Toen ik mij voorbereidde op dit schrijven, ging ik ervan uit dat er om te beginnen een mer à boire aan Nederlandse rivierschrijvers zou zijn, dichters om over te schrijven, vertellers om samen te vatten, denkers om af te zakken of tegenin te roeien. Dat komt natuurlijk door ‘Herinnering aan Holland’, een van de weinige gedichten die ik kan opzeggen, en dat ik me altijd met dubbele ee herinner, zie ik breede rivieren. Natuurlijk zou ik al googelend op meer oeuvres hebben kunnen komen dan waar ik uit zal gaan putten – maar dan zou dit essay de schijn van volledigheid ophouden. Dat is een gevaar dat ik aan het lopen ben: wikipedisme, de verpovering van het zelfherinnerend vermogen dat, van oudsher staande voor de boekenkast, dommelend tijdens het ontwaken, converserend met vrienden, terugbladerend door notitieboekjes, het persoonlijk bewustzijn tracht te beseffen. Je kunt het aan een geschrift merken, wanneer het in een venster naast het kunstmatig geheugen is geschreven – meer kennis, weetjes, ‘interessants’ dan er uit één met zichzelf woekerend brein gedolven kan worden. Misschien ontstaat het gedroomde essay daar waar een schrijver er niet op kan komen, op het citaat, de gedachte, de herinnering; misschien geeft ons het pas iets van zijn bedoeling prijs als het beseft te vergeten, en zijn slagen begint te slaan naar wat het vergetene zou kunnen zijn; misschien begoochelt de dichter Faverey ons daarom zo met zijn tergwoord: het ontbrokene.

Rijksmueum

Hoe dan ook: ik kan uiteindelijk alleen maar onvolledigheid betrachten: die van mijn ene bewustzijn, dat merkbaar afkalft: sinds enkele jaren besef ik steeds pertinenter dat ik iets niet meer weet. Na een periode waarin ik steeds al googelend wilde weten wát, of meestal wíé ik vergeten was (aanvankelijk meestal een filmacteur, zeer frequent: Clint Eastwood – en zo ben ik alles waar ik niet op kan komen gaan noemen: een Clint Eastwood). Als mij nu, bijvoorbeeld, de naam van de rivier op Borneo waaraan mijn moeder (dochter van een in Nederlands-Indië gestationeerde waterklerk) als negen-, tienjarige heeft gewoond – de oudste rivier waarvan ik weet dat hij door mijn geslacht stroomt –, niet te binnen wil schieten, dan noem ik haar Clint Eastwood, en zo parkeer ik deze rivier (waarvan ik ook ineens weet dat Pontianaker aan gelegen is) ergens opzij van de gedachtegang die zijn bedding wil blijven volgen, en ik vertrouw erop dat mij, na enige tijd, als ik heel ergens anders ben met mijn gedachten, plotseling de naam van de rivier gewordt, waarvan ik weer wèl weet dat hij zo breed was dat mijn moeder de overzijde niet kon zien; een getijdenrivier was het, ze woonde er aan met haar twee jongere broertjes en opap en omi (zoals ze lang nadien – meer dan een wereldoorlog later – voor de kleinkinderen zijn gaan heten), in een huis dat op palen stond, een huis waarvan zij, mijn eenennegentigjarige moeder, voor het slapen gaan nog altijd kan horen hoe het er murmelde, en neuriede, en smakte: dat was die rivier, zoals zij klonk dwars door de vloer van haar slaapkamer, als het hoogwater was. Het geluid, zegt ze, zonder zich de time warp te realiseren, overstemt mijn tinnitus.

Moet ik mij zorgen maken over het feit dat het mij steeds minder kan schelen, deze afkalving, die ook nu, om zo te zeggen: voor mijn schrijvende ogen, plaatsgrijpt want ik heb even geen idee hoe ik deze aantekening ben begonnen? Hoofdzinverlies, ook wel: bronverlorenheid, zijn de orde van mijn dag, gelukkig kan ik nu ik schrijf (niet altijd is dat het geval) naar de eerste zin, en daarom kan ik hem nogmaals uitspreken, en doorkruisen, de verwachting dat er een aanzienlijk aantal Nederlandse rivierschrijvers klaarstaat aan de oever van dit essay.

