I

Van mijn moeder kan ik me niet anders herinneren dan dat ze communiceerde in de vorm van verhalen; associatief weefde ze herinnering na herinnering door de gespreksonderwerpen, tot je je afvroeg hoe het spoor dat ze uitzette ooit weer bij het beginonderwerp moest uitkomen. Als je wilde ingrijpen, haar wilde versnellen door bijvoorbeeld te zeggen: ‘Dus toen liep het uiteindelijk tóch goed af...’, verdween alle expressie uit haar gezicht. Alsof je de projector van haar geheugen uitzette en ze wakker werd in een vreemd heden. ‘Laat me mijn verhaal uitvertellen,’ klonk het dan toonloos. Daarna was het alsof de naald op de plaat werd teruggezet en je de plaat moest uitluisteren tot hij de genade van de eindgroef bereikte.

Toen ik als twaalfjarige voor het eerst in een vliegtuig zat, verbaasde ik me erover dat de wereld onder mij razendsnel veranderde in een miniatuurlandschap, maar de golven van de Noordzee er hetzelfde uit bleven zien. Zelfs boven de oceaan tekende zich het golfpatroon nog duidelijk af, terwijl we inmiddels zó hoog zaten dat je de contouren van Groenland kon zien. Hoe was dat mogelijk? Het probleem hield me gedurende de vliegreis bezig, tot ik begreep dat de golven van de Noordzee een soort miniatuurversie moesten zijn van wat ik nu zag. Blijkbaar hadden golven een structuur die er op elke schaal hetzelfde uitzag.

Die vakantie zag ik mijn vermoeden bevestigd in stadsvijvers en zwembaden. Pas jaren later leerde ik dat golven fractals zijn, een vormprincipe waarbij de algehele structuur terugkomt in de details. Iets dat je niet alleen ziet bij golven, maar ook bij kustlijnen, duin- en berglandschappen, en op kleinere schaal bij de groeiwijze van bomen, planten en ijskristallen. Dat groot en klein zó onlosmakelijk verbonden konden zijn, fascineerde me mateloos.

De gedachte achter dit vormprincipe volgend, zou je kunnen zeggen dat het mijn moeder tijdens de conversatie ontbrak aan ‘fractaal benul’; het vermogen (of vertrouwen) door middel van details het geheel op te roepen. Zij hanteerde eerder een zijwaartse beweging: ‘en toen... en toen...’, zoals kinderen praten. Het was niet zo dat mijn moeder zichzelf graag hoorde praten. Het was eerder het onvermogen om keuzes te maken. Door de chronologische aanpak wist ze alle keuzes te vermijden.

Geoefende vertellers zoomen in en uit, vertragen of versnellen al naar gelang dit het verhaal dient, en stemmen informatie en spreekstijl af op hun publiek. Mijn moeder zond onophoudelijk golfjes informatie uit in de hoop dat de ontvanger daarin een patroon ontdekte. Een misverstand, want de luisteraar hield zich voornamelijk bezig met hoe deze enorme woordenstroom te pareren.

Ik herinner me hoe ik haar tijdens zo’n monoloog kwijtraakte. De eindgroef was eindeloos ver weg. Ik wilde buitenspelen. Het schuldgevoel hier weer over; ze deed immers zo veel voor ons, was altijd bezig met koken, strijken, wassen, boodschappen. Dus veinsde ik belangstelling, iets waar ze gretig op inging. Waar ik me dan onmiddellijk wéér schuldig over voelde (wat voortkwam uit de pijnlijke neerbuigendheid van dit alles, al realiseerde ik me dat pas jaren later).

‘Ik ben net thuis,’ kon ze van wal steken. ‘Eerst ging ik naar de supermarkt, toen kwam ik mevrouw die en die tegen – je weet wel, die vrouw die daar en daar werkt (volgde een uitweiding), toen moest ik nog langs de bank voor girobetaalkaarten.’ Feiten die, zoals je voorvoelde, niet van belang waren voor de ontknopingen, zoals later ook bleek, maar die de route van haar geheugen vormden.

