In het eerste jaar krabde ze haar armen open in haar slaap. Ze droomde dat ze uit de wondjes naar buiten kropen met zo’n vervloekte glimlach op hun gezicht die er met geen zoutzuur af te krijgen was. Altijd kropen ze weer terug.

Mensen begrijpen het niet. Tot ze het gezuig zelf te verduren krijgen. Eerst komen ze met hun verzoeken voorbij je voordeur en uiteindelijk nestelen ze zich onder je huid.

Ze zijn niet dom maar anders slim. Dat soort dingen vertelt ze vriendinnen met wie ze belt via de computer. Ze formuleert bedachtzaam terwijl ze al dagen op de zin heeft lopen kauwen. Omdat het bellen met beeld is draagt ze een oosters gewaad en vlijt ze zich op een oriëntaals aandoend bed van kussens. De flessen witte wijn houdt ze uit het zicht.

Levensslim, zegt ze tegen de rug van de vriendin een continent verderop die ondertussen is gaan koken. Haar tong voelt zwaar. ‘Ook al hebben ze niks, ze zijn toch gelukkig. Ik kan wat van hen leren in plaats van andersom,’ roept ze en ze voelt haar borst zwellen. Maar zodra ze het breinloos geteisem weer ziet lopen dooft het aangename gloeien in haar bovenlijf. Dan zwelt er niks maar trekt haar maag samen en borrelt er iets bitters omhoog.

Ze kent genoeg mensen die hun ogen ervoor sluiten. Sommigen zijn zelfs zo blind dat ze ze helpen. Zoals dat jonge ding van de Noorse kinderarts. Heeft het gezin van de tuinman gereanimeerd. Kindjes gaan naar school, eten gevarieerd in plaats van alleen die smerige pannenkoekenzooi en zijn vrouw loopt rond in afgedankte designerkleding. Geen gezicht, zo’n stakerig vrouwtje in een avondjurk van Armani. Staat ze gewoon in te poetsen ook nog.

Toen haar man een baan in het buitenland kreeg aangeboden zei hij ja zonder met haar te overleggen. Na de eerste schok zag zij haar kans schoon haar leven een aura van bijzonderheid te verschaffen. Ze vertelde haar vriendinnen dat het een gezamenlijke beslissing was. Ze had altijd al wat van de wereld willen zien, voor de kinderen was het een vormende ervaring en ze zou de lokale taal leren zodat ze de cultuur beter zou begrijpen. Om haar woorden kracht bij te zetten bestelde ze een doos boeken over het nieuwe land. De boeken verhuisden mee en kregen een prominente plek in het nieuwe huis. Iedereen die haar kende wist dat ze ongelezen zouden blijven.

Bij de aanblik van hun nieuwe huis, waar met gemak zes gezinnen in zouden kunnen wonen, raakte ze zodanig betoverd – niet zozeer door het huis als wel door de gedachte dat zij in zo’n huis zou wonen – dat ze niet meer goed na kon denken. Eén keer rees de vraag: waarom zo groot? Het antwoord vatte haar huwelijk in één zin samen: omdat het kon. Het samenzijn met haar man was gebaseerd op beschikbaarheid en gemakzucht. Ze waren met elkaar naar bed gegaan de eerste keer dat ze elkaar ontmoetten omdat ze genotzuchtig, jong en mooi waren. De seks was schaamteloos. Ze werd zwanger in een oogwenk en het huwelijksfeest duurde een week.

Terwijl haar verkalkte teennagels door de schoonheidsspecialist die vier keer per week aan huis komt van een laag poederroze lak worden voorzien, neemt ze een besluit. Ze zou van ze gaan houden. Liefde is een keuze, daar is het gemiddelde huwelijk het bewijs van. Ze kijkt per ongeluk naar de kruin van de man aan haar voeten en ziet hoe zijn schilferige hoofdhuid door het ragfijne haardek schemert.

Stel een doel en hak de weg ernaartoe in kleine stukjes. Dat is de kunst.

Ze zal beginnen met het dragen van een buideltje waar ze bedelgeld in kan stoppen zodat ze meteen iets kan pakken zodra er weer zo’n handje tegen het raam van haar jeep plakt of erger, tegen haar onderarm. Ze rilt wanneer ze denkt aan de blik van het bedelkind bij haar om de hoek. Zijn donkere ogen hebben de valse glans van een nepjuweel. Vaak draagt hij zijn babyzusje, een smoezelig wezentje zonder kleren dat uitdrukkingsloos voor zich uit staart terwijl hij haar tegen het autoraam duwt. Het armoedige bestaan heeft haar sprankelende babyenergie doen vervliegen.

Niet geven, wel geven. Ze vond het een dodelijk vermoeiende kwestie, die vaak ter sprake kwam tijdens een borrel of een etentje. Er was altijd wel iemand – meestal een nieuweling, altijd een vrouw – die over de film begon waarin een jongetje blind werd gemaakt omdat hij zo meer opbracht met bedelen. Dat was dan een argument om niet te geven.

Haar kon het niet schelen. Zij gaf niet omdat ze er geen zin in had. De paar keer dat ze het wel had gedaan, had ze zich leeg en dom gevoeld. Er veranderde niks. Het bedelkind keek haar net zo wezenloos aan als ervoor. Soms bedelde het door omdat het de donatie niet genoeg vond. Of het liep gewoon weg, zonder iets te zeggen. Ze kreeg een hekel aan de kinderen, de bejaarden en de gehandicapten. Ook al wist ze dat ze er weinig aan konden doen, ze vond hun gebrek aan gêne weerzinwekkend.

Daar zou verandering in komen. Om te beginnen zou ze over hen in namen gaan denken. Doel stellen, kleine stapjes en niet uitstellen tot morgen wat vandaag kan.

‘What is your name?’ vraagt ze aan het stukje dorre aarde aan haar voeten. De man reageert niet. Ze wiebelt met haar teen. Niks.

‘What is your name!’ roept ze. De man kijkt verschrikt op.

‘Your name.’ Ze probeert hem vriendelijk aan te kijken. De man gaat door met haar tenen. Met een ruk trekt ze haar voeten terug, tot haar afschuw ziet ze dat er een veeg lak op haar wreef terechtkomt.

‘Your name please!’ schreeuwt ze. Ze kan wel huilen. Hij buigt zijn hoofd en mompelt iets.

‘What?’

‘Tarun,’ fluistert de man.

‘Okay, Tarun. Thank you. Now finish it.’ Ze zet haar voeten weer op het bankje tussen zijn knieën. ‘And clean that.’ Ze wijst op de lak op haar voet. Tarun verwijdert de lak met een watje. In gedachten vinkt ze een stapje af. Ze voelt zich al een beetje beter.

De huishoudster noemt ze hulp. Van haar kent ze de naam wel: Rama. Ze zou haar misschien aardig kunnen gaan vinden, als het moest.

Hulp staat aan het aanrecht, haar brede rug schommelt nauwelijks zichtbaar heen en weer alsof ze op een onhoorbare melodie beweegt. Ondanks haar gedrongen gestalte straalt ze iets koninklijks uit. Ze beweegt met de waardigheid van iemand die weet dat ze recht heeft op elke millimeter ruimte die ze inneemt.

Dit kan ze niet uitstaan. Alleen door haar te zien als een concept dat de was doet en ervoor zorgt dat er eten op tafel staat is ze in staat haar de arrogantie te vergeven. Toch kan ze het soms niet laten haar loon een paar dagen te laat uit te betalen zodat hulp erom moet vragen. Dan kan ze er, om het goed te maken, de helft bovenop doen. Als ze hulp echt op haar plaats wil zetten verdubbelt ze haar loon.

Ze staat op de drempel van de keuken en heeft geen benul hoe de vrouw anders te benaderen dan haar te commanderen. Alleen al het denken van haar naam voelt onwaarachtig.

‘Rama?’

De vrouw kijkt verbaasd over haar schouder. Haar oorbellen van oud ijzer bungelen vrolijk heen en weer, alsof ze niet op de schroothoop thuishoren maar in een fluwelen juwelendoosje. Ze beseft dat ze een vergissing maakt.

‘Clean the floors today.’

‘Of course ma’am.’

Opgelucht draaien beide vrouwen elkaar de rug toe.

Die avond probeert ze een vriendin te bereiken. Ze heeft een nieuwe jurk aan, de stof is log van de traditionele stiksels. Er liggen drie flessen wijn in een emmer ijs en ze heeft een verhaal voorbereid over Tarun. Ze krijgt een kriebel in haar buik als ze denkt aan het gezicht van haar vriendin wanneer ze zegt dat ze hem ‘een soort van geadopteerd heeft’. Het is dezelfde kriebel die ze vroeger had wanneer ze naar school ging met iets nieuws: schoenen, een beugel of een jaap met vier hechtingen in haar voorhoofd. Lopend naar school repeteerde ze haar verhaal, waarbij ze nadacht over compositie en intonatie. Haar barmhartige geheugen laat weg dat niemand ooit iets opmerkte en dat ze net zo onzichtbaar was als elke andere dag.

De vriendin neemt niet op.

Als Rama de kamer binnenkomt om zich af te melden opent ze net de tweede fles wijn. Ze kijkt naar de donkere vrouw in haar nachtblauwe sari. De kleine bordeauxrode stip tussen haar ogen geeft haar gezicht iets ondoordringbaars.

‘Bye ma’am.’

Rama kijkt naar haar alsof ze een straathond is die gered moet worden. Opeens ligt Rama’s hand op haar hoofd. De sensatie van vreemde lichaamswarmte echoot tot in de uithoeken van haar lichaam.

Misschien gebeurt het omdat haar man al vier weken op een zogenaamde zakenreis is. Of omdat ze zichzelf heeft zien liggen, op haar aanstellerige bed, gekleed in een jurk die ze niet eens mooi vindt, zichzelf een sluimerbewustzijn in drinkend terwijl ze wacht op een vriendin die negen van de tien keer niet opneemt.

Niemand zal het ooit weten. Nadat ze is bovengekomen uit de draaikolk van nachtblauw genot heeft alles wat ze doet het duizelingwekkende effect van een clusterbom. Elk flintertje ongeluk spat in duizenden splinters verse ellende uiteen en niemand in haar omgeving blijft ongedeerd. Het stopt pas wanneer ze ten onder gaat, haar geheim dicht tegen de borst geklemd, als een kostbare schat.

Marte Kaan (1977) werkt als psychotherapeut en schrijft. Eerder verschenen van haar de essaybundel Lang leve de liefde, de verhalenbundel Saboteur (genomineerd voor de J.M.A. Biesheuvelprijs en ANV Debutantenprijs) en de roman Wij houden alleen van onszelf. Haar laatste publicatie was het essay ‘Onderbuik’, over de vraag waarom we steeds onredelijker worden wanneer we redelijk proberen te zijn.

Meer van deze auteur