Wie spreekt wil gehoord worden, bij voorkeur niet alleen door zichzelf. En wie in nood is roept om hulp. In de Nieuwe Bijbelvertaling opent Psalm 130 als volgt:

Uit de diepte roep ik tot u, heer,
Heer, hoor mijn stem,
wees aandachtig, luister
naar mijn roep om genade.

De Hebreeuwse tekst geeft aan dat het om een pelgrimslied gaat. De eenzame reiziger, op weg van niets naar niets, bidt de profundis, vanuit het holst van de nacht, om antwoord van God, waarnaar hij meer verlangt ‘dan wachters naar de morgen, meer dan wachters uitzien naar de morgen’. Voor veel psalmen geldt dat ze ingeleid worden met beknopte aanwijzingen voor de uitvoerders: ‘Voor de koorleider. Op de wijs van De rietpijp’ (Psalm 88) of ‘Voor de koorleider. Op de wijs van De lelies. Een getuigenis’ (Psalm 80). Deze liederen zijn immers geschreven om dienst te doen binnen een rituele context. Dichter en lezer identificeren zich met elkaar in hun verlangen naar verlossing.

Dat Gerard Reve zich met de psalmdichter vereenzelvigt, is geen nieuws. De verzameling gedichten waarmee Nader Tot U eindigt, heeft ‘Geestelijke liederen’ als ondertitel, maar er is alle reden ook enkele van zijn prozateksten uit deze periode als psalmen te lezen. De laatste brief uit Op Weg Naar Het Einde geeft in de aanhef de aanwijzing ‘Op de wijze van “Een Duif Van Verre Terebinten”. Voor de orkestmeester. Een kunstig lied.’ Nogal wat psalmen dragen de aanduiding ‘een kunstig lied’, maar de ‘duif van verre terebinten’ (in de Nieuwe Bijbelvertaling vertaald als ‘een roerloze duif in de verte’) stamt uit de instructie bij Psalm 56, een treurig lied waarin een ontheemde en bedreigde stem God dankt voor zijn steun. De ‘Brief Door Tranen Uitgewist’ uit Nader Tot U typeert zichzelf als een ‘herfstlied, of avondzang’. De twee brieven die daarop volgen verwijzen allebei naar Psalm 130. De tweede daarvan, die ook de laatste van het boek is, omschrijft de stemming als volgt:

Ik zal maar beginnen, al weet ik wel zeker, dat het weer één en hetzelfde lied gaat worden. Veel redenen, om de aanwijzingen voor het orkest te wijzigen, zie ik niet, en daarom zal ik ze maar zo laten als ze zijn. Opnieuw dus: Uit de diepten. En, alweer: nadat hij een zeer groot aantal dagen onafgebroken aan de kruik was geweest, nog steeds echter zonder dat je veel bizonders aan hem kon zien. Een zang ook, terwijl hij ferm bleef doorstappen in de richting van de Duisternis, en weer: voor de orkestmeester. Wederom: een Nachtlied. En, meer dan ooit, een lied van overgave, want nimmer was mijn heimwee naar U zo fel, en zo mateloos.

Ik stel voor de twee brievenboeken, die in respectievelijk 1963 en 1966 verschenen, te beschouwen als bundelingen van pelgrimsliederen, waarin de reis, op goed middeleeuwse wijze, een allegorisch karakter heeft. Niet alleen de directe verwijzingen naar de psalmen geven daartoe aanleiding, ook de titels Op Weg Naar Het Einde en Nader Tot U duiden op een pelgrimage. Dat de liederen de vorm van brieven hebben aangenomen, is daarbij niet toevallig, omdat dit bij uitstek een genre is waarin reizigers verslag doen van hun wederwaardigheden. Je schrijft brieven om je te richten tot hen van wie je gescheiden bent, en omdat je geen vaste verblijfplaats hebt, zal hun antwoord je niet bereiken. In dat opzicht doen brieven als deze niet onder voor psalmen of gebeden, waarop men immers evenmin ooit antwoord krijgt. Daarenboven biedt de briefvorm de suggestie van intimiteit: de lezer waant zich als aangesprokene een persoonlijke vriend van de schrijver.

