Laat mij u meenemen naar het Noord-Italiaanse plaatsje Citerna, op een kleine vijfhonderd meter hoogte in de uitlopers van de Apennijnen. Voor de gymnasiasten: we zitten zo’n dertig kilometer benoorden het Trasimeense meer. Voor de kunsthistorici: Citerna ligt aan het eind van de Via Madonna del Parto, die van Monterchi naar het noorden loopt, in de richting van Borgo San Sansepolcro. En voor de gewone toerist: niet ver hiervandaan loopt de grens tussen Toscane en Umbrië.

Belangrijker dan deze geografische en cultuurhistorische plaatsbepalingen is de datum: het is 12 augustus 1944. Sinds de geallieerde landing op de Siciliaanse zuidkust een jaar geleden is het 12de regiment Royal Lancers in de opmars naar het noorden nu gevorderd tot de lijn Livorno-Arezzo-Ancona. De commandant van dit cavalerieregiment, luitenant-kolonel Kenneth Edward bijgenaamd ‘Kate’ Savill, is een op en top Brits militair. Zo is van hem bekend dat hij er niet voor terugdeinst zijn meerderen tegen te spreken, bijvoorbeeld toen de hogere legerleiding in een eerdere fase van de Italiaanse campagne het bevel gaf voor een all-out aanval. Het bevel hield in dat Savills regiment de rivier de Sangro moest oversteken met als doel de Duitse versterkingen aan de overzijde te veroveren. Zonde van de kostbare en goed opgeleide cavaleriemanschappen, argumenteerde Savill, en hij kreeg zijn zin. De Duitse stellingen werden eerst zodanig door beschietingen verzwakt dat bij de uiteindelijke verovering veel minder gevallenen te betreuren waren.

Misschien heeft zijn wat intellectuele militaire aanleg ermee te maken dat Savill een cavalerist van de oude stempel is. Na zijn schooltijd in Winchester is hij opgeleid in Sandhurst, in de tijd dat cavalerie nog niet in tanks zat maar te paard opereerde. Bang is Savill zeker niet, zo leren de verhalen over zijn achtereenvolgende plaatsingen in Egypte, India, Frankrijk, Noord-Afrika en Italië. Zijn reputatie wordt bevestigd door een dso, een Distinguished Service Order, die hem later in datzelfde jaar 1944 zou worden toegekend voor zijn leiderschap tijdens de uitzonderlijk heftige strijd bij de stad Forli aan de Via Emilia.

Zover zijn we op deze 12de augustus echter nog niet. Aan het eind van de dag rukt luitenant-kolonel Savill met zijn regiment op naar Citerna. Bij hun overhaaste vertrek hebben de Duitsers, zoals gebruikelijk, niet nagelaten om de nodige verwoestingen aan te richten. De toren van de plaatselijke Sant’ Angelo overleefde in de voorafgaande decennia eerst een cycloon, vervolgens maakte in 1917 een aardbeving het schip van de kerk met de grond gelijk. Toch stond de historische kerktoren nog altijd fier overeind, totdat de vluchtende Wehrmacht die enkele dagen eerder bij wijze van afscheid nog even opblies. Nu trekken de Royal Lancers bij het vallen van de avond het stadje binnen.

Aan de rand van de stad vindt ‘Kate’ Savill een fors landhuis waar hij zijn commandopost in vestigt. Te midden van het door de oorlog gehavende Citerna staat deze historische villa er nog fraai bij. Overste Savill is dan ook tamelijk tevreden met zijn vondst van dit onderkomen, waar zijn manschappen even van hun vermoeienissen in de intensieve grondoorlog kunnen bijkomen.

De volgende ochtend, na eindelijk weer eens een behoorlijke nachtrust, stapt Savill in goed humeur rond ‘zijn’ landhuis, in het volle licht van de Italiaanse zomerzon, als hij op de voordeur van de villa een met krijt geschreven mededeling ziet staan. Die was hem de vorige avond niet opgevallen. De tekst luidt als volgt:

21/7 hd 13/14

Dit is een beslissend moment, want Savill kan nu op twee manieren reageren. Hij kan denken: daar heeft iemand iets op de deur geschreven. Dat zal wel. Ik ga nu eerst ontbijten en daarna kan de dag beginnen. Er zijn mensen die zo’n opschrift twee minuten later alweer vergeten zijn.

‘Kate’ Savill behoort tot de mensen die denken: dit is merkwaardig. Dat is niet iets wat iemand zomaar op een deur kalkt. Dit moet iets betekenen. Maar wat? Overste Savill neemt als het ware het onzekere voor het zekere. Hij laat het hele landhuis evacueren en geeft opdracht het vervolgens minutieus te doorzoeken. Kamer voor kamer wordt het gebouw uitgekamd. Uiteindelijk vinden zijn mannen in de kelders van de villa een hoop droge takken. Daaronder ligt een twee meter diepe put die tot aan de rand is gevuld met explosieven. Door een daaraan verbonden tijdmechanisme zouden die explosieven in de nacht van 13 op 14 augustus de hele villa met daarin het slapende 12de regiment Royal Lancers de lucht in hebben laten vliegen.

Als je dit verhaal eenmaal kent, kun je de door de Duitsers op de deur geschreven codering wel een beetje begrijpen. Vermoedelijk waren de explosieven op 21 juli geplaatst. ‘hd’ was wellicht de aanduiding van een militaire eenheid of het waren iemands initialen. En 13/14 was de augustusnacht waarop de ontploffing zou plaatsvinden. Dat klinkt allemaal redelijk plausibel, maar waar het mij om gaat is de reactie van Savill, die onmiddellijk besluit dat iets wat hij niet begrijpt letterlijk tot op de bodem moet worden uitgezocht. Daar spreekt waakzaamheid uit en verantwoordelijkheidsgevoel. Dat zijn voortreffelijke eigenschappen, zeker voor een militair. Maar volgens mij zijn die eigenschappen terug te voeren op een geestesgesteldheid die niet speciaal met het beroep van militair te maken heeft. Die eigenschappen zijn verschijningsvormen van de nieuwsgierigheid. Willen weten wat iets betekent. Niet aan de dingen voorbij lopen. Overal iets achter zoeken. Nooit onverschillig reageren. Signalen die je krijgt altijd serieus nemen. Gespitst zijn op de achtergrond, voorgeschiedenis, oorzaken en mogelijke gevolgen van wat zich aan je voordoet.

In het in memoriam dat The Daily Telegraph aan de op 29 december 2007 op 101-jarige leeftijd overleden Savill besteedt, komt de wonderbaarlijke redding in Citerna uiteraard even ter sprake. Hij schreef er, althans in eigen kring, militaire geschiedenis mee. De krant schrijft Savills reddende actie toe aan diens ‘intuïtie’. Die kwalificatie suggereert dat nieuwsgierigheid als levenshouding een aangeboren eigenschap is. Een kenmerk dus van ieder mens. Is dat zo? Ik betwijfel dat.

Er is inderdaad een soort algemene menselijke nieuwsgierigheid, die bijna op de wijze van een zintuig werkt, en waarover iedereen dus wel in enige mate beschikt. Zoals iedereen, althans bijna iedereen, ook kan kijken of kan ruiken. Dat is de nieuwsgierigheid naar de best mogelijke overlevingskansen. De nieuwsgierigheid als een atavistisch wapen in de aloude ‘struggle for life’.

Toch is er ontegenzeggelijk een tweedeling tussen meer nieuwsgierige mensen die beseffen wanneer er iets is dat ze niet weten. Daar willen ze dan in hun eigen belang en soms ook in dat van anderen graag achterkomen. En er zijn minder nieuwsgierige mensen die grosso modo genoegen nemen met hetgeen ze al weten, en zich zo weinig mogelijk buiten die vertrouwde kring wagen.

Volgens mij is dit slechts de halve waarheid, want naast de nieuwsgierigheid als aangeboren verschijnsel is er ook de nieuwsgierigheid als cultureel verschijnsel, dat wil zeggen als iets dat je kunt aanleren. Als je je nieuwsgierigheid kunt beheersen, zoals een mens helaas vaak genoeg moet doen, dan kun je haar immers ook trainen, opdat ze groter wordt. Is die training van de nieuwsgierigheid hetzelfde als dat wat met een onderwijskundige term wel ‘leren leren’ wordt genoemd?

De nieuwsgierigheid als intuïtieve gave behoedt ons net als de dieren voor gevaar of wijst ons de weg naar voedsel. De nieuwsgierigheid als intellectueel instrument zorgt ervoor dat wij als archeologen, sociologen, biografen, dichters en essayisten dingen op het spoor komen die zonder onze nieuwsgierigheid als bronnen van kennis in het verborgene zouden zijn gebleven.

Deze indeling suggereert dat er dus twee verschillende soorten nieuwsgierigheid bestaan. Of gaat het bij de intuïtieve en de culturele nieuwsgierigheid gewoon om gradaties van hetzelfde verschijnsel? Is de nieuwsgierigheid van de wetenschapper, de journalist en de biograaf een verhevigde vorm van de aangeboren nieuwsgierigheid? Gedragen deze vakmensen zich als het ware alleen extra nieuwsgierig indien en omdat hun beroepsomstandigheden daarom vragen? Bevindt overste Savill zich wellicht precies op de grens waar de intuïtieve en de intellectuele nieuwsgierigheid in elkaar overgaan? Er zou een tak van wetenschap moeten zijn, iets op het snijvlak van de neurobiologie en de cultuursociologie, die op deze vraag een antwoord kan geven.

In mijn bundel Bekentenissen van een nieuwsgierig mens (Amsterdam, 2008) heb ik 107 mini-essays bijeengebracht waarin ik achter van alles ben aangegaan wat mijn nieuwsgierigheid in de loop der jaren op het spoor kwam. Er staan stukken in over de eerste en laatste woorden van mensen, over de geschiedenis van het applaus, over de vraag hoe men in gezelschap iemand het beste kan verbeteren, over de concordantie als ultiem eerbetoon aan schrijvers, over de schilderkunst door apen, over dorpen die op de bodem van stuwmeren liggen, over de inhoud van damestasjes, over kleine meisjes die bloemen aan hooggeplaatste personen overhandigen, over de meest geëigende definitie van geluk, over de gewoonte van mensen om elkaar de groeten te doen, over het noodlottige karakter van zetfouten, over de verslavende onweerstaanbaarheid van opsommingen en nog veel meer.

Enerzijds hebben die korte stukken een speels element, waarop door recensenten terecht is gewezen, een soort verwondering over het vele dat er in de wereld van alledag te vinden is, en waar je je nader in kunt verdiepen. Toch is nieuwsgierigheid voor mij meer dan een speeltje dat je zo af en toe een rondje laat rijden en waar je als een kind gretig achteraan huppelt. Nieuwsgierigheid is de kracht, veel meer dan plichtsbesef, werkdrift of levenslust, die ervoor zorgt dat ik ’s ochtends mijn bed uit kom. Nieuwsgierigheid is motor en brandstof tegelijk, het is de drijfveer die maakt dat ik boeken lees en schrijf, naar opera’s of concerten ga, reizen maak, kranten en tijdschriften bijhoud en over het internet surf. En dat niet uit een vrijblijvende houding van ‘eens kijken wat we vandaag weer in onze netten zullen aantreffen’, maar vanuit het diepgevoelde besef dat dat teken niet voor niets op de deur geschreven staat. Dat alles iets zou kunnen betekenen, althans dat er iets achter moet zitten. Dat er bovendien iets op het spel staat, niet alleen achter iedere deur, maar ook achter iedere titel van een boek, elke naam van een land of stad of dorp of persoon, achter ieder jaartal, iedere straatnaam, iedere datum.

De nieuwsgierigheid kan dus ook wel degelijk psychotische trekken aannemen, onbeheersbaar worden en daarmee iedere onschuld verliezen. De nieuwsgierigheid als een milde vorm van intellectuele paniek, waarbij men op een gegeven moment geen criterium meer heeft om te kiezen waar men zich in zal verdiepen. Immers, achter elke deur bevindt zich een huis dat erop wacht om uitgekamd te worden, en op een gegeven moment waant men zich louter omringd door deuren met raadselachtige opschriften. De nieuwsgierigheid is de nietsontziende prikkel die een mens ertoe dwingt om al die huizen – geen uitgezonderd – in de loop van zijn leven op hun interpretatie te doorzoeken. Want God verhoede dat er in de kelder van een van die huizen, onder een droge bos takken, een put vol explosieven ligt en dat je daar pas achter komt als het al te laat is.

De conclusie kan dus een vierledige zijn:

1) Er zijn twee soorten nieuwsgierigheid, een intuïtieve en een intellectuele nieuwsgierigheid. Hoe die twee zich precies tot elkaar verhouden, weet ik niet.

2) De ene, de intuïtieve, is een nieuwsgierigheid waarover iedereen als aangeboren eigenschap in enige mate beschikt, de een meer dan de ander. Dat is een reactieve eigenschap, die door prikkels van gevaar, lust of honger – dus eigenbelang – wordt geactiveerd.

3) De andere, de intellectuele nieuwsgierigheid, is een actieve eigenschap, die een eigen innerlijke drijfveer heeft en die dan ook bijzonder moeilijk te beheersen valt. In het beste geval leidt die cultureel bepaalde nieuwsgierigheid tot wetenschappelijke ontdekkingen en artistieke prestaties. In het slechtste geval maakt die het zo goed als onmogelijk om je ergens voor langere tijd exclusief aan te wijden of in te specialiseren.

4) Bij beide soorten nieuwsgierigheid staat niets minder dan je leven op het spel, respectievelijk je biologische en je geestelijke leven.

Maarten Asscher (1957) debuteerde in 1992 met de bundel essayistische verhalen Dodeneiland. Sindsdien publiceerde hij een dozijn boeken in diverse literaire genres en een proefschrift over gevangenschap als literaire ervaring (Het uur der waarheid, 2015). In 2020 ver- schijnt bij De Bezige Bij een autobiografische roman over het leven van zijn Engelse grootouders. 

Meer van deze auteur