Wat is eigenlijk het tegenovergestelde van kosmopolitisme? Is dat provincialisme? Regionalisme? Bekrompenheid? Nationalisme? Uit deze mogelijke antwoorden blijkt wel wat een vaag en onhanteerbaar begrip ‘kosmopolitisme’ in feite is, terwijl het tegelijkertijd een kwalificatie is met een zeer positieve connotatie. Wie wil er niet graag kosmopolitisch genoemd worden? Toch is kosmopolitisme in de literatuur een problematisch geval, want wat is nu een typisch voorbeeld van kosmopolitische literatuur? Je komt al gauw uit bij auteurs van ‘airport fiction’ (gemakkelijk weglezende bestsellers die op Schiphol in stapels voor de vertrekkende reiziger klaarliggen) of schrijvers van het type reisboek dat het geschreven equivalent is van ‘trekking’ en ‘backpacking’.

Hoe bedrieglijk die kosmopolitische factor in de literatuur is, valt het best te zien bij de dichtkunst. Alle grote poëzie vertoont immers bij uitstek nationale trekken. Octavio Paz, Wisława Szymborska, Seamus Heaney, Eugenio Montale, Robert Frost hebben een wereldreputatie, maar hun gedichten zijn bij uitstek Mexicaans, Pools, Iers, Italiaans respectievelijk Amerikaans. De literaire kwaliteit van hun werk werd pas over de hele wereld gewaardeerd nadat ze in eigen land de status van nationaal dichter hadden verworven. Maar hoe wordt men dat, de ‘nationale dichter van een land’? Daar is meer voor nodig dan mooie gedichten schrijven. Maar wat?

Het traditionele recept luidt als volgt: om te beginnen moet je zorgen dat je de taal van je land werkelijk uitstekend leert beheersen. Zo rond je achttiende – iets eerder of later mag ook – begin je serieuze gedichten te schrijven en te publiceren, eerst in tijdschriften, later in een opeenvolging van bundels. In die gedichten verwijs je naar onderwerpen die voor je landgenoten herkenbaar zijn, je schrijft over de schoonheid van je land en over de strijd die de mensen in het algemeen en je landgenoten in het bijzonder leveren voor en tegen van alles en nog wat. Al die kortere en langere gedichten, of het nu natuurverzen zijn, oorlogsepossen of liefdesgedichten, worden van binnen verwarmd door het besef dat je als dichter volledig aangewezen bent op je taal, die het unieke instrument is om jezelf als bewoner van je land uit te drukken. In dat instrument – of je dat nu beseft of niet – klinkt ook de ziel van je volk door. Enfin, zo werk je door, totdat ‘men’ vindt dat je werk de nationale identiteit het meest treffend onder woorden brengt.

Zo ongeveer verloopt de weg naar het nationaal dichterschap. Talloos zijn in de Europese literatuurgeschiedenis de dichters die grofweg aan deze karakteristieken voldoen: de nationale dichter van Oekraïne, Taras Sjevtsjenko, de Hongaar Sándor Petöfi en die van het moderne Griekenland, Dionysios Solomos, zijn voorbeelden uit velen. Het is niet toevallig dat al deze dichters ongeveer leefden tussen 1800 en 1850, de periode na de val van Napoleon, toen vele Europese volkeren nieuwe, etnische grenzen om hun land trokken, en zowel politieke als taalkundige expressie zochten van hun nieuw-verworven statelijke eigenheid.

De bijdrage die dergelijke dichters aan de strijd om het staatkundig bestaan kunnen leveren is ook heden ten dage soms nog springlevend. Neem bijvoorbeeld de genoemde Oekraïense dichter Sjevtsjenko. Het feit dat zijn dichterschap de Oekraïense taal mede heeft geëmancipeerd ten opzichte van het Russisch, maakte hem nog afgelopen jaar tot een actuele figuur in de protesten tegen een schielijk door het Oekraïense parlement geloodste taalwet, die de positie van het Oekraïens tegenover het Russisch dreigt te verzwakken. In Kiev worden zijn werken op straat in stalletjes verkocht. Verkoopsters drukken een kus op zijn verzamelde gedichten, en dragen zijn verzen op de tong. Daarmee laat het geval van Sjevtsjenko ook zien dat er gevaren kleven aan de nationale aanbidding van een dichter. Voordat je het weet wordt die dichter voorwerp van politieke manipulatie en een patriottische cultus die op gespannen voet kan komen te staan met het literaire karakter van het dichterschap.

Dat roept op zijn beurt de vraag op wie eigenlijk idealiter die ‘men’ zou moeten zijn, die de ridderslag tot het nationale dichterschap geeft. In theorie zijn er drie mogelijkheden: het landsbestuur, de literaire wereld of het volk. Als het alleen de regering is die besluit dat een bepaalde dichter het predikaat ‘nationaal’ verdient, dreigt eerder een totalitaire verering van een dichterlijke regeringsfavoriet dan dat je van een waarlijk nationaal dichterschap kunt spreken. Neem de reeds lang vergeten nazi-dichter Hanns Johst. Als het louter de literaire wereld is die iemand meer of minder unaniem tot grootste van allen kroont (denk aan Nederlandse P.C. Hooft-prijswinnaars als H.H. ter Balkt of Tonnus Oosterhof), dan wordt toch node een populaire of officiële weerklank gemist. En als het volk zonder enige hulp zelf een absolute favoriet kiest, dan gooien dichters als Nel Benschop of Driek van Wissen al gauw hoge ogen.

Nu dit jaar zowel Rutger Kopland als Gerrit Komrij ons ontviel, wordt de vraag weer actueel of Nederland in staat is een nationale dichter in ere te houden, die via die nationale status tot de hele wereld zou kunnen spreken. Er zijn genoeg kandidaten te noemen die voor een dergelijke status in aanmerking komen, zoals Remco Campert of Judith Herzberg en in een jongere generatie Menno Wigman of Ramsey Nasr. De laatste bewijst in elk geval dat theatralisering, uitvergroot door de media, het hedendaagse dichterschap een tijd lang alomtegenwoordigheid kan verlenen, maar of dat hetzelfde is als een ‘nationaal dichterschap’?

Alle pogingen van gemeentes, stadsdelen en poëzieclubs ten spijt om Nederland geheel of gedeeltelijk achter de bewondering voor één dichter te krijgen, vrees ik dat het in Nederland met het nationale dichterschap wel nooit iets zal worden. Een literaire stroming kan één dichter tot zijn voorman (m/v) kiezen, zoals de Vijftigers deden met Lucebert. Een poëziefestival als Poetry International kan één dichter centraal stellen en aldus een week lang eer bewijzen. Maar een langdurige positie als ‘onze’ nationale dichter, dat zie ik in het egalitaire Nederland niet gauw gebeuren. Een Secretaresse van het Jaar, een Jonge Ambtenaar van het Jaar, de Marketingman van het Jaar, daar kunnen we nog wel mee overweg. Maar op het terrein van de kunsten of de letteren één landgenoot een halve of een hele generatie lang als de allergrootste beschouwen, dat staat haaks op onze volksaard, die zo van gelijkheidsdenken doortrokken is, dat men niet graag toegeeft dat de een over meer talenten beschikt dan de anderen.

Het gevolg van dit nationale onvermogen tot bewondering is dat Nederland nooit een dichter van wereldformaat zal voortbrengen. Want een dichter kan niet rechtstreeks voor de hele wereld schrijven, zelfs niet als hij in het Engels werkt, dus laat staan in het Nederlands. Voor een nationale status is ook in onze tijd nodig dat een dichter door de leraar, de staatssecretaris, de student, de burgemeester, de boekverkoper, het Kamerlid en de diplomaat wordt gelezen, gewaardeerd en geciteerd. Pas wanneer al die ‘lezers des vaderlands’ het werk in kwestie als hun poëzie beschouwen, maakt een dichter kans om boven zijn land te worden uitgetild. Lezers en vervolgens vertalers, niet de dichters zelf en evenmin fondsen of subsidiegevers, maken een dichterlijk oeuvre tot poëzie voor de hele wereld. Kosmopolitische poëzie bestaat niet. De enige uitzondering die me na lang denken te binnen schiet zijn de haiku’s van ‘Europresident’ Herman van Rompuy. I rest my case.

Maarten Asscher (1957) debuteerde in 1992 met de bundel essayistische verhalen Dodeneiland. Sindsdien publiceerde hij een dozijn boeken in diverse literaire genres en een proefschrift over gevangenschap als literaire ervaring (Het uur der waarheid, 2015). In 2020 ver- schijnt bij De Bezige Bij een autobiografische roman over het leven van zijn Engelse grootouders. 

Meer van deze auteur