‘Naar weten reiken alle mensen van nature. Een teken is hun liefde voor waarnemingen: zij houden van waarnemingen omwille van zichzelf, los van enig nut, en het meest van al van visuele. Want niet alleen met een praktisch doel voor ogen, maar ook als we niets speciaals van plan zijn, verkiezen wij het zien, om zo te zeggen, boven alle andere vormen van waarneming. De reden is dat die vorm van waarneming de meeste kennis oplevert en vele nuances aan het licht brengt.’ Zo opent een van de belangrijkste en grondigste boeken aller tijden, de Metafysica van Aristoteles. We willen zien wat er te zien valt, liefst wat we nog niet eerder zagen, en dan zo gedetailleerd mogelijk, met louter het weten als doel. Het Griekse woord voor ‘weten’ betekent eigenlijk ‘gezien hebben’. Zien om gezien te hebben, dat is het begin van alle filosofie.

Enkele bladzijden verder schrijft Aristoteles: ‘Dat het bij wijsheid niet om praktische doelen gaat, kan men zien aan hen die voor het eerst met filosoferen begonnen. Het is immers de verwondering die mensen altijd heeft aangezet tot filosoferen, tegenwoordig en in het verleden, waarbij zij zich eerst verwonderden over datgene wat ze niet begrepen van de gewone dingen om hen heen, en vervolgens stapje voor stapje verder gingen om vragen te stellen bij steeds grotere aangelegenheden, zoals wat de maan overkomt, zoals de zon, de sterren en het ontstaan van het al. Wie niet begrijpt en zich verwondert, beseft onwetend te zijn. Daarom verlangt de wijsgeer in zekere zin ook naar sterke verhalen, die immers zijn opgebouwd uit verwonderlijke elementen. Als het dus inderdaad zo is dat zij zijn gaan filosoferen om aan onwetendheid te ontkomen, is het evident dat zij omwille van het weten kennis gingen najagen, niet vanwege enig praktisch nut.’

Onwetendheid wordt in deze formulering voorgesteld als een roofdier waaraan men moet zien te ontkomen, kennis als een felbegeerde jachtbuit. Filosoferen is een zaak van existentieel belang. Wie ten prooi valt aan onwetendheid is verloren. Weten is een felbegeerde trofee die geen nut heeft, maar daardoor des te duidelijker maakt waarin de mens zich van het dier onderscheidt. Wij kunnen het ons veroorloven tijd vrij te maken voor bezigheden die niet direct bijdragen tot het handhaven van onze existentie. Ons bestaan wordt gekenmerkt door de drang aan de voorwaarden van datzelfde bestaan te ontsnappen. Daartoe staat ons de taal ten dienste, die het mogelijk maakt sterke verhalen te verzinnen. Het Griekse woord dat Aristoteles daar gebruikt, is ‘mûthos’: een mythe, of een fictioneel verhaal van algemene geldigheid met een hechte plot. Filosofen vertellen verhalen, die niet waar behoeven te zijn om waarde te kunnen bevatten.

Of Aristoteles’ visie op de oorsprong van het speculatieve denken standhoudt in het licht van moderne theorieën op het terrein van de biologie en de hersenwetenschappen, zou ik niet durven te zeggen. Feit is dat nieuwsgierigheid de mens is aangeboren, zoals iedereen zal bevestigen die weleens naar kleine kinderen heeft gekeken, en het ligt voor de hand aan te nemen dat de meeste vormen van nieuwsgierigheid oorspronkelijk een evolutionair doel hebben gediend. Wanneer ik een geklede vrouw zie en mij afvraag wat zich onder haar kleren bevindt, is dat geen belangeloze drang tot weten, maar een verlangen naar verlustiging en procreatie. Het is niet verwonderlijk dat Plato filosofie omschrijft als een erotisch proces. Je wilt opgaan in het ongewetene.

Is nieuwsgierigheid een oervorm van filosofie? Niet alle nieuwsgierigheid is gericht op het verwerven van inzicht. Nieuwsgierigheid kan voortkomen uit verveling, uit het verlangen naar prikkeling, naar het verleggen van grenzen. In elk geval reikt zij naar het nog onbekende, waarvan per definitie niet bekend is waar het zich bevindt en hoe het eruitziet. Hoe zoek je naar wat je niet kent? Door je open te stellen, je ontvankelijk te maken voor de inblazing van het nieuwe. Ook dat is een erotische houding, die kwetsbaar maakt. Misschien heeft Aristoteles het verkeerde beeld gebruikt, en gaat het er juist om je te laten overrompelen door onwetendheid en het weten te laten schieten.