Arthur van Schendel: De waterman

Ida Gerhardt: gedichten vooral uit Het levend monogram

Willem van Toorn: gedichten waar de Waal doorheen stroomt, een autobiografische roman gesitueerd in de Betuwe

H.H. ter Balkt, maar eigenlijk herinner ik me maar één rivier van hem, de Rijn, in de jaren tachtig van de vorige eeuw door satanische Fransen vervuild

Hans Faverey: Chrysanten, roeiers

Tonke Dragt: de Grijze Rivier in De brief voor de koning en Geheimen van het Wilde Woud, en de Regenboogrivier, de Tolbrug

Martin Michael Driessen: de novellenroman Rivieren

Martinus Nijhoff: Bommel en ‘Het veer’

≈≈≈

Het water praatte deze nacht
om huis.
Rondom de vlonder
was babbelen en lachen zacht,
een donk’re spot daaronder.

Ida Gerhardt, ‘Samenzwering’

≈≈≈

Aan het eind van zijn eenzelvige leven op het water verlaat Maarten Rossaart, de hoofdpersoon van De waterman, even zijn schip, en daarmee de rivier, omdat hij aan ‘haar’ heeft gedacht, aan ‘hoe zij het maken zou, want ook zij was oud en eenzaam’. Rossaart is lang niet meer bij zijn vrouw, Marie, langsgegaan – ze woont al jaren op de wal, te oud en te zwak voor het harde rivierenleven. Een half boek geleden zijn hun drie kinderen verdronken. Rossaart klopt aan, tevergeefs, en twee buurvrouwen zien hem: ‘Dat is die waterman, om nog bij een dode aan te kloppen.’ Hij loopt terug naar zijn schip. Van Schendel doet niet aan gemoedsbeschrijving, alles, ook het finaalste verdriet, zet hij om in handeling: ‘Er was geen mens aan de kade toen hij losmaakte en het zeil hees.’ Hij vaart de Merwede op, waar zijn hond, woedend blaffend naar niets, overboord valt. Rossaart springt hem achterna en werpt, vanuit het water, de hond aan dek. ‘En terwijl hij zich vasthield met de ene hand voelde hij hoe de moeheid uit de benen ging, het water deed hem goed. En de hand liet los.’

Van Schendel heeft zijn avatar – een van de stilste personages van de Nederlandse literatuur, zwijgzamer misschien zelfs dan Sytske uit De honden jagen niet meer van A. Alberts – doorheen zijn hele leven gevolgd, maar het boek geeft ons niet zozeer het portret van een man, als wel de inleving in een affaire: de verhouding van een man tot zijn rivier die van kindsbeen aan hem trekt als God; die geeft en neemt, maakt en breekt, zegent en verdoemt. Het daagt je al na enkele pagina’s dat Van Schendel zijn eigen affaire bedoelt, zijn eigen verhouding met taal en verhaal. Verhouding wil hier zeggen: worsteling met, genieting van, en buiging voor. Rossaart levert zich uit aan de rivier, het is een amour fou zo mogelijk nog absoluter dan die van Brouwer voor het fregatschip Johanna Maria. Van Schendel vertelt niet of Rossaart, na zijn verdrinking, nog gevonden wordt. Dit is de laatste alinea:

De schuit ging langzaam voort op de donkere rivier met de hond die blafte. De volgende dag werd zij ergens in het riet gevonden, oud en besneeuwd, dat was de schuit van de man die lang op de Merwede had gevaren.

Als er in het Nederlands proza is geschreven dat zelf een rivier nabootst, dan dat van Van Schendel. De vertelling ontrolt zich, het gaat niet over mensen die kiezen, willen of mislukken, maar over lot en roeping en gelatenheid (die pas in de uiterste alinea berusting lijkt te kunnen zijn) – hoezeer Rossaart zich ook verzet tegen het determinisme van zijn streek- en geloofsgenoten (of beter: zich daaraan onttrekt, als een apofatische mysticus), het boek staat om zo te zeggen in de blijkende tijd: als Marie bijvoorbeeld een kind verwacht (dat we nooit verwekt hebben geweten), dan blijkt het in een bijzin geboren te zijn, alsof het om een wieling gaat in een rivier vol wielingen, en dat gebeurt na twee onbeschrijflijk mooie, stuwende pagina’s die een stormachtige overtocht over de Zuiderzee naar Kampen oproepen die je, als een rivierboei, al voorbij bent voor je beseft dat je al lezend in feite een bevalling, barensweeën of een ontsluiting, hebt meegemaakt… De bewering dat Van Schendel het water en de rivier nabootst schiet tekort, zijn roman wordt rivier.

