No calling is more noble, and no responsibility greater, than that of enabling men, women and children, in cities and villages around the world, to make their lives better.

– Kofi Annan, We the Peoples – The Role of the United Nations in the 21st Century. UN Millennium Summit (2000)

Aan bovenstaande woorden van Kofi Annan, of vergelijkbare woorden van zijn voorgangers, kan ik slecht weerstand bieden. Elke keer als ik ze lees, raken ze me. Dat is au fond nogal belachelijk, want ik weet uit de eerste hand hoe over iedere zin in een toespraak van de Secretaris-Generaal gesteggeld wordt. En toch sta ik machteloos tegenover het ideaal dat deze woorden uitdrukken, dat mij mijn hele leven heeft begeleid.

Het is even clichématig als waar: sinds ik als kind las over Albert Schweitzer en de beelden van Biafra zag op foto’s in de Paris Match, wilde ook ik het leven helpen verbeteren van ‘mensen in de wereld’: van de zieken in Lambaréné, van de Bengaalse vrouwen die de modder voor de aanleg van dijken vervoeren in manden op hun hoofd, van de vermoeide fabrieksarbeiders in de naamloze buitenwijken van stoffige steden, van de boeren hoog op de stenige hellingen van de Andes met een schop als enig werktuig, van de hongerige kinderen in dat Afrikaanse klaslokaaltje zonder ramen en lesmateriaal – en van al die anderen die door noodlot en toeval niet in een veilig en welvarend land zijn geboren. Ook al is dat eerste kinderlijke idealisme al lang getemperd, en heb ik velen om mij heen steeds cynischer zien worden, mijn gevoeligheid voor een beroep op mijn betrokkenheid bij de wereld is onverminderd groot.

Engagement mag dan een appèl doen op een primair gevoel van mededogen, het is steeds minder een kwestie van zelf de handen uit de mouwen steken. Behalve in acute noodsituaties hebben arme mensen waar ook ter wereld geen behoefte aan goedbedoelende buitenlanders die voedsel uitdelen, putten graven of keizersneden in hospitaaltjes verrichten. Zulke incidentele acties beklijven nu eenmaal niet. Liefdadigheid leidt gemakkelijk tot passiviteit, verwijten van neokoloniaal gedrag en ontwrichting van bestaande instellingen.

Door schade en schande wijs geworden, hebben westerse idealisten steeds meer afstand moeten doen van de bevrediging van het directe altruïsme. Ontwikkeling is, zo weten we sinds het einde van de Koude Oorlog, voor alles een kwestie van evenwichtige economische groei, grotendeels via internationale markten en uiteraard met een vangnet voor degenen die dreigen te worden buitengesloten. Een paar procent economische groei bevrijdt onnoemelijk meer mensen uit de armoedefuik dan wat voor lokaal programma dan ook, al lenigt dat soms de noden op korte termijn. Hoe graag we het ook anders willen, en hoezeer engagement en de dankbaarheid van de dorpsbevolking voor een nieuwe kliniek of waterput ook het ego versterken, alleen een abstracte vorm van idealisme is onderdeel van de internationale betrekkingen. Als geopolitiek instrument, maar ook als zachte kant van de diplomatie. Wereldproblemen zoals armoede en honger vragen een wereldwijde aanpak. Wie structureel iets wil bereiken, kan dan niet om de Verenigde Naties heen met hun gespecialiseerde instellingen voor alles van aids tot klimaatverandering, van vrede tot intellectueel eigendom.

Ook mijn simplistische ‘goed doen voor de armen’ is langzamerhand verschoven naar een engagement met allerlei indirecte zaken die – hopelijk – iets bijdragen aan die algehele economische verbetering. Een van de moeilijkste dingen in mijn carrière is geweest om mijn gevoel van engagement om te zetten in strategisch denken, en te leren omgaan met machthebbers die armoedebestrijding zien als bron van westers geld en makkelijk uit te buiten schuldgevoel.

Typerend voor die verschuiving zijn de uitputtende onderhandelingen over het recht op ‘genetische hulpbronnen’ (zeg maar het landbouwkundige erfgoed van de mensheid) opdat het genetische materiaal voor iedereen toegankelijk blijft, maar arme landen en boeren wel een compensatie krijgen. Acht jaar kostte het om een internationale verdragstekst op te stellen waar grote zaaizaad producerende landen zoals de VS en Frankrijk én Brazilië (hoeder van de biodiversiteit van de Amazone) én China (dat zijn eigen zaden wilde exploiteren) zich in konden vinden. Het akkoord is van een maximale vaagheid (want hoe minder scherp geformuleerd, hoe meer overeenstemming), en het blijft nog verre van duidelijk hoe het uitgevoerd moet worden. Of het werkelijk verschil maakt, weet niemand. Maar toch, zeg ik dan met onverbeterlijk optimisme, toch heeft dit akkoord de landen geleerd met elkaar te praten en te erkennen dat hierover – ooit – overeenstemming noodzakelijk is. Is de inspanning in overeenstemming met het resultaat? Dat is de eeuwige vraag.

Bij de VN gaat het om wereldomvattende zaken, verpakt in grote woorden en ingewikkelde cijfers. De mensen die daarachter schuilgaan, de armen, de hongerigen – die zie je zelden, alleen in fraai gestileerde promotiefilmpjes. Onderhandelen is slechts een substituut; het gevoel van betrokkenheid moet gevoed blijven. Het idealisme zoekt daarom een uitweg naar het concrete en persoonlijke.

De momenten waarop ik me het meest onderdeel van de VN heb gevoeld, het meest wereldburger, waren niet de grote formele vergaderingen, ondanks het letterlijke vlagvertoon en het optreden van beroemde en beruchte leiders (zo heb ik onder anderen Berlusconi, Chavez, Khadaffi, Fidel Castro van dichtbij meegemaakt). Nee, de betrokkenheid waar de woorden van Kofi Annan aan appelleren, heeft in mijn leven veelal de vorm aangenomen van een herkenning van de verstandhouding tussen mensen gemengd met de overtuiging dat ideeën echt verschil kunnen maken. Die herkenning komt als een ingeving, als je ineens echt iets begrijpt – van de wereld, van een ander, van wat ons allemaal verbindt en wat er moet gebeuren.

Ik was onlangs weer in Rome, als lid van een commissie voor de nieuwe strategie van de voedsel -en landbouworganisatie. Het was september en ’s ochtends vroeg al warm als midden in een ouderwetse Nederlandse zomer. Ik zat aan een ronde tafel in de tuin van mijn hotel op de Aventino, met twee andere commissieleden – Pedro, een voormalig Mexicaans minister, en Shen, een Chinese econoom. Beiden ken ik al lang, al zijn ze geen speciale persoonlijke vrienden. Het gesprek meanderde van de handelspolitiek van de VS, speculatie op de internationale energiemarkt naar de voedselprijzen en de importen van China. Boeiende onderwerpen, die ik echter ook met een paar Europeanen of Amerikanen zou kunnen bespreken. Maar in de context van ons werk die dag namen ze een extra urgentie aan.

Shen, Pedro en ik waren het eigenlijk zonder veel moeite eens over wat voor beleid nodig zou zijn om de voedselprijzen te temperen. Ineens voelde ik me toen uitgelaten, ondanks de somberheid van het onderwerp, door het feit dat drie mensen met zulke verschillende achtergronden het zo eens konden zijn. Toen ik later met Shen over straat liep, vertelde hij mij over het dorp van ongeletterde rijstboeren waar hij was opgegroeid. En weer voelde ik me uitverkoren omdat ik mocht zien hoe groot de stap was die hij had gemaakt en hoezeer onderwijs het verschil maakt voor iemands leven en een band schept over afkomst, religie, ras en taal heen.

Ik weet niet of ik dit een kosmopolitisch perspectief moet noemen. Het geeft een diepgang aan mijn werk die ik nooit in Nederland voel. Er hebben zich meer gelegenheden voorgedaan waarop ik een dergelijk persoonlijk engagement heb ervaren. In Algiers bijvoorbeeld, halverwege het afgelopen decennium, toen de niet-bevriende of zelfs vijandige naties Algerije, Libië, Mali, Marokko, Mauritanië en Tunesië eindelijk na vele onderhandelingen bereid waren satellietgegevens uit te wisselen over de atmosferische gesteldheid en de regenval in de broedgebieden van de woestijnsprinkhaan. Een plaag dreigde op grote schaal en alleen die onwaarschijnlijke samenwerking tussen de afgevaardigden, norse mannen die onder strikte militaire instructies stonden, kon toen een ramp voorkomen. Norse mannen die uiteindelijk, na vele maanden, even afstand konden nemen van hun onderlinge wantrouwen en zagen dat alleen samenwerking hen, en de dorpsbewoners in hun land, zou helpen. En zo dronken we kleine glazen zoete hete muntthee op het dak en leerde ik, de buitenstaander en in bijna alles het symbool van een andere wereld, toch iets herkennen van hun drijfveren en, hoop ik, zij iets van de mijne.

Ook in het dagelijkse leven kan die speciale betrokkenheid naar voren komen, kleinschaliger maar niet minder dramatisch. Een gesprek met Walid, mijn Egyptische collega, over zijn worsteling met de eisen van zijn strikt religieuze familie en zijn verlangen naar vrijheid en zijn wens een voorbeeld te zijn voor een nieuwe generatie. Mijn Cambodjaanse chef de cabinet, die nooit sprak over alles wat haar familie was overkomen onder Pol Pot, maar in een doodstil huis woonde, ingericht als een boeddhistische tempel. Dat ik hen beiden van serieus advies kon dienen, is nog steeds een bron van verwondering voor me. De VN hebben me die mogelijkheid gegeven, om andere levens te leren kennen, levens van anderen die ergens met het mijne verbonden zijn geraakt, mogelijk door hetzelfde ideaal van het verbeteren van de wereld.

Van een afstand hebben de VN iets magisch. Dit is de plaats waar in de harmonie tussen de volken de wereldproblemen zullen worden opgelost. Waar landen zonder aanzien van hun macht en inwonertal ieder een stem hebben, en allen naar allen luisteren. Waar de Qatari in zijn witte gewaad en de Nigeriaan in zijn felblauwe bestikte bubu naast de Amerikaanse in haar strenge broekpak staan; waar filosofen en religieuze leiders uit alle windstreken geciteerd worden. Waar, boven alles, ieder woord, ieder gebaar echt betekenis heeft, voor de rechten van de mens, voor honger en armoede, voor vrede en veiligheid, voor de zeeën en de atmosfeer, en die andere bedreigingen die wij ooit zullen oplossen met de goede wil van alle naties. Uiteindelijk, zo suggereren de VN, zullen we allemaal wereldburgers zijn, betrokken bij elkaar en bij de problemen die ons allen aangaan. Op geen enkele andere plek krijgt de belofte van het kosmopolitische elan zo duidelijk vorm.

Dat de realiteit een heel andere is, weet iedereen die weleens beelden uit de Algemene Vergadering of uit grote VN-conferenties heeft gezien. Verveeld bladerende, zelfs knikkebollende diplomaten die op geen enkele manier geïnteresseerd lijken in wat de spreker te vertellen heeft. Ze lopen weg als ze er zin in hebben, lezen de krant of kletsen met hun buren. De spreker, staatshoofd of minister, doet ook nauwelijks een poging om een coherent, laat staan eloquent verhaal te houden. Drie minuten per land, niet meer, want ieder land heeft recht van spreken. De monotoon voorgelezen tekst is een aaneenrijging van compromissen, het resultaat van maandenlang ambtelijk schaven waarbij ieder belangengroepje zijn trefwoorden moet blijven herkennen. Het lijkt alsof er tijdens die vergaderingen en conferenties nooit iets van enig belang wordt gezegd, een verspilling van tijd en geld, een belediging van de armen om wie het werkelijk gaat.

Er is de VN-taal en er zijn de VN-talen. De eerste is het pijnlijke, verdoezelende jargon van de officiële verklaringen. Platitudes wordt telkens een nieuw leven ingeblazen: ontwikkelingen zijn altijd relevant, problemen urgent, engagement (commitment – het meest gebruikte VN-woord) altijd oprecht. Daarin gaan woorden maar al te vaak iets anders betekenen: multifunctionaliteit of groene economie gebezigd door een Europeaan of Amerikaan wijzen op handelsbarrières. ‘Common but differentiated responsibilities’, dé term van de laatste jaren, verwijst onder meer naar de weigering van opkomende economieën om op dezelfde manier mee te betalen aan de uitstoot van broeikasgassen.

Een deel van de formaliteiten in het taalgebruik is het gevolg van stilistische afspraken, die bovendien houvast bieden voor degenen wier moedertaal niet een van de VN-talen is (Arabisch, Chinees, Engels, Frans, Russisch en Spaans). Het feit dat alle formele vergaderingen simultaan vertaald worden, is een verdere complicatie voor de spontaniteit en het begrip.

Maar vergis je niet. Doorbraken schuilen soms in donkere hoekjes van vergaderzalen. Die rituele formuleringen, die nationale politieke stokpaardjes, ja die zijn onvermijdelijk. Wie daar verontwaardigd of geërgerd op reageert, ziet de andere functies van deze VN-vergaderingen over het hoofd. Vergaderingen maken het proces van consensusvorming zichtbaar. De schijnbaar inhoudsloze procedures scheppen ook een sfeer van wederzijdse betrokkenheid en respect in geval van conflicten.

Al is alles op voorbereidende vergaderingen bekokstoofd, dan nog moet op plenaire bijeenkomsten ieder land zijn verklaring afleveren. Bij gebrek aan consensus gaan vergaderingen door tot diep in de nacht, opgehangen aan een enkel woord tussen rechte haken in de onderhandelingstekst (het teken dat er over dat woord nog geen overeenstemming is). De delegatie die in een plenaire sessie met nieuwe argumenten of standpunten komt, verstoort het proces en kan rekenen op geschokt stilzwijgen en ingrijpen door de voorzitter. Iedere formulering moet van tevoren voorbereid zijn, en dat kan al jaren in beslag nemen. Er zijn hele vergaderingen die uitsluitend gericht zijn op het bereiken van een akkoord over de agenda waarover vergaderd moet worden.

Deze rituelen spelen zich overal af. Het huis van de VN is geen gebouw met veel kamers, maar eerder een heel dorp met pleinen en huizen, met in het midden New York, waar de Veiligheidsraad en de Algemene Vergadering zich bevinden, aan de randen de VN-steden zoals Genève en in mindere mate Rome, daaromheen een ronddraaiend circus van vaste vergaderingen en semipermanente commissies. De huizen van het dorp zijn de speciale agentschappen zoals de ILO, de UNESCO of de WHO. Ieder op zich zijn die een mini-VN, met weliswaar een beperkt mandaat, maar wel lidstaten, officiële vergaderingen, een eigen juridische status en jargon.

Er is veel wat mij tot wanhoop drijft en heeft gedreven bij de VN. De kloof die gaapt tussen de oprechtheid van de opdracht zoals verwoord door Kofi Annan en de trage realiteit blijft moeilijk te accepteren. Toch gaat de teleurstelling bij het publiek en de media, zoals dit jaar bijvoorbeeld over de conferentie in Rio, voorbij aan de heel langzame, stapsgewijze veranderingen. In de twintig jaar sinds de eerste Top van de Planeet, in Rio in 1992, zijn landen dichter bij elkaar gekomen. De tijdschaal van de VN beslaat decennia, geen jaren, laat staan maanden.

Niets menselijks is de VN vreemd: eigenbelang, cynisme, idealisme, opofferingsgezindheid. De VN zijn even dubbelzinnig als de term kosmopoliet. Wereldburger, maar daardoor ook niet gebonden aan iets of iemand. Voor een klasse ambtenaren en onderhandelaars zijn de VN een vehikel voor baantjes en dagvergoedingen. Maar op de beste momenten stimuleren de VN een positieve vorm van kosmopolitisme, de onderschikking van het eigen belang aan dat van anderen, het denken aan volgende generaties en minder bedeelden. ‘Het leven verbeteren van iedere man en vrouw’ – er is geen nobeler plicht, hoe moeizaam ook.

Noot: om redenen van (diplomatieke) discretie zijn enkele details veranderd. Wie een gevoel wil krijgen voor hoe de onderhandelingen werken, kan eens kijken naar de tussenstand van de Rio+20-teksten

Louise O. Fresco (1952), landbouw- en voedsel deskundige, is voorzitter van de Raad van Bestuur van Wageningen UR. Van 2006 tot juli 2014 was zij als universiteitshoogleraar verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. daarvoor was zij Assistant director-general van de FAO, de voedsel- en landbouworganisatie van de Verenigde Naties in Rome. Ook schreef ze drie romans, waarvan De Utopisten in 2008 genomineerd werd voor de Libris Literatuurprijs.

Meer van deze auteur