De nieuwsgierigheid van de filoloog richt zich op het ontsluiten en begrijpen van onbekende teksten. In een moeizaam en vaak tijdrovend proces van ontcijferen, analyseren en contextualiseren probeert hij het geschrevene te duiden, het onbekende een plaats toe te wijzen in de ruimte van het reeds gekende, vertrouwd te maken wat vreemd is. Vanwaar de vreugde wanneer je iets ontdekt of begrijpt wat jou en anderen tot dan toe ontgaan is? In de meeste gevallen gaat het bij filologische problemen om aangelegenheden die buiten de filologie geen relevantie hebben. De filoloog is een muzikant die zich uitleeft om te laten zien dat hij zich de luxe kan permitteren zijn leven te wijden aan futiliteiten, waarmee hij impliciet aangeeft dat hij zijn schaapjes op het droge heeft. Zoals de ene nachtegaal opbiedt tegen de andere door zijn inventiviteit en uithoudingsvermogen in het produceren van steeds fraaiere riedels tentoon te spreiden, etaleren classici nutteloze kennis om hun vakbroeders te overtroeven. Als classicus streef je ernaar altijd net iets erudieter te zijn dan je collega’s. Daarmee is niet gezegd dat de vreugde bij het ontdekken van iets nieuws niet authentiek is, maar wel dat we vraagtekens kunnen plaatsen bij de belangeloosheid ervan.

De spannendste ontdekkingen worden gedaan op momenten dat je naar iets anders zoekt. Daarom leiden onderzoeksvoorstellen waarin van tevoren moet worden aangegeven wat de vermoedelijke uitkomst van het onderzoek is, tot bloedeloze projecten. In de treurige kamertjes van onze universiteitskolossen, waar meestal geen raam open kan, zitten bleke aio’s tegenover snorrende schermen te zuchten, in de hoop dat hun voorgeprogrammeerde weetlust gelegenheid vindt van het gebaande pad af te wijken en ontdekkingen te doen die niemand had verwacht. Het is echter niet deze nieuwsgierigheid die het beste uitzicht biedt op een glanzende academische carrière, maar de vaardigheid je voetnoten zo te formuleren dat je niet door naijverige vakgenoten gevloerd kunt worden.

Voor de filoloog is het ontdekken een plotseling zien, gevolgd door een inzien.

Poëzie lezen vergt een andere vorm van nieuwsgierigheid. Wanneer je een nieuw boek met gedichten opent hoop je een wereld te betreden die je nog niet eerder gezien hebt. Het gaat daarbij om een innerlijke ruimte, waarvan je als lezer veronderstelt dat ze het psychisch universum van de dichter representeert. Je weet dat het hoofd van de maker strikt genomen ontoegankelijk is, dat je nooit in andermans ziel kunt kruipen, dat de intenties van de dichter er niet toe doen, maar op grond van de woorden in het boek construeer je een terra incognita, een exotisch gebied waarin je kunt rondlopen, nieuwe vergezichten ontwaart, vreemde geuren opsnuift en ongehoorde geluiden opvangt. Vanzelfsprekend bevindt zich die ruimte noch in het brein van de dichter, noch in de tekst zelf, maar in de verbeelding van de lezer. Het gedicht stelt je in de gelegenheid de uithoeken van je eigen ziel te exploreren – sterker nog: ruimten te bouwen die er voorheen niet waren. Poëzie die slechts appelleert aan wat we al kennen, is overbodig.

Voor de poëzielezer is ontdekken het vernemen van een stem, gevolgd door een poging haar te localiseren.

Wie een essay of een gedicht schrijft, schept zinnen die als kapmessen in de jungle een weg banen waar er geen was, als sterren aan de rand van het universum, die ruimte en tijd doen ontstaan waar niets was, zelfs geen afwezigheid. Toen ik mij neerzette om een stuk over nieuwsgierigheid te schrijven, was ik benieuwd waar ik zou uitkomen. Wanneer ik een gedicht maak, laat ik de woorden hun gang gaan. Zij vormen een wereld die weliswaar uit het diepst van mijn ziel schijnt voort te komen, maar mij volstrekt vreemd is. Ik herken het gedicht niet en verwonder mij over zijn aanwezigheid in een ruimte die er eerst niet was. Nadat ik het enige tijd bekeken heb en eraan gewend ben geraakt, begint het mij te vervelen. Ik stuur het de wereld in en vergeet het vrijwel direct. Kom ik het later opnieuw tegen, dan kan ik er geen contact meer mee krijgen. Van dichters die hun eigen werk koesteren begrijp ik niets. Het oude gedicht is dood, het nieuwe leeft nog niet. Alleen de geboorte heeft waarde.

Voor een dichter is ontdekken een tasten in het schemerduister, het schrapen van een keel om op grond van de akoestiek te bepalen in wat voor een ruimte hij zich bevindt. De dichter is een vleermuis in de avond, op zoek naar voedsel voor zijn winterslaap.

Verwondering leidt tot weten, zegt Aristoteles. Maar alleen het weten dat de kiem van nieuwe verwondering in zich draagt is de moeite van het najagen waard. Wijsbegeerte verlustigt zich in plots met losse eindjes: zodra het verhaal begint te kloppen, wordt het tijd voor een nieuw verhaal.

Nieuwsgierigheid: het verlangen naar verwondering.

Piet Gerbrandy (1958) is dichter, classicus en poëziecriticus. Hij doceert Latijn aan de Universiteit van Amsterdam en is redacteur van De Gids. In september 2018 verschenen bij uitgeverij Atlas Contact zijn dichtbundel Vloedlijnen en de essaybundel Grondwater.

Meer van deze auteur