Op de flap van zijn nieuwe roman stelt Thomas Pynchon Bleeding Edge voor als een ‘historical romance of New York in the early days of the Internet’. Het verhaal start in de lente van 2001 met een mooie stedelijke Natureingang die de romantische dimensie van de tekst al even in de verf zet, maar drukt de lezer ook gauw met de neus op bekende feiten: de dot-com boom uit de tweede helft van de jaren negentig is net voorbij en via een aantal verwijzingen naar het World Trade Center doemt 9/11 al aan de einder op. Kun je met zulke recente gebeurtenissen als focus eigenlijk wel van historische fictie spreken? Volgens de tekst op de flap wel: hoe kort geleden ook, de behandelde periode is wel degelijk ‘galactisch’ ver verwijderd van onze huidige situatie, en Bleeding Edge wil juist ook aangeven waarom dat zo is.

Hoofdfiguur Maxine Tarnow is een joodse alleenstaande moeder die zich vrijwel meteen ontpopt tot een private investigator in de stijl van Raymond Chandler of, veel recenter (en van het juiste geslacht), Sue Grafton. Als freelance fraudeonderzoekster komt zij een aantal vreemde dingen op het spoor die te maken lijken te hebben met de vernietiging van de Twin Towers. Deze ’verschrikking’ wordt onderdeel van het verhaal, dat uiteindelijk eindigt in de lente van 2002 – met Maxine die zich nestelt in de min of meer veilige cocon van (herenigd) gezin, toch niet zo lastige familie en naaste vriendinnen, op net genoeg afstand van de vijandige en ondoorgrondelijke wereld.

Het historische belang van de opgeroepen feiten schuilt voor Pynchon in het door hem gesuggereerde verband tussen de aanslag en recente ontwikkelingen op het internet. Een suggestie die in het Snowden-tijdperk relevanter is dan ooit. George W. Bush en zijn collega’s aan de macht hebben 9/11gebruikt om een permanente staat van beleg te creëren waarin de Amerikaanse overheid ieder individu doorlicht en controleert, niet het minst met behulp van het internet. Snowdens initiatief lijkt eens en voor altijd de paranoia te rechtvaardigen die voor vele critici de kern uitmaakt van Pynchons kijk op de wereld.

Overmatige achterdocht, en de daaruit voortkomende orde in ons hoofd, vormen al sinds Pynchons eerste roman V. (1963) een centraal thema. In dat boek situeerde hij het hoofdverhaal in het New York van de jaren vijftig, waar Benny Profane en zijn vrienden doelloos ronddrijven. Een van Benny’s kennissen, Herbert Stencil, is geobsedeerd door het veelvormige vrouwelijke wezen V. Stencils zoektocht levert een aantal buitengewoon knappe hoofdstukken op die zich afspelen tussen het einde van de negentiende eeuw en de Tweede Wereldoorlog. Stencil en de verteller brengen met deze verhalen enige orde aan in de grote chaos van de geschiedenis en leggen daarbij steeds een verband tussen vrouwelijkheid en geweld, een enkele keer met V. als slachtoffer, maar meestal met deze mysterieuze white goddess als motor van de gruwel.

In Pynchons belangrijkste roman, Gravity’s Rainbow (1973; in 1993 mooi in het Nederlands vertaald door Peter Bergsma) wordt de Amerikaanse officier Tyrone Slothrop begin 1945 naar het bezette Duitsland gestuurd, op het eerste gezicht om de geheimen van de V-2 te gaan doorgronden. Hij dankt deze missie aan het bizarre feit dat zijn erecties in het Londen van 1944 verband lijken te houden met de inslagplaatsen van deze raketbom. Slothrop is de nieuwe Stencil: hij verbindt feiten en feitjes om een identiteit te handhaven die drijft op het gevoel van een tegen hem gerichte samenzwering.

Ook in The Crying of Lot 49 (1966; tot tweemaal toe in het Nederlands vertaald door Ronald Jonker), een korte, toegankelijke roman waarmee Pynchon snel aan de resterende termen van zijn eerste auteurscontract wilde voldoen, raakt de protagoniste Oedipa Maas verstrikt in een netwerk van tekens die haar soms tot wanhoop drijven, maar die tegelijkertijd ook meer reliëf geven aan haar vlakke bestaan. Zij meent in die tekens samenhang te ontwaren en begint aan de hand van informanten een historische zoektocht naar de waarheid. Tevergeefs; de lezer blijft achter met hetzelfde onbestemde gevoel als Oedipa.