≈≈≈

Een catalogus van ongegoogelde, brandende en verdampende rivieren: Ovidius beschrijft in de Metamorfosen wat er gebeurt tijdens een Opwarming (ditmaal als Phaëton, zoon van de Helios, met zon en al uit de hemel neerstort):

En zelfs rivieren met breed van elkaar gescheiden oevers
waren niet veilig, want de rook steeg uit de Don omhoog,
uit de Peneius ook, die oude stroomgod, uit de snelle
Ismenus en Caïcus, uit de Erymanthusstroom; de Xanthus kookte – niet voor het laatst –, de zanderige Lykormas, ook de Meander, die zich speels in waterbochten wringt; de Melas, ver in Thracië; bij Sparta de Eurotas;
de Eufraat stond bij Babylon in brand; ook de Orontes,
de Thermodon, de Ganges en de Phasis en de Donau.
Alpheius gloeide; ook Spercheius’ oevers vatten vlam;
het goud dat door de Taag vervoerd wordt, smolt in hete vuren.

Zwanen, die met hun zang het stromenrijke Lydië
opluisterden, zijn op Caystos’ stromen heetgestoofd.
De Nijl is in paniek naar ‘t eind van de wereld weggevlucht,
waar hij zijn hoofd tot heden toe verborgen houdt; zijn zeven
zandrijke monden zijn nu zeven geulen zonder stroom.
De brand deed ook in Thracië de Strymon en de Hebrus
verdrogen; in het Avondland de Rijn, de Po, de Rhône,
en zelfs aan wie de wereldmacht was toegezegd: de Tiber.

(Ovidius, Boek Twee, Metamorfosen, vertaling: M. d’Hane-Scheltema)

Daags na het overschrijven van bovenstaande lees ik dat de Evros – de Hebrus van de twee-na-laatste regel – de jongste grensrivier van Bolwerk Europa is geworden: door Griekenland over land trekkende Afghanen, Pakistanen, Irakese Koerden, Turken moeten haar over om via Bulgarije in Duitsland te komen. Carlijne Vos beschrijft in de Volkskrant de Evros als snelstromend, ‘de ijskoude Evros slokt de migranten op’, een plaatselijke visser vertelt:’ de migranten dragen veel kleren tegen de kou en zakken direct naar de bodem waar ze door boomtakken worden vastgehouden’.

Ach, Hebrus: in jouw koude snel stromende water heeft Orpheus’ afgerukte hoofd gedreven, en diens lier, Ovidius vertelt het zelf, de lier bleef klinken terwijl, en blijft klinken, daar drijvend ‘klinkt de lier nog droevig (…), droevig het antwoord van de oevers’ .

‘De rivier nam zijn kreet in zich op en stroomde in stilte voort.’
(Shusaku Endo, Diepe rivier)

Door een roman van Tomas Lieske – Door de waterspiegel (2014) – stromen zo’n beetje alle Europese rivieren, en de hoofdpersoon doolt over de bodem daarvan, dat kan bij Lieske makkelijk, als zijn personage maar verdrietig genoeg is. ‘Zwervend over de bodem van de Ebro en de Rhône vond hij tientallen kinderen. Allemaal op de groene bodem, overal schichtige ogen, bijna doorzichtige lijfjes, ziekelijke visachtige buikjes.’ En: ‘Via besneeuwde toppen en gletsjers kon hij van de Rhône naar de Rijn komen en ook die bodem is hij afgelopen. (…) Al die zwerftochten. Zie dat zwerven maar, zei hij, als boetedoening omdat ik niet in staat ben geweest mijn eigen kind te redden. Hij hoopte dat er ooit iemand zou zeggen dat hij een goed mens was.’

Onder de wateren
verbergen zich andere,

louter ongevaarlijke wezens.
Zij zijn noch de kinderen van de uren

Noch die van de niet-uren.

Slechts in de glijdende, onzekere schaduw
openbaren zij hun vrijere aard.

(Lars Gustafsson, Broederschap van het uur, vertaling: J. Bernlef)

≈≈≈

Een filmtitel die zich in mijn brein gedraagt als een liedje dat ik maar blijf neuriën: A River Runs Through It. Ik moet hem gezien hebben, het was bevredigend om te kijken naar een in zijn geboortegrond gewortelde vaderfiguur die aan een zalmrijke, onvervuilde, zonovergoten stroom zijn zoon leert vissen met kunstvliegen. Er stroomt een rivier doorheen, dat is inderdaad alles wat ik me herinner van de film, en de lussende glinsterende worp van vislijn in slow motion en tegenlicht, en misschien is dat van vergeten de uitkomst, dat je je ten slotte alleen nog maar herinnert dat ‘het’ gestroomd heeft. Die indruk heb ik althans van Hersenschimmen overgehouden, van alle boeken waar geen rivier doorheen stroomt misschien wel het rivierachtigste: we noemen Maarten Kleins woordenstroom niet voor niets een stream of consciousness, je zakt een bewustzijn af, ‘ieder mens hoopt voor donker thuis te zijn’ denkt Maarten op een van de laatste, steeds meer om zichzelf meanderende, zelfwissende pagina’s, of moet je zeggen: wordt er in Maarten gedacht, of, zoals Faverey zou zeggen: dicht zich in Maarten…

≈≈≈

‘Ons huis lag, toentertijd, dichter bij de rivier, nog geen kwart mijl: daar strekte de rivier zich uit, groot, diep, stil als immer. Breed, zo breed dat de overkant nauwelijks te onderscheiden was. En ik zal niet vergeten, kan niet vergeten, de dag dat de kano klaar was.’ Zo begint De derde oever van de rivier van João Guimarães Rosa. Deze (naamloze) rivier strekt zich sinds 1971 uit in mijn geheugen, in de vertaling van August Willemsen. Zij lijkt niet te stromen – net zoals ik me voorstel dat de Styx niet doet, en de Amstel langs Zorgvlied. De vader van Rosa’s verteller verdwijnt voor altijd met de kano de rivier op. Soms is hij te zien aan de horizon, de derde oever, vaker is hij te horen, hij zingt dan.

Twee mannen laten zich op een vlot van boomstammen, gekapt langs de oever van de Main, de stroom afzakken. De Main wordt Rijn, de Rijn Waal, de Waal Merwede, de Merwede Oude Maas, de Oude Maas Nieuwe Waterweg. ‘Geen waardige naam, dacht Julius, maar het was nog steeds dezelfde rivier.’ Waar zakken de mannen naar af? De schrijver van ‘De tocht naar de maan’, het tweede luik van Rivieren, Martin Michael Driessen, is een laaglandse neef van Samuel Beckett, afzakken is een ander woord voor wachten, zelfs: tijd beiden, de mannen zakken redekavelend, als was hun vlot een podium, af naar het Godot van de monding, nergens heen en toch eropaf. ‘Straks krijg ik eindelijk de zee te zien!’ zegt de jongste van de twee. ‘Het duurt niet lang meer,’ antwoordde Julius, ‘maar stel je er niet te veel van voor.’

Je kunt zeggen: Driessens mannen dalen af, de rivier brengt hen naar het onvoorstelbaar zelfde, het is een katabasis, net als die van Orpheus de Hades in, of Aeneas met Vergilius de onderwereld, of Dante de hel, maar die drie tochten gaan niet per rivier – ze eindigen bij een rivier. Orpheus bij de Styx, die overgestoken moet worden, Aeneas na de Styx ook nog bij de Lethe, waaruit gedronken moet worden wil je – na een duizendjarig verblijf in de onderwereld – in een nieuw levend wezen reïncarneren.

‘Doodgaan filmen is niet moeilijk; levend maken, dat is de kunst,’ herinner ik me dat Johan van der Keuken heeft gezegd, misschien met andere woorden. Wat zegt het dat ik het, tot hier gekomen met deze notities, ben blijven hebben over rivierdood? Is het modernistische gemakzucht, dit volautomatisch beginnen bij dood is dood? Van der Keukens laatste film – De grote vakantie, gemaakt in het volle besef terminaal ziek te zijn – eindigt met opnames vanaf een laag punt in de bocht van de Lek of de Merwede (het is alsof we ons op, of zelfs in de rivier bevinden, maar niet meestromen) – we zien rusteloos stromend rivierwater waarop reusachtige, hoge aken varen, stroomopwaarts, stroomafwaarts, elkaar denderend passerend, stroomafwaarts, stroomopwaarts. De laatste sequentie van Van der Keuken is een mysterie, een bedrijvige dodenrivier, blakend van leven: hier ben ik niet meer en toch stroomt zij, beladen met vracht, voorbij.

≈≈≈

Een rivier waar je uit drinkt teneinde te vergeten. En waar je vergeet teneinde te herleven.

Herinner! is volgens de Amerikaanse theoloog Miroslav Volf van onze cultuur het eerste gebod geworden – wat ons ook overkomt, hoe we ook te lijden hebben: we hebben het te onthouden. Maar hoe? Volfs boek heet The End of Memory (2006). Het gaat over het herinneren van geleden kwaad. De onvertaalbare dubbelzinnigheid van de titel verraadt al dat Volf niet alleen gelooft dat herinneren een doel heeft – en dat we kunnen leren om helend te herinneren –, maar ook dat er, wie weet, sprake zou kunnen zijn van een vergeetgebod: staak het herinneren.

Herinner! – maar hoe lang?

Is het voorstelbaar dat geleden kwaad niet langer onthouden onder bepaalde omstandigheden het beste, het juiste, het waarachtigste is?

Volf is in 1984 om zijn christelijke geloofsovertuiging (hij was een juist afgestudeerd theoloog; zoon van een pinkstergemeentevoorganger; en getrouwd met een Amerikaanse: drie verdenkingsgronden) in het toenmalige Joegoslavië een jaar lang gevangengezet en bijna dagelijks verhoord en gefolterd, onder leiding van één speciaal sadistische officier, die G. wordt genoemd. Volfs christelijke geloof is niet vaag of wollig. Hij moet zijn vijanden (schenders noemt Ida Gerhardt hen in haar psalmvertaling) vergeven, zeven maal zeventig maal. Concreter kan een gebod niet zijn. Bovenmenselijker ook niet. G. moet worden vergeven, dus. Wat dat inhoudt – daar gaat The End of Memory over. Ik ken geen boek dat met zoveel tact en gezag over vergeving nadenkt als dit. Volf doet dat door zich af te vragen: hoe moet ik mij G.’s schending herinneren?

‘Het beschermende schild van het geheugen verandert niet zelden in een kwaadaardig zwaard,’ schrijft Volf. En ergens stelt hij vast dat ‘slachtoffers vaak daders worden omdat ze goede geheugens hebben’, juist voor geleden kwaad.

De rivier die Volf in The End of Memory oproept, als hij het over vergeten heeft, is natuurlijk de Lethe – dezelfde die daar stroomt waar Dante – inmiddels zonder zijn gids Vergilius – in Canto 28 van de louteringsberg de overgang naar het paradijs zal maken. (In de onderwereld van de Divina Commedia hebben geen rivieren gestroomd – tenzij het ijs waar, op het diepste punt van de hel, Dis in is vastgevroren, een rivier is geweest – maar wat niet stroomt, kan dat een rivier zijn?) De Lethe van Dante blijkt onverwacht klein te zijn, Ike Cialona en Peter Verstegen vertalen het met riviertje:

De bron van het riviertje dat hier vliet,
Wordt niet gevoed door meer of minder regen.
De stroom vermeerdert en vermindert niet,

Maar is aan een constante bron ontstegen.
Daaruit stroomt, naar twee kanten, water neer
Dat rechtstreeks van de Schepper wordt verkregen.

Wie hier baadt, voelt zijn zondenlast niet meer:
De krachten van de stroom doen die vergeten.
Wie ginds baadt, weet zijn goede daden weer.

Ginds stroomt de Eunoë en hier de Lethe;
Hun water dient geproefd, terwijl men baadt,
En zij die het gedronken hebben weten

Dit is de zoetste drank die er bestaat.

‘Herinneringen aan zonde kunnen alleen worden weggenomen nadat de zondes zijn benoemd en veroordeeld en de zondaars getransformeerd zijn,’ schrijft Volf, en weer citeert hij Dante, die twee Canto’s verder zegt:

We zouden Gods verheven voorschrift breken,
Als hij het Lethewater drinken zou,
Terwijl hij de rivier zou oversteken,

Zonder geweend te hebben van berouw.

De rivier van het vergeten doet, kortom, zijn werk in twee stappen: zij brengt zonde naar de oppervlakte en laat het dan uit het geheugen verdwijnen. ‘Geen vergeten zonder erkennen.’ Daarom, merkt Volf op, vindt Dante de Lethe een uitzonderlijk onaangenaam riviertje: het dwingt je, om te kunnen vergeten, tot de levendigst, en dus gruwelijkst mogelijke erkennende herbeleving van wat je anderen hebt misdaan.

≈≈≈

Klein, en alleen herkenbaar aan ruisen, als een tinnitus, is intussen ook het andere riviertje dat Dante heeft geholpen om de andere vitale passage te volbrengen, die waar Johan van der Keuken om vraagt: van dood naar leven – van de dichtgevroren overdekte hel naar buiten, weg uit het verschrikkelijke Eerste Boek, naar de voet van de louteringsberg, naar de dooi, waar het eerste wat Vergilius en hij zien de sterren zijn, want het blijkt boven de grond nacht.

≈≈≈

Is mijn kwestie wel: vergeten? Is het niet: mij altijd herinneren, ook als er niets is? Wat betekent het dat ik me mijn liefste gedicht – ‘Het veer’ – ben gaan herinneren als riviergedicht? Dat wil zeggen: als de evocatie van een passage die zich voltrekt aan en over een rivier? Want dat zou ik een kwartier geleden gezegd hebben, in antwoord op de vraag ‘aan de oever van welke rivier wil je uitkomen’: aan die waaraan Nijhoffs Sebastiaan, na te zijn gestorven, terechtkomt – van die rivier, zou ik gezegd hebben, wil ik weten wat hij beduidt, deze, waar Sebastiaan, in afwachting van de definitieve passage naar het Onbekende, de nacht doorbrengt leunend tegen een klein boerenhuis. Eerst kijkt hij naar de laatste mensen die in de schemering worden overgezet. Als het donker is kan hij door een raam een man aan een tafel zien zitten naast een vrouw in bed, zij ligt

te zien naar dingen die zij hoorde en zag
maar niet bevatten kon, een trek van pijn
om de vermoeide mond en van bevreemding.

Het gedicht staat in de onvoltooid verleden tijd, ‘die stilte was de stilte niet des doods’ staat er, en toen ik het zojuist weer las, verbaasde ik me erover dat ik ook deze stijlfiguur vergeten was, ik wist zeker dat het allemaal in de tegenwoordige tijd stond. Er zijn binnenkort, lees ik, geen neerlandici meer, toch hebben we er één nodig, om eens de bijzondere Onvoltooid Verleden Tijd waarin ‘Het veer’ staat te doorgronden – even geheimzinnig als de kinderverledentijd waarin vierjarigen doktertje spelen.

Maar er is geen sprake van een rivier! Sebastiaan bereikt een vaart. Niks geen nergens vandaan komend ergens heen stromend Noord-Hollands equivalent van de Ganges. Als er in de eerste strofen al sprake is van een rivier, dan van een mensenstroom, de veerpont op.

≈≈≈

Wat zou het zijn, het menselijk bewustzijn (poëtisch als het is, werkelijkheid scheppend), als het niet ‘rivier’ kon denken? De grote, mensheid durende poging om het mysterie van het besef – dat je bestaat, dat je niet zou kunnen bestaan, dat je eens begonnen bent met bestaan – te vangen, is met huid en haar overgeleverd aan de realiteit van iets wat stroomt, door ons heen en toch dompelen we ons erin onder, voor ons langs en toch steken we het over, van ons af terwijl het er ook aankomt. Haar kunnen denken – de Rivier – maakt van mensen poëtische creaturen.

≈≈≈

En hij die de signalen van een heel leven in een paar
doodgewone akkoorden door vijf strijkstokken opvangt,
die een rivier door het oog van de naald laat stromen,
is een dikke jongeman uit Wenen, door zijn vrienden ‘de Paddenstoel’ genoemd.

(Tomas Tranströmer, ‘Schubertiana’, vertaling: J. Bernlef)

≈≈≈

De dichter bereikt, ook met Sebastiaan, natuurlijk ook met Sebastiaan, wel degelijk een rivier, de rivier: het kan niet anders, toch was ik haar vergeten (maar wilde ik haar vinden, toen ik het gedicht zo-even herlas, toch, toch), en het gebeurt in de allerlaatste strofe, als er, na de definitieve verdwijning van Sebastiaan, in het boerenhuis een kind geboren blijkt te zijn, ‘zo stralend schoon’,

dat men, de warmte ziende van zijn blik,
aan blauwe lucht moest denken, melk en vruchten,
aan stromend water waar men baadt en waar
men na het bad naakt inslaapt in het gras.

Willem Jan Otten (1951) is (toneel)schrijver, dichter, essayist. Hij debuteerde in 1971 als dichter in Hollands Maandblad, in 1974 als essayist in De Revisor en was begin jaren negentig redacteur van Tirade.

Meer van deze auteur