Indien de brieven kenmerken van liederen vertonen, hebben we te maken met hybride teksten. Ook in andere opzichten refereren de boeken aan verschillende genres. Op Weg Naar Het Einde opent met een gedicht, de laatste brief uit Nader Tot U bevat twee gedichten, waarna het werk met een dichtbundel afgesloten wordt. Is de combinatie van proza en poëzie in de twintigste eeuw tamelijk zeldzaam, binnen de literaire traditie van het Avondland is dit geen ongewoon verschijnsel. Reve vond zijn belangrijkste model wellicht in het Oude Testament, maar had de vervlechting ook kunnen aantreffen in Boëthius’ Vertroosting van de filosofie of La vita nuova van Dante. Daar komt bij dat de brieven hun vorm uitbuiten door gebruik te maken van de losse structuur die bij dat genre hoort. Het lijkt alsof je tijdens het lezen getuige bent van het schrijfproces, dat ook vaak gethematiseerd wordt, waarbij de schrijver de vrijheid neemt naar believen uit te weiden of gedachtesprongen te maken, zoals in persoonlijke correspondentie gebruikelijk is.

Belangrijker nog is het grote bereik aan tekstsoorten dat Reve in de brieven heeft geïncorporeerd. Reisverslag, literaire reportage, essay, tirade, satire, kort verhaal, erotische fantasie, confessie in de traditie van Augustinus en Rousseau, mystiek visioen, alles lijkt in deze boeken een plaats te kunnen krijgen, steeds in een bijpassende stijl. Dat Reve daarbij zelfs binnen één zin verschillende stijlregisters tegelijk bespeelt, van het verhevenste tot het banaalste, maakt hem tot de verbluffendste prozaïst van onze literatuur. Het is geen wonder dat liefhebbers van Reve de gewoonte hebben elkaar met citaten om de oren te slaan, waar kenners van W.F. Hermans zelden verder komen dan ‘De portier is een invalide’, en Mulisch-fans bij het horen van de term ‘stijl’ niet eens weten waar je het over hebt. Misschien hangt de citeerbaarheid van Reves zinnen samen met het psalm-aspect: de muzikaliteit en het emotioneel contrapunt nodigen uit tot verklanking, tot meezingen. ‘Voor de orkestmeester. Een nachtlied.’

In de Reve-studie lijken biografische benaderingen de boventoon te voeren. Hoe begrijpelijk dat ook is bij een kleurrijk man als hij was, het zou jammer zijn als de puur tekstuele analyse van zijn oeuvre erbij in schoot. Reve heeft het zelf uitgelokt door zijn leven tot uitgangspunt van zijn proza te maken, om vervolgens, met meer of minder succes, ook zijn leven tot kunstwerk om te vormen. De combinatie van algemeen bekende of gemakkelijk te verifiëren feiten enerzijds en fictie anderzijds draagt bij aan het hybride karakter van zijn werk. Dit mag ons echter niet blind maken voor de kracht van de twee brievenboeken als autonome kunstwerken. Toen ik ze onlangs herlas, werd ik opnieuw verpletterd door de ongehoorde indringendheid van dit proza, of deze poëzie. Onthutsender boeken dan Op Weg Naar Het Einde en Nader Tot U zijn in ons taalgebied niet te vinden.

De compositie van beide werken, die evident in samenhang gelezen moeten worden, is tekenend voor de staat van verworpenheid waarin de verteller zich bevindt. Het gaat om tweemaal zes ‘zangen’, een aantal dat correspondeert met de twaalf apostelen. De man is op weg, hij is een balling zonder zekerheden, een marginale figuur die zich nergens thuis voelt. De ondefinieerbaarheid van de literaire vorm wordt weerspiegeld in de locaties waarop de verhalen zich afspelen: hotelkamers, logeerkamers bij vrienden, treinen en schepen, cafés, havens en het strand – steevast tussenplaatsen, manifestaties van niemandsland. Dat de verhalen een biografische basis hebben, valt niet te loochenen, maar dat is niet wat hun verloop dicteert. De auteur heeft er bewust voor gekozen zijn held, of antiheld, in specifieke omstandigheden te portretteren, waarbij hij de letterkundige vorm heeft aangepast aan de aard van de geselecteerde gebeurtenissen. De symbolische lading van dit proza is belangrijker dan de informatie die het verschaft over Reves persoonlijkheid. Onbepaaldheid op zoek naar een bestemming, zo zou ik de richting van het tweeluik willen omschrijven.