Het had zowel haar als de luisteraar heel wat moeite bespaard, wanneer ze de film van haar geheugen was gestart op de plaats die onze speciale aandacht verdiende, in dit geval de Schoolcampus van de V&D. Want als we daar via de Albert Heijn, het praatje met de kennis, een ongure kerel in de rij van het bankloket en een kwijt gewaande fietssleutel ten slotte waren aangekomen, bleek een V&D-medewerker zonder enige aanleiding in tranen te zijn uitgebarsten tussen de schappen met schoolagenda’s. Wat er met de man aan de hand was, kwamen we nooit te weten. Waar het verhaal begon, daar eindigde het.

Dingen die je wíldehoren, vertelde ze niet. Toen ik mijn moeder als puber vroeg op welke leeftijd ze voor het eerst ongesteld werd (alle meisjes in mijn klas waren het al geweest, behalve ik) antwoordde ze: ‘Doet er niet toe,’ met diezelfde toonloze stem als wanneer ze onderbroken werd. Ik herinner me nog hoe het bloed naar mijn wangen steeg omdat mijn belangstelling werd afgedaan als een ongepaste vorm van nieuwsgierigheid. De kunst was natuurlijk geweest de mededeling ónder de woorden te detecteren. Maar ik was geen psycholoog. Ik was een kind.

Praten was voor mijn moeder een vorm van ontladen. Van ordening ook. Alsof ze tijdens de gebeurtenissen zelf vergeten was op te letten, en ze het van de reactie van de luisteraar liet afhangen wat belangrijk was geweest. Het deed denken aan de Japanse toeristen die ik tijdens een vakantiebaantje op de rondvaart ontmoette. Door de lens turend stapten ze aan boord, en bij het uitstappen verdwenen ze al filmend in een stationair draaiende bus die hen achtereenvolgens naar het Diamantmuseum, de Zaanse Schans, de Keukenhof en Madurodam zou brengen. Ze beleefden de vakantie pas echt wanneer ze thuis de vakantiefilmpjes downloadden, bekende zo’n Japanner me eens. Mij leek het vooral het onvermogen ‘in het moment te zijn’, maar dat zei ik niet. Het ‘laat me mijn verhaal uitvertellen’ van mijn moeder moest een soortgelijk proces zijn. Haar geheven hand was een bezwering; ze moest haar aandacht erbij houden, anders ging er kostbare informatie verloren.

Thema in mijn moeders verhalen was de ander in al zijn verschijningsvormen, met de boeman aan de ene kant van het spectrum en het slachtoffer aan de andere. Decor vormde de grote boze buitenwereld. ‘Want als er geen aardbevingen, ziektes of overstromingen waren, maakten de mensen elkáár wel af.’ Verder was er een mateloze bewondering voor degenen ‘die het op konden lossen’: de knappe koppen. Die bewondering gold vooral mijn vader.

Zelfs toen alzheimer haar grotendeels beroofd had van haar spraakvermogen, kon ze tijdens het achtuurjournaal plotseling zeggen: ‘Het is toch ook een rotwereld!’ Het kwam er merkwaardig ongeschonden uit, alsof decennialang gebruikte zinnen op een gegeven moment verhuisden naar een spiergeheugen van tong en stembanden, en daarmee de oprukkende plaques in haar hersenen te slim af waren.

II

Op mijn twaalfde begon ik in een schoolschriftje te noteren wat ik ontbeten had tot en met hoe laat ik was gaan slapen (met ‘Doei!’ erachteraan). Na een tijdje voelde het als dwangarbeid. Ik stopte ermee, maar op Nieuwjaarsdag begon ik opnieuw. Om een of andere reden was ik toch ook gehecht geraakt aan het schrijven. Het vormde een rustpunt in de dag, tijd voor mezelf in een drukke huishouding van zeven personen. De schriften werden verruild door ringbanden, en deze maakten weer plaats voor plakboeken die ik illustreerde met tekeningen, foto’s en toegangskaartjes.

Zoals monologen mijn moeder houvast boden, zo vormde de groeiende stapel dagboeken voor mij een soort extern geheugen. Een bewijs dat ik bestond. De periodes dat ik niet schreef, kon ik later nauwelijks terughalen. Maar het belangrijkste was dat het schrijven me kalmeerde; soms was het openschroeven van mijn vulpen al voldoende om een gevoel van concentratie op te wekken.

Rond mijn achttiende begon ik het dagboek overal mee naartoe te nemen. Ik woonde inmiddels zelfstandig en paste vijf dagen per week op twee kinderen; ik haalde ze van school, kookte een avondmaaltijd en zette koffie in afwachting van de moeder. Op woensdag- en vrijdagmiddag bracht ik het jongetje naar voetbal. In de voor mij wezensvreemde omgeving van de voetbalkantine koos ik een tafeltje ver van de bar en noteerde ik wat ik waarnam: de voetbalvaders, de opgemaakte vrouwen, die vreemde mengeling van zweet, sigarettenrook en frituurvet die ik alleen van daar kende, Jeroentje die met gedouchte haren chocomel dronk met zijn vriendjes.

Een ontdekking. Met schrijven in openbare gelegenheden kon je ergens zijn en er tegelijkertijd níétzijn. Decennia later kon ik nog aan de kantinefragmenten aflezen hoe eenzaam ik geweest moet zijn; hoe gedetailleerder de beschrijvingen, hoe geïsoleerder ik me had gevoeld. Taal was een verschansing, geen poging tot contact. Die verstoppogingen werden allengs geraffineerder: zelfs toen ik later veel persoonlijker begon te schrijven, leken vooral de vermeldingen ‘nog nader uit te werken’ te verwijzen naar waar het werkelijk om ging.

De momenten dat het me lukte mezelf te bevrijden van de chronologiedwang waren de gelukkigste. Associatief schreef ik voor me uit, zonder me te bekommeren om logica of zinsbouw, net zo lang tot zich onder de zinnen iets begon te roeren. Ik was dan als een visser die geduldig langs de waterkant moest afwachten tot de dobber werd gepakt. En als ik beet had, was ik verrast, omdat wat ik schreef zich al die tijd in mijn hoofd moest hebben bevonden, zonder dat ik het bestaan ervan vermoedde: gedetailleerde herinneringen aan het zwembad van mijn jeugd: mijn blote voeten op de geribbelde, natte tegels, de akoestiek van het overdekte bad, de gruwel van aankleden (het natte badpak, de stroef zittende kleding na het haastige afdrogen). Maar ook: fantasieën, droomflarden die me al schrijvend ineens weer scherp voor de geest stonden, ideeën over te ontwikkelen producten (Engelse telefooncellen opkopen en transformeren tot douchecabines met de bakelieten telefoon als douchekop), brieven aan gefingeerde vriendinnen.

De aldus verkregen fragmenten leken zich op geheimzinnige wijze te verhouden tot eerdere vangsten. Tezamen vormden ze een vreemde en tegelijkertijd vertrouwde fractale structuur, de wereld onderhet wateroppervlak, een onderstroom waar ik in het dagelijkse leven maar sporadisch toegang toe had. Alsof ik al schrijvend bezig was één grote Jig Saw-puzzel van mijn leven te leggen.

III

Toen ik zo rond mijn dertigste om de haverklap ruzie begon te krijgen, in het verkeer, op de werkvloer, met familieleden en zelfs vrienden, besloot ik groepstherapie te proberen. Om acht uur ’s ochtends zaten we met een man of acht in een kring in een souterrain. De therapeute hield zich op de achtergrond. Meestal zei ik weinig, tot ik besefte dat ik op deze manier niets had aan de therapie. Op een ochtend besloot ik te vertellen over een ervaring waarover ik tot dan toe met vrijwel niemand had gesproken en die me nog steeds angstaanvallen bezorgde, al was het inmiddels jaren geleden.

