Bild zweschen Brueghel un Bosch

De menigte had de weg naar het plein
uren eerder al gevonden, ze juichten
toen ik mijn zoon op het podium hielp.
Twintig kinderen stonden op de planken
en middenvoor een volwassen mongool.
Aanmoediging was echt nauwelijks nodig
ze scholden de gehandicapte de huid vol,
prikten scherpgeslepen rietjes in zijn rug.
De man liet het allemaal over zijn kant gaan,
toen verdween de goeiige grijns van zijn
smoel.
Hij stampte drie keer met zijn rechtervoet
op het plankier en weg was hij, in volle
galop
veegde hij de kinderen met zijn vrije hand
van de verhoging en de ouders lachten hard
om elk kind dat van het podium gemept op
het plein
te pletter viel, alsof het hun eigen was.

Greep
De vader zegt: ‘Alles sterft
wat je vast blijft houden.’
Zegt de zoon: ‘Wat je loslaat
drijft weg, gaat stilaan verloren
voor je ogen, de rest volgt vanzelf.’
Hij schuift zijn stoel weg van het bed.
Vraagt de vader: ‘Waar wil je naartoe?’
en een tweede keer, sterker ditmaal.
Hij antwoordt: ‘Er moet een raam open.’

Schemer
Als hij de deur opendoet
heel zacht en maar net genoeg
om zich naar binnen te kunnen wringen
ziet hij het bed in de schemer,
de wanorde van lakens en een man
die slaapt, volkomen van de wereld is.
‘Pa, pa, word wakker, alsjeblieft.’
Hij wacht op het antwoord dat uitblijft,
valt op zijn knieën en huilt.
Zo is het afgesproken; zijn vader komt nu
lachend overeind en streelt hem
met een verbeende hand door het haar.

Keuze
Hij werkt niet tegen
als het touw wordt omgesnoerd.
‘Maak ze niet nog kwader,’
heeft de vader kort daarvoor gefluisterd.
Aan de oever van de Donau zitten ze nu
vastgebonden aan elkaar,
hij rechts, de vader links.
‘Laten we proberen te draaien,’
zegt de vader, ‘dan schieten ze jou.’
‘En dan ben jij degene die verdrinkt,’
zegt hij, ‘ik wil dat niet op mijn geweten…’
‘Als we zo blijven zitten, sleep ik je mee,
het water in,’ onderbreekt de vader,
en verheft de stem: ‘Geen sprake van.’
Een soldaat die voorbijloopt, sust hen
en port met een laars in hun ribben.
‘Ik wens je een paardenlul in je kont,’
schreeuwt de vader tegen de soldaat,
voordat hij hem nog een kus toe blaast,
en de soldaat hen het water in werkt.

Gerucht
Hij heeft de douche uitgezet,
luistert aandachtig – is het waar? –
als hij de kraan weer wil opendraaien,
hoort hij van buiten het getier,
de woede van de jeugd die als hij
het zich niet verbeeldt – herkent
ten minste één stem, hoort
op het tuinpad stappen,
het breken van glas, de een
na de ander die binnenvalt,
het rennen op de trap.

Opkomst
Ik zit aan de tafel als jij
binnenkomt en gaat zitten, verschuif ik
de koffiemok millimeters opzij
en kijk; je merkt het,
wordt onrustig, kalmeert eerst
als ik de mok exact daar zet
waar hij stond, ‘geen kruis nee’. Je knikt.
‘Ga maar,’ zeg ik, je staat op.
‘Vergeet je niet iets?’ Een gebaar,
je krabbelt letters op een vel van lucht.
Ik schud mijn hoofd, ‘Vraag je de volgende?’
Je komt binnen, gaat meteen zitten,
ziet hoe ik de mok een fractie verschuif
en blijft doodkalm, ik smijt de koffielepel
door de kamer, je blijft doodkalm.
‘Ongelofelijk,’ zeg ik, ‘kan het je iets schelen?’

Berg
Naast elkaar staan ze, wijzend,
eerst op de kaart, dan in de verte
en nog eens op de kaart.
De man schudt het hoofd,
de jongen knikt: ‘Geloof me, pa.’
Stram zakt de man door de knieën.
‘Gaat het zo?’ vraagt hij. ‘Prima,’
zegt de jongen, neemt een korte aanloop
en springt op de rug van zijn vader.
Wankel begint de man te lopen.
De jongen heeft zijn armen om diens hals,
houdt met links de kaart stijf vast.
Als ze een uur later de voet van de berg
bereiken,
loopt de vader krom met trage passen.
‘Tijd om te ruilen, pa?’ vraagt de zoon.
‘Nee,’ zegt de man, ‘jij bent nog jong.’

Viaduct
Zegt de zoon: ‘Er is geen reden.’
Hij kent niets dan ongeloof.
Onder hen raast verkeer voorbij.
Aan weerszijden kunnen ze in het bos
verdwijnen, maar ze blijven daar.
‘Waarom zou je?’ zegt hij,
gelooft niet dat angst merkbaar is
in zijn stem, maar twijfelt
of dit de toon voor een vader is.
‘Ik zei het al, geen reden,’ lacht de zoon
als hij over de reling springt.

Tij
Een opengevouwen strandstoel,
een emmer met bier voor de vorm
een schep en een visnet.
‘Ik ben niet dood?’
vraagt de vader, zegt de zoon:
‘Pa, hoor je me niet?’

Mischa Andriessen (1970) is dichter. Hij werkt momenteel aan zijn vijfde bundel, vooralsnog getiteld Het drogsyndicaat. Daarnaast publiceert hij met regelmaat in verschillende media over beeldende kunst en jazz.

Meer van deze auteur