Indien we de twee boeken als een coherente verzameling pelgrimsliederen lezen, valt allereerst op dat ze begint met de prozaïsche werkelijkheid van een congres in Edinburgh, waar de maatschappelijke positie van schrijver centraal staat, om te culmineren in de mythische wereld van Huize Het Gras in de laatste brief en haar apotheose te vinden in de ‘geestelijke liederen’. De verteller legt een traject af van buitenwereld naar binnenwereld, van feiten naar visioenen, van zakelijkheid naar poëzie. De reis verloopt weliswaar niet zonder dwalingen en omwegen, maar vertrekpunt en doel zijn duidelijk: hij komt uit de wereld van geld, macht en status, en is op weg naar een domein in de verbeelding waar hij God hoopt aan te treffen.

Dat het pad door een dal van chaos en versplintering loopt, waar afleiding door zinloze details steeds op de loer ligt, wordt herhaaldelijk benadrukt. De held heeft, vanuit een onbeheersbare drang tot materiële veiligheid, de neiging overbodige spullen te verzamelen. Wanneer die hem door het toeval lijken te worden aangereikt, ziet hij er de vinger Gods in. Na, in de tweede brief, langs de weg een dode haas te hebben gevonden, belijdt hij zijn dankbaarheid voor alles wat hij de laatste tijd van de straat heeft opgepikt. De opsomming, waaraan geen einde lijkt te komen, ademt onmatigheid:

paraplu’s; vingerplanten; eetkamerporselein; een drietal ingelijste litho’s voorstellende respectievelijk Het Net Wordt Uitgeworpen, Volle Manden, en Een Gebed Van Dank; een Engelse sleutel; een doos met 288 plastic dameshakjes; vogelkooien van velerlei soort en grootte; een werkbroek van oersterke, stellig buitenlandse stof, waarin slechts de gulp-ritssluiting behoeft te worden vervangen; een tijdloze – want uit plastic hulst en bessen vervaardigde – kerstkrans; antieke spiegellijsten; glazen, geslepen inktpotten; olielampen; Keulse potten; een achter bol glas ingelijste, gekruisigde Verlosser; diverse mandflessen; een gemakkelijk te repareren stoommachine; zes irrigators; een cither; stroken wit marmer; broekriemen; speelgoedpakhuizen; een onbeschadigde kaleidoskoop; een prachtige weekeindtas met geen ander gebrek dan één losgeraakt hengsel; een koperen carbidlantaren.

Op het eerste gezicht lijkt het een totaal willekeurige uitdragerij, bij nader inzien is het niet moeilijk aan ten minste de helft van de voorwerpen een symbolische betekenis toe te kennen. Een onbeschadigde kaleidoskoop: zou dat geen beeld kunnen zijn voor wat de auteur met zijn werk beoogt? Bestrijken de plastic kerstkrans en de ingelijste Verlosser niet de christelijke heilsgeschiedenis? En dan laat ik de ritsloze broek en de broekriemen nog maar even buiten beschouwing. Met andere woorden: ook in de veelheid valt een essentie waar te nemen, als je maar goed kijkt.

Ook wanneer de verteller zich laat meeslepen door zijn verbeelding, dreigt hij zich te verliezen in steeds absurder details. Direct na de vondst van de haas, op een ijskoude zondagochtend in december, stelt hij zich voor dat zijn brommer niet meer vooruit wil:

Je zal ze zien kijken, de mensen bij wie ik dan, na een half uur zeulen, zou aanbellen, om half acht op zondagmorgen, die eerst zullen denken dat je ze komt vermoorden, en je dan mokkend binnenlaten, waar je eigenlijk niks aan hebt, want de kachel moet nog aangemaakt, maar dat merk je pas als je al in de huiskamer staat die naar veen ruikt en waar een hond, met een ziekte op zijn rug, tegen de schoorsteen ligt; en waar een, wat de onbedekte gedeelten van het lichaam betreft, voornamelijk uit mee-eters bestaande man, van wie het je verbaast dat hij in een stenen huis woont, zich, om te kijken of aanmaken mogelijk is, kreunend voor de kachel voorover zal buigen, waarbij zich een heel ziekenfonds aan de atmosfeer mededeelt, terwijl zijn zeven en dertigjarige dochter met snor, die de helft van haar tanden al kwijt is, in een onbegrijpelijk dialect, door geweldig luid geschreeuw, probeert iets mede te delen of te vragen aan een wezen in een belendend vertrek, vast en zeker de half bedlegerige vrouw des huizes, van wie je bidt dat God de binnenkomst moge verhinderen (hoewel de felste angst die is voor benadering door de hond, welk een hartstochtelijk dierenvriend je ook bent, want de Aandoening, ongeneeslijk want nog onbekend en door een Manke Arend naar onze luchtstreken overgebracht, zal de stof van je broekspijpen verteren, de huid van je bovenbenen in korte tijd doen oplossen in een glazig slijm en daarna Zak en Teelballen aantasten, waarin grote gaten gevreten zullen worden – als ik het, op de terugweg pas, merk, zal de Ziekte, die geen onderscheid kent tussen organiese en anorganiese substantie, reeds in de bromfiets zelf zijn doorgedrongen, zodat het half weggesmolten frame opeens onder me zal doorzakken en mijn lichaam, misschien nog een klein half uur herkenbaar als menselijke vorm, neergesmakt zal worden op het plaveisel).