Het zijn deze drie romans waarmee Pynchon zijn reputatie vestigde. Ook buiten zijn werk heeft hij actief bijgedragen aan zijn imago als auteur bij uitstek van het soort paranoia dat sinds de moorden op John F. Kennedy en Martin Luther King welig tiert in de VS. Toen V. succes had, verdween Pynchon met opzet uit het zicht. Uit een brief die later opdook weten we dat hij snel een Mexicaanse schuilplaats opgaf toen reporters van Time Magazine hem op de hielen zaten. Maar nu Facebook en Google iedereen vindbaar hebben gemaakt, voelt zijn vroege wens om een onzichtbare schrijver te zijn opnieuw als de subversieve daad die dit in de eerste helft van de jaren zestig voor hem geweest moet zijn. Pynchon wilde per se geen deel uitmaken van het systeem, waarin ook het boekbedrijf gevangenzat. Als we de Britse journalist James Bone mogen geloven, maakte Pynchon zich in 1997 nog boos toen hij, Bone, de auteur had opgespoord en op het punt stond een foto van hem te maken in de straten van Manhattan. In 1998 zorgde Pynchon er via zijn advocaten voor dat een serie brieven aan zijn voormalige agente Candida Donadio niet publiek zou worden tot vijf jaar na zijn dood.

Sinds een jaar of tien goochelt Pynchon echter nadrukkelijk met het beeld dat hij zelf heeft helpen ontstaan. Hij stond een faxinterview toe voor een boek waarin zijn overleden vriend Richard Fariña wordt geportretteerd, hij leende zijn stem aan twee afleveringen van The Simpsons (waarin hij telkens werd afgebeeld als famous reclusive author met een papieren zak over zijn hoofd) en hij sprak ook een filmpje in dat op YouTube kwam te staan ter promotie van zijn voorlaatste roman, Inherent Vice (2009). Recentelijk werd de filmversie van dit boek overigens ingeblikt, en regisseur Paul Thomas Anderson (There Will Be Blood, The Master) liet doorschemeren dat Pynchon een beetje heeft meegewerkt aan het scenario. Zo onzichtbaar is hij dus niet meer. Op het moment werkt literair journalist Albert Rolls zelfs aan een biografie.

Net zoals Inherent Vice geeft Bleeding Edge de lezer een boek dat volledig aansluit bij het Pynchon-beeld in de populaire cultuur. Beide romans staan bol van de achterdocht – ‘paranoia’s the garlic in life’s kitchen’, hoor je in de nieuwste al snel – en je krijgt meer en meer de indruk dat Pynchon, ondertussen zesenzeventig, zijn eigen imago gebruikt om gewoon te doen wat hij op dit moment graag doet: historische misdaadromans schrijven die ongewoon en intelligent genoeg zijn om als ‘literatuur’ te worden beschouwd. Daarbij heeft hij zijn verleden als ‘groot auteur’ uiteraard mee en dwingt zijn literaire intelligentie nog altijd voldoende respect af.

Met de aanduiding ‘historical romance’beschrijft Pynchon vooral de afloop van Bleeding Edge. In dit genre zeggen personages in een uitvoerig en tot in de details gedocumenteerd verleden met overtuiging ‘ik hou van jou’, maar die verhaalontwikkeling komt er bij Pynchon pas echt als het verhaal 9/11kruist en wegdraait van het crime-_genre. Tot 11 september 2001 is _Bleeding Edge een heel leuke misdaadroman, compleet met bruisende humor, enigszins overtrokken personages, net iets te vergezochte plotwendingen, en bovendien prachtige passages over New York. Deze toch superieure pastiche appelleert aan diverse subgenres – zo is er een slechterik (Gabriel Ice) die aan een spy thriller met James Bond doet denken, maar ook een lichtelijk groteske maffioso (Rocky Slagiatt) die zo uit The Sopranos lijkt te zijn gestapt – maar met Maxine als onafhankelijke onderzoekster die tegen een stootje kan, blijft de goede oude noir van Hammett en Chandler wel degelijk het richtsnoer.

Voor wie heeft genoten van de misdaadpastiche wordt Bleeding Edge vanaf11 september 2001 een onplezierig boek. Personages en verteller geven plotseling allerlei expliciete verklaringen (bijvoorbeeld over het misbruik van de aanslag door Bush), de humor verdwijnt bijna helemaal, de misdaadplot dooft (een of twee aardige opflakkeringen daargelaten), de afzonderlijke zinnen zijn nog zelden virtuoos, en het hele verhaal krijgt vrij snel de allure van een goedkope ontspanningsfilm – zo een die via de elementaire ontwikkeling van de hoofdfiguur op de grote gevoelens mikt, maar daar zo veel voor uit de kast haalt dat hij in de ogen van veel kijkers tot melodrama verwordt.

Als ervaren Pynchon-lezer wil je dan graag denken dat je gewoon een tweede pastiche voorgeschoteld krijgt, maar het plezier van een dergelijke literaire onderneming is in het laatste deel van Bleeding Edge ver te zoeken. Hier is iets anders aan de hand. Moet de genre-omslag niet worden gezien als de literaire vertaling van het effect van 9/11? Moeten ironie, sarcasme, twijfel en metafictie als gevolg van die ‘verschrikking’ nu ook bij Pynchon plaatsmaken voor ernst, helderheid en klein geluk? Hebben spelletjes plots geen zin meer en kunnen we maar beter oog krijgen voor de dingen die echt belangrijk zijn? Met andere woorden: geeft Pynchon zijn veelgeroemde literariteit op nu het Amerikaanse systeem echt alles, internet incluis, in zijn greep blijkt te hebben gekregen?

Ooit werd de term bleeding edge gebruikt als overtreffende trap van cutting edge, ter aanduiding van het waanzinnige innovatietempo en de daaraan verbonden risico’s van op de beurs florerende internetbedrijven. Althans, tot het grote failliet. Zo bezien blijft Pynchons titel ironisch, en inderdaad krijgt ironie in de tekst zelf even de status van een motief. Het woord doet zijn intrede net voor 11 september; na de aanslag krijgt het een negatieve lading. Maxines zus wijst haar op de ‘stupid little hipster irony’ waarmee ze haar twijfels omtrent de aanslag uit; vriendin Heidi schrijft een essay waarin ze suggereert dat ironie zelf slachtoffer is geworden van de aanslag ‘because somehow it did not keep the tragedy from happening’, omdat ironie misschien zelfs de aanslag heeft veroorzaakt door de geesten in het land te verzwakken.

Vanaf 9/11 moet alles letterlijk worden. Maxime zelf windt er even later geen doekjes om: ‘11 September infantilized this country.’ Op grond van deze passages kun je vermoeden dat Pynchon zich duidelijk bewust is van het feit dat hij met zijn draai richting triviale romance zijn kracht als auteur opgeeft. Maxines terugkeer naar de belangrijke dingen des levens mag gelden als de uiting van een nieuwe, ironievrije Amerikaanse ideologie. Pynchons omarming van de romance blijkt een illustratie van de onbenulligheid van literatuur in het nieuwe historische stadium. Dat zij zo, maar dat maakt de lectuur van het laatste deel van Bleeding Edge erniet prettiger op.

De tristesse van Pynchons nieuwe tijdperk wordt nog aangewakkerd door de ontwikkeling van de plotlijn rond een virtuele wereld, DeepArcher (hoor: departure). Ontworpen door twee kennissen van Maxine toen het nog goed ging met Amerika, bezorgde dit softwareprogramma zijn gebruikers dankzij de intensiteit van zijn beperkt toegankelijke beelden aanvankelijk een aangenaam gevoel van transcendentie. Maar na de aanslag verliest deze ervaring aan kracht. Was het internet ooit een idyllisch oord waar je het escapisme dat je erheen dreef achter je kon laten op zoek naar een alternatieve, democratische werkelijkheid (zeker als je wat dieper groef dan de doorsnee gebruiker), na Bush en Snowden is deze digitale utopie verworden tot een dystopie van surveillance.

Pynchon lijkt zich nog even te hebben geamuseerd met zijn misdaadpastiche (en vele lezers hopelijk met hem), maar ziet zich kennelijk gedwongen er in de loop van zijn laatste boek abrupt een eind aan te maken. Is dat een tijdelijk dipje, of is het de laatste groet van een bejaard auteur die de literaire strijdbijl begraaft? Laten we hopen dat Pynchon zich nog eens écht wil uitleven. Zijn buitengewone historische verbeelding blijft simpelweg te adembenemend om zich te laten temperen door de desillusies van onze tijd.

Als Inherent Vice het volgend jaar behoorlijk doet in de Amerikaanse bioscopen, komt er wellicht ook een verfilming van Bleeding Edge. Met al die romantiek op het einde is het boek geknipt voor Hollywood; ik gok op Rachel Weisz of Lisa Kudrow in de rol van Maxine.