Aarzelend stak ik mijn hand op. Alle blikken richtten zich op mij. In grote lijnen beschreef ik het verhaal: hoe ik in Istanbul in mijn eentje een taxi naar het vliegveld nam, hoe de taxichauffeur na een paar kilometer zonder aankondiging de snelweg verliet, een dorpje binnenreed en een handlanger liet instappen. Hoe de mannen druk overlegden terwijl ze blikken naar mij op de achterbank wierpen, en hoe ze zich leken te bedenken toen iemand op straat ons leek te observeren. Hoe de chauffeur zijn maat liet uitstappen, de auto startte, de snelweg weer op reed en ik als versteend was blijven zitten, niet wetend wat te doen (mijn koffer zat in de bagageruimte, ik had geen idee waar ik was, mijn vlucht vertrok binnen twee uur). Hoe ik ten slotte na de zenuwslopende rit alsnog bij het vliegveld was afgezet. ‘Het idiote is dat ik hem nog betaalde ook!’ besloot ik mijn verhaal.

Mijn therapiegenoten hadden het relaas onbewogen aangehoord. Na een lange stilte zei iemand: ‘Dus uiteindelijk kwam je tóch gewoon aan bij de luchthaven.’ Er klonk teleurstelling in zijn stem. Vertwijfeld keek ik in het rond. ‘Ja, het is heel erg allemaal,’ haakte iemand anders in, ‘van die ontvoering en zo, maar de manier waarop je het vertelt: ik vóél het niet.’ De groep beaamde het door hevig te knikken.

Ik was verbijsterd. ‘Het gaat er toch niet om hoe jij je voelt, als ik iets vertel...?!’ riep ik uit. Een machteloze woede kneep mijn keel dicht. Ik voelde dat ik op het punt stond om verschrikkelijk te gaan huilen, iets wat me maar een paar keer in mijn leven overkomen was en wat ik koste wat kost moest zien te vermijden omdat dan alle dijken zouden doorbreken. Achter ons schraapte de therapeute haar keel. ‘Louisa heeft misschien een punt,’ interrumpeerde ze voorzichtig. Verrast keek de groep achterom; in groepstherapie komt de therapeut zelden tussenbeide. ‘Je wilt mensen deelgenoot maken van iets dat je heeft geraakt,’ vervolgde ze vriendelijk, ‘maar blijkbaar vertel je het op een manier die niet overkomt. Dat is zeker iets om nader te bekijken.’

Terwijl de tranen over mijn wangen stroomden, vertelde ik met horten en stoten hoe ik, toen het vliegtuigicoontje plotseling van de verkeersborden verdween, ‘Haválimani!’ naar de chauffeur was blijven roepen, het woord voor ‘vliegveld’ dat ik uit Wat en hoe in het Turks had geleerd. Hoe ik mijn ring met steen zo had gedraaid dat deze op een trouwring leek en deze voor zijn gezicht heen en weer was blijven zwaaien, hoe zijn grijns me doodsangst had aangejaagd.

Af en toe moest ik stoppen met praten. Ik wiegde heen en weer op mijn stoel. Een vrouw naast me wreef zachtjes over mijn rug. ‘Bij aankomst heb ik die vent nog betaald ook,’ riep ik met verstikte stem. ‘Alles om maar van hem af te zijn. Mijn handen trilden zo, dat alle bankbiljetten uit mijn portemonnee op de bijrijdersstoel vielen. Ik durfde ze niet eens op te pakken. Toen hij wegreed, kon ik minutenlang niet lopen. Mijn benen voelden als verlamd.’ Om een opkomende vlaag van misselijkheid te bedwingen zuchtte ik een paar keer diep. ‘En nu durf ik nooit meer een taxi te nemen,’ besloot ik zachtjes, terwijl ik naar de grond keek.

Het bleef lang stil. Ik durfde niet op te kijken. Maar dit keer had de stilte iets van ontzag. Een jongen tegenover me zuchtte aangedaan en stond op om mij een doos tissues aan te reiken. ‘Goed gedaan,’ hoorde ik de therapeute achter me zeggen. Ik keek achterom. Ze knikte me hartelijk toe.

Terwijl ik toeterend mijn neus snoot, wist ik het zeker: het was hier een volslagen gekkenhuis. Toch voelde ik me de rest van de dag vreemd licht en toegankelijk. Alsof ik bevrijd was van kilo’s die ik al die tijd zonder het te weten had meegetorst.

De sessie had mij iets wezenlijks geleerd: in mijn dagboeken waren bondige opsommingen misschien oké, tegenover publiek was er meer voor nodig om de aandacht vast te houden. Hoe dat precies in zijn werk ging, daarover tastte ik in het duister. Blijkbaar moest ik totaal van streek zijn, wilde de boodschap overkomen.

IV

Of de kiem bij die bewuste therapiesessie lag weet ik niet, maar niet veel later ontstond er een behoefte aan publiek; ik stond te popelen om alles wat ik de laatste decennia bij elkaar had gedacht en geschreven met de wereld te delen. Om te beginnen besloot ik mee te doen aan een verhalenwedstrijd. Een verhaal voor publiek schrijven bleek wezenlijk anders dan het bijhouden van een dagboek: dingen die vanzelfsprekend waren geweest (wie de schrijver dezes was, bijvoorbeeld) moesten ineens onderbouwd; opsommingen bleken saai, de meer associatieve fragmenten te vaag. Zo plotloos als ik gewend was te schrijven, zo gebaat zou dit verhaal zijn bij verteltechnieken: tempowisselingen, spanningsboog. Hoe deden die schrijvers dat in ’s hemelsnaam? Nadat ik voor de zoveelste keer opnieuw was begonnen en mezelf wederom verloor in zijpaden, besloot ik mij in te schrijven voor een schrijfcursus.

Acht weken lang zat ik met tien andere volwassenen in een zaaltje met tl-buizen. Elke week moest iemand uit eigen werk voorlezen. Daar dienden we dan als klas zo constructief mogelijk op te reageren. Telkens ontsponnen zich levendige discussies, maar na mijn verhaal viel er een peinzende stilte. Met mijn ogen zocht ik hulp bij de docent. ‘Mooie stijl, goed thema,’ zei deze na enig nadenken. ‘Maar na die veelbelovende openingsscène ben je me kwijt. De vraag die je je tijdens het schrijven moet blijven stellen is: wat wil ik met deze tekst bereiken? En vooral: wie? Wie ís de “ik” die dit schrijft?’

Een goede vraag.

Opeens moest ik aan mijn moeder denken en haar manier van vertellen waarbij je steevast het gevoel had dat je het contact met haar verloor. Blijkbaar hadden we meer gemeen dan ik dacht.

Vormgeving was cruciaal, begreep ik tijdens de lessen, en deze vloeide weer voort uit het soort contact dat je beoogde. Het ging erom kritisch vermogen te ontwikkelen ten aanzien van je teksten, een ‘redacteursblik’. Je oefende je daarin door ze voor te lezen aan vrienden en kennissen en hun reacties te peilen. ‘Het publiek heeft gelijk,’ had ik een acterende vriendin vaak horen zeggen. ‘Als ze zich vervelen, doe je iets niet goed.’ Ik knikte dan altijd maar wat, maar in mijn hart twijfelde ik aan de houdbaarheid van deze stelling: in ‘het grote publiek’ had ik nooit zo’n fiducie gehad. Door de schrijflessen begreep ik plotseling dat ze had gedoeld op een veel directere vorm van contact.

Eigen teksten diende je te beschouwen als een ongevraagde toenadering. Lezen vergde concentratie en tijd. Je moest de lezer daarom versieren, niet vervelen. De lezer wilde vissen zien, niet de visser. Het resultáátvan het denkproces, niet de beschrijving ervan. De lezer diende, kortom, serieus genomen te worden.

Vooral die ‘wie-vraag’ bleek cruciaal. Het ging erom dat je als schrijver eerst een eenheid vormde, een solide bastion, eer je kon beginnen met het uitzenden van informatie. Pas uit gedegen positionering ontsproot de ware verteltechniek. Als je twijfelde over je positie, deed de lezer dat ook.

Leren schrijven was leren denken.

V

Wanneer mijn moeder naast mijn vader in de auto zat, las ze hardop de teksten voor die we in het voorbijgaan passeerden: ‘Esso’, ‘Houtman Keukens’, ‘afslag Bussum 1000 meter’. Op gedecideerde toon, alsof het antwoorden op quizvragen betrof. Na die cursus begreep ik dat ook mijn moeder moest hebben geworsteld met die ‘wie-vraag’. Haar praten had iets zoekends gehad, een poging zich te positioneren in de buitenwereld. De ander, maar ook voorwerpen om haar heen waren haar ankers, haar referentiepunten. Was het onzekerheid geweest? Of was het gedachteloos ‘vertellen-om-het-vertellen’ een onbewuste strategie, iets dat haar ontsloeg van introspectie, van contact met zichzelf?

Wie was mijn moeder geweest als iemand haar had gezegd: ‘Als je merkt dat de mensen tot wie je het woord richt gaan zwijgen, zuchten of wiebelen, probeer het dan eens over een andere boeg te gooien’? Had ze maar de wijze lessen geleerd die mij waren bijgebracht in de therapiegroep of de schrijfcursus! Ze merkte de onrust wel, ze had alleen geen idee hoe deze te pareren, deed er eerder een schepje bovenop door harder of sneller te gaan praten.

Eens in de zoveel tijd deed mijn moeder iedereen versteld staan. Zo zei ze een keer plompverloren tijdens het achtuurjournaal: ‘Die nieuwslezeres is zwanger.’ De andere gezinsleden keken verstoord op. ‘Dat zie je aan het haar,’ verduidelijkte ze. ‘Dan wil het maar niet zitten.’ We haalden onze schouders op, maar maanden later was de vrouw in kwestie met zwangerschapsverlof. Mijn moeder leek zich nauwelijks bewust van de uitzonderlijkheid van haar opmerkingsgave (en het was nu ook weer niet zo dat ze ineens overal zwangere vrouwen in het straatbeeld aanwees). Haar buitengewone opmerkzaamheid en reactiedwang leken een volstrekt gescheiden bestaan in haar geest te leiden.

Langzaam maar zeker viel mijn moeder stil. Eerst snoerde afasie haar de mond, daarna beroofde alzheimer haar van haar begripsvermogen. Haar zwijgen was voor niemand een zegen. De orde der dingen was zoek: de rangorde in het gezin, haar manier van omgaan met de wereld, onze manier van omgang met haar. Bij ieder gestommel, elke schim die langs het raam liep, iedere ontbrekende knoop aan een boord was er die oude, nutteloos geworden reactie-impuls. Dan opende ze haar mond en trok ze een gezicht alsof ze precies wist wat ze zeggen wilde, maar dan was het alsof een onzichtbare rem actief werd. Haar gezicht vertrok van frustratie. ‘Laat maar,’ zei ze. Of met een wegwerpgebaar: ‘Doet er niet toe.’

De compassie met mijn moeder kwam te laat. Evenals de nieuwsgierigheid naar de vrouw die zich schuil had gehouden onder het oppervlak. Met mijn aandeel in ons gebrekkige contact, alsook met de schaamte die ik soms voor haar gevoeld had, moet ik zelf in het reine zien te komen.

Mariëtte Baarda (1967) won in 2008 de Hans Baaij Essayprijs, publiceerde in o.a. De Groene Amsterdammer en is vaste medewerker van Onze Taal. In 2016 verscheen haar roman Kinderen Waaien Om bij Atlas Contact. Momenteel werkt ze aan het tweede deel, Zondvloed.

Meer van deze auteur