Ik heb met opzet de hele fantasie geciteerd om te laten zien hoe het bij Reve werkt. Als hij eenmaal op gang is, kan hij niet meer stoppen. Een apocalyptische passage als deze herinnert aan de overvolle schilderijen van Jheronimus Bosch. Wie geplaagd wordt door een verbeelding die hem doorlopend zulke taferelen voorschotelt, moet wel snakken naar eenvoud en verlossing.

Een vergelijkbare stortvloed van onhandelbare details doet zich voor wanneer de verteller in zijn geheugen duikt. Typerend is de ‘Brief In De Nacht Geschreven’ uit Nader Tot U, waarin Reve, na de proloog de profundis, herinneringen ophaalt aan een reeks overleden c.q. vermoorde leraren en medeleerlingen van het gymnasium:

Zo begint weer, onafwendbaar, de voortschuiving van mijn herinneringen, die ik ditmaal besloten heb niet te verzegelen, want misschien is de tijd nabij, waarop al deze ongeloofwaardige en nooit ergens verband mee houdende invallen, nauwlijks verwoordbaar, als flarden van niet voleindigde gesprekken en nooit voltooide, dubbelzinnige beweringen zonder duidelijk herkomst, tezamen gevoegd zullen worden tot een door mij nimmer geweten profetie.

Na de optocht van doden vertelt Reve over een recent bezoek aan kunstenaar Bullie van der K., waar hij, stevig jenever drinkend, terugdenkt aan de begrafenis van tekenaar Thommy G., enkele maanden daarvoor, hetgeen weer aanleiding vormt om herinneringen aan zijn vriendschap met deze kunstenaar op te halen. We duiken steeds dieper het verleden in, zonder echter ooit een stap dichter bij de ontraadseling van het bestaan te komen. De verlossing is een toekomstvisioen, de geschiedenis slechts een afgrond.

Pogingen greep te krijgen op de chaos door ten minste op papier een hechte plot te construeren, worden gefrustreerd door Zinloze Feiten. Reves beschouwing daarover, in de laatste brief van Op Weg Naar Het Einde, is notoir gecompliceerd, omdat hij doelbewust de structurele eisen van verhalend proza laat vervuilen door feiten uit de werkelijkheid, die door een fictieschrijver uiteraard volkomen genegeerd zouden kunnen worden. De fatale verwevenheid van literatuur en werkelijkheid laat zien dat schrijven een existentiële bezigheid is, die elke dag opnieuw wordt doorkruist door gebeurtenissen waaraan met de beste wil van de wereld geen betekenis valt toe te kennen.

De enige remedie om dat op te lossen is zich volledig terug te trekken in het rijk van de verbeelding, en dan niet die van de nachtmerrie, maar die van het mystieke paradijs. In Nader Tot U wordt de ideale literaire tekst enkele malen aangeduid als Het Boek Van Het Violet En De Dood. Beide brievenboeken zouden beschouwd kunnen worden als een voorstudie, een materiaalverzameling of uit de hand gelopen brainstormsessie, voor dat onschrijfbare meesterwerk.

Dat we de boeken tekort zouden doen door ze louter vanuit biografisch perspectief te bekijken, wordt duidelijk zodra we ons openstellen voor de symbolische lading van locaties, gebeurtenissen en ontmoetingen. Ik kan daar slechts een paar voorbeelden van geven.

Op Weg Naar Het Einde opent met een gedicht dat een nieuw begin belooft: ‘Opgehouden met roken, ben ik, acht en dertig jaar oud,/ Begonnen gedichten te schrijven.’ Blijkbaar dient het vervolg als poëzie gelezen te worden. De eerste brief kondigt de thematiek van het werk direct aan: ‘Enige uren geleden heb ik mij uit Amsterdam op reis begeven met bestemming de Schotse hoofdstad Edinburgh’. De Pilgrim’s Progress eindigt in het laatste gedicht van Nader Tot U met de voorstelling van een behouden aankomst: ‘Als gij mij tot het eind toe hