Ik wil naar een trainingskamp om te leren overleven, zegt hij tijdens het afspoelen. Ik wil leren hoe je vuur maakt, hoe je water vindt en drinkbaar maakt, welke planten je kunt eten en welke niet. Dat soort dingen.

En zeker ook leren schieten, zeg ik, terwijl ik de vaatwasser aanzet.

Dat zal ook wel moeten, inderdaad. Ik maak geen grap. Kijk naar mijn handen, hoe glad ze zijn, ik kan niets, ik heb mijn hele leven alleen maar intellectuele arbeid gedaan. Maar straks gaat het erom wie overleeft en wie niet.

Ik kijk naar zijn handen, elegant en zacht, met perfecte, regelmatige nageltjes. Hij heeft er altijd moeite mee gehad dat ik ze zo bewonder, hij schaamt zich voor ze. Ook ik houd me bezig met intellectuele arbeid, en toch zitten de mijne altijd vol sneetjes, de huid is droog en schilferig. Als een voorbode – voor wie dat erin wil zien – van hoe de aarde er straks uitziet, op de meeste plekken te droog en schilferig om er nog te kunnen leven.

Later, in bed, laat hij me een artikel in The Independent lezen van de linkse schrijver Richard Seymour, die kort uiteenzet wat ons allemaal te wachten staat. Het einde van de wereld, basically. Zelfs als we per direct stoppen met elke vorm van CO2-emissie, schrijft hij, dan nog stijgt de temperatuur op de Noordpool met vijf graden. Het smelten van het ijs heeft allerlei ingrijpende gevolgen, waaronder het afsterven van de helft van het fytoplankton, verantwoordelijk voor een groot deel van de zuurstof in de lucht. Alleen al ademhalen wordt waarschijnlijk een stuk moeilijker: het wordt een strijd. 

Het artikel werd gedeeld in de appgroep van zijn vrienden, een handjevol Parijse kunstenaars en andere intellectuele arbeiders. Doorgaans passeren in die groep vooral obsceniteiten en face morphs van Étienne Balibar en Isabelle Stengers waarvan je wilde dat je ze niet gezien had, omdat je ze nooit meer kunt vergeten. Nu wisselen ze tips uit op welke plekken ter aarde we straks nog kunnen leven. In de Verenigde Staten, zeggen ze, niet alleen om de aangename temperatuur maar ook om de welvaart, die te vuur en te zwaard verdedigd zal worden. Kodiak Island in Alaska en Boise, Idaho.

Inna Kochkina

Steeds meer mensen om mij heen zeggen last te hebben van klimaatdepressie; een zware vorm van klimaatmelancholie, waarbij de angst voor catastrofes als gevolg van klimaatverandering klinische proporties aanneemt. Of misschien waren de klinische proporties er al, en zochten ze alleen nog een object om zich aan vast te zuigen. Vrienden komen hun bed niet meer uit, of bellen op dat ze een paniekaanval hebben en de sleutels niet meer in het sleutelgat van hun huis krijgen. Het is geen romantische melancholie over wat we verloren hebben – de sublieme schoonheid van de aarde – maar vooral een diepe, afgrijselijke angst.

Mijn geliefde heeft soms duistere buien, waarin hij ver weg lijkt. Hij leest dan alleen nog maar over rampen en sociale ongelijkheid. De aanslag in Christchurch grijpt hem bovenmatig aan. Dit gaat alleen maar erger worden, zegt hij.

Hoewel ik zelf hard probeer om niet depressief te worden – het credo indachtig dat een politieke overtuiging je niet verdrietig zou moeten maken maar vreugdevol, anders is er iets mis met de overtuiging – ben ik ook bijzonder vatbaar voor deze doemdenkerij. Opgegroeid in de evangelische kerk, waar de tekenen van het naderen van de eindtijd overal werden gezien (een chip onder de huid bijvoorbeeld, het teken van het Beest), is er in mijn borst een vakje gegroeid voor het geloof in een zware straf voor menselijke slechtheid. Een vakje dat na mijn afscheid van de kerk enige tijd leeg is gebleven, vergeten en gedrenkt in gelukkige voorspoed, maar dat als vorm nooit is verwijderd en zich al te gemakkelijk weer laat vullen. Mijn vriend en ik spelen met het idee om met andere vrienden een groot, vervallen landgoed te kopen op het Franse platteland – ergens hoog en droog in Auvergne – dat op te knappen en daar dan met zijn allen te gaan wonen, zo veel mogelijk zelfvoorzienend. Voorbereid op de vloed en de schaarste.

Maar hoeveel tijd hebben we nog?

In feite leven we al in negatieve tijd. De Zweedse denker Andreas Malm beschrijft in The Progress of This Storm. Nature and Society in a Warming World (Verso, 2017) hoe klimaatverandering het heden injecteert met het verleden. Wij leven nu met de gevolgen van de keuzes van het verleden, het verbranden van fossiele brandstoffen, energie uit een nog verder verleden. ‘We can never be in the heat of the moment, only in the heat of this ongoing past.’ Tegelijkertijd denkt hij wel dat, als we nu ingrijpen, erger voorkomen kan worden. We hebben een ‘window’ van een paar decennia om de boel te redden. ‘That possibility supercharges our moment with time.’ De lucht is zwaar van tijd.

Terwijl ik dit schrijf, merk ik dat ik een beetje ironisch wil doen over deze gedachten. ’t Is vast allemaal maar ideologie, wil ik zeggen, linkse obsessies, en wat zijn we toch lief dat we ons zo laten meevoeren. De conventies van de literaire vorm dringen zich op. Dat hoort in een column, dat mild empathische en toch afstandelijke toontje voor alle grote verhalen, voor jeugdige hartstocht en paniek. Wie daar ooit mee begonnen is weet ik niet, het is of was aanwezig bij Martin Bril, Theodor Holman, en ook bij mijn leeftijdsgenoten.

Maar de struggle is real, hier in huis.

Jezus vertelde de parabel over de wijze en de dwaze maagden. Tien maagden wachtten met een olielamp op de komst van de bruidegom. De dwaze maagden hadden de olie al in de lamp gedaan, de wijze maagden wachtten in het donker, de olie nog op voorraad. Tegen de tijd dat de bruidegom eindelijk aankwam, waren de dwaze maagden bij hun gezellig brandende lampjes in slaap gevallen en was de olie opgebrand. De wijze maagden vulden hun lampjes pas op dat moment met olie, en terwijl de dwaze maagden probeerden verse olie te kopen, werden de wijzen door de bruidegom meegenomen naar het feest. Geen feest voor de dwazen.

Wacht nog maar even met die olie, Jezus zei het al. Ik heb het bewaard in mijn vakje.

Misschien is het vooruitkijken naar klimaatcatastrofe als met de Gok van Blaise Pascal. De Gok ging over het geloof in God: je kunt beter gokken dat God bestaat dan dat Hij niet bestaat. Als je gelijk krijgt word je beloond; gok je verkeerd, dan merk je daar in elk geval niets van, straks in de eeuwigheid.

Ik gok niet (of haast niet) meer op het bestaan van God, maar straks zijn wij voorbereid op de hitte en de ademnood, dan kunnen we vechten en overleven. Blijkt het niet nodig te zijn, dan zijn onze angsten in elk geval voor een tijdje getemperd. Is het wel nodig, dan… nou ja. Dan houden wij het misschien iets langer vol dan de ontkenners. En mocht er een nieuwe tijd komen na de eindtijd, een nieuwe start, dan kunnen we die helpen vormgeven.

Persis Bekkering (1987) debuteerde in 2018 met de roman Een heldenleven (Prometheus), die werd genomineerd voor de ANV Debutantenprijs. Kort proza verscheen onder meer in De Revisor, DW B en De Gids. Ze is redacteur van DIG (voorheen De Internet Gids) en werkt aan een nieuwe roman. 

Meer van deze auteur