gooide de deur van de badkamer open – meteen sprongen her en der lampen aan – en pootte de zwerver neer voor de wastafel. De man had een klein bierbuikje, maar verder was hij mager, met billen die aan de zijkant ingevallen waren. Er hing nog steeds een sterke geurwolk om hem heen, maar het was een andere geur dan eerder, kruidiger, organischer, alsof hij nu de stank van het leven met zich meedroeg en de stank van de dood in zijn kleren had achtergelaten.
Terwijl wij de zwerver weer vastgrepen, pakte Floris een tondeuse en begon de baard van de man verder bij te werken. Daarna klopte hij scheerschuim op. Nadat hij het schuim met een kwast op wangen, kin en hals van de zwerver had aangebracht, pakte hij een scheermes van het planchet onder de spiegel. Hij klapte het open en stak het omhoog. Het licht weerkaatste op het metaal.
‘Ho! Ho! Ho!’ riep de zwerver weer, en we riepen het hem weer na, ‘Ho ho ho!’ en een paar van ons grepen hem vast in het zojuist bijgeknipte hoofdhaar, zodat hij geen kant uit kon.
Floris deed een stap naar voren. Met langzame, geconcentreerde bewegingen begon hij te scheren. Niemand riep meer iets, er hing een vreemde stilte in de badkamer, alsof er straaljagers waren overgevlogen en de hemel nu leeg was. Het enige wat je hoorde was het geschraap van het mes.
Floris nam de tijd en ging zorgvuldig te werk, alsof het een jurysport was, of een tv-format, ‘Scheer een zwerver’, en er vanachter de spiegel een panel deskundigen meekeek. Zo nu en dan fluisterde hij ‘Lager, lager’, of ‘Opzij’ en dan trokken wij de zwerver naar achteren, of naar links of naar rechts, de zwerver werkte mee maar al zijn spieren stonden strak. Bloeddruppels welden op uit zijn wangen.
En daarna was er vrolijk tumult, toen het scheren gedaan was, het scheermes opgeborgen, de gezichtshuid van de zwerver gedept. Er gingen kranen open, er waren washandjes en handdoeken en een grote flacon douchecrème, de zwerver werd ingezeept en afgesopt. Sommigen knielden om zijn benen en voeten te wassen, anderen knepen washandjes leeg boven zijn hoofd en wasten zijn haren, ook werden zijn oksels stevig schoongeboend. We werden nat, we trokken onze jasjes erbij uit, onze overhemden werden ook nat. De zwerver gooide er zo nu en dan nog een ‘Ho! Ho! Ho!’ uit, maar zonder angst, vrolijk, uitgelaten, alsof hij had begrepen dat dit goed ging aflopen, en wassend en schrobbend riepen wij even vrolijk en uitgelaten ‘Ho ho ho!’ terug, alsof wij die goede afloop met hem wilden vieren. Het was een choreografie, een muziekstuk, watermuziek; het was alsof we het aanzwellende orkest konden horen, een groot orkest, met veel strijkers en nog meer koper, steeds harder speelden ze, sneller, wilder – maar opeens daalden volume en tempo toen Floris zich bukte, het geslacht van de zwerver vastpakte, de voorhuid naar achteren stroopte en met de punt van een washandje het vuil dat zich onder de eikel had opgehoopt begon weg te boenen. ‘Ho ho ho,’ mompelde de zwerver. ‘Ho ho ho,’ mompelden ook wij, en we bleven het, samen met de zwerver, mompelen toen Friso de man voorover liet buigen en met stevige bewegingen diens aarsgat reinigde. Maar toen Friso het washandje wegwierp en de zwerver weer recht ging staan, gingen we door met ons werk, werd er weer luidkeels geroepen, ‘Ho! Ho! Ho!’ ‘Ho ho ho!’, speelde het orkest weer op volle sterkte. We wasten, schrobden en boenden, kletsnat nu, onze overhemden doorweekt, we sopten in onze schoenen. Het was alsof niemand meer wist hoe dit begonnen was, áls dit al begonnen was. Er was geen begin en er was ook geen einde, er was alleen maar datgene wat we aan het doen waren, nu, op dit moment, in Floris’ badkamer, en tegelijkertijd niet in Floris’ badkamer, want waar kon dit zich anders afspelen dan in het rijk van de verbeelding, op een locatie die nog niet had bestaan voordat deze gebeurtenis zichzelf had verzonnen?
De zwerver werd afgespoeld, we verzorgden de wondjes op zijn wangen en hoe schoner de man werd, hoe jonger hij eruit ging zien, hij werd een van ons, steeds schoner, steeds frisser, en terwijl we hem droogwreven, keek hij ons opgetogen aan, met stralende ogen, van de een naar de ander, alsof hij ons jaren geleden was kwijtgeraakt en nu weer teruggevonden had, en wij keken stralend terug, alsof we spijt hadden van de jaren waarin we niet aan hem hadden gedacht maar met de belofte dat we onze achteloosheid de komende jaren meer dan goed zouden maken. We sloegen hem op de schouders, zijn schone, rozige schouders, en riepen ‘Ho ho ho!’, alsof dat zijn nieuwe naam was; en hij riep het terug, vrolijk en hard, alsof hij met deze naam erg ingenomen was.

Drie maanden is hij bij Floris blijven hangen. Ze maakten een ontspannen, kalme indruk als je ze met z’n tweeën zag. In het begin had hij last van allerlei ontstekingen in zijn gezicht, als gevolg van die scheerbeurt, maar na een paar weken trok dat weer bij. Hij vond het niet erg dat we hem Hohoho bleven noemen. We kortten het algauw af tot Hoho en als hij langer dan drie maanden was blijven hangen, was het ongetwijfeld Ho geworden. Maar van de ene dag op de andere was hij verdwenen; volgens sommigen had hij Floris’ pinpas en laptop meegenomen, maar Floris heeft dat nooit willen bevestigen. Ik heb hem er ook nooit naar gevraagd, en nu is het te laat, we zijn elkaar al lang geleden uit het oog verloren, misschien was die avond in Floris’ badkamer wel de laatste keer dat we met z’n allen samen waren. Soms kom ik nog wel iemand op straat tegen, en dan groet ik beleefd, ik mis niemand.
Maar die avond zelf – die ene avond, wij met die zwerver in de badkamer, Floris die met grote halen de baard afknipt, elke pluk die hij loslaat wordt met gejuich begroet, niet alleen door ons, ook door de zwerver. Net als Floris en de rest heb ik een leven van niks geleid, een van ons had bij de laatste kabinetsformatie staatssecretaris kunnen worden als niet was ontdekt dat hij verzonnen dingen op zijn cv had gezet en dat was het dan, verder dan dat is niemand van ons ooit gekomen; en als ze een episode uit mijn leven zouden moeten verfilmen, dan zou het die scène in de badkamer moeten zijn, dat optimistische muziekstuk, ja, geen film maar een musical, dat zou het moeten zijn, de bravoure die werd overwonnen en ons verbond, even – en dan niet na de aftiteling vermelden hoe het verder is gegaan met de personages, dat doet er niet toe, zoals ik al zei hebben we levens van niks geleid en het gaat alleen om die scène, alles ervoor en erna is verzonnen.

Rob van Essen (1963) ontving eerder dit jaar de Libris Literatuur Prijs voor zijn roman De goede zoon. Dit najaar verscheen een nieuwe editie van zijn roman Visser uit 2009. Momenteel werkt hij aan de biografie van Menno Wigman.

Meer van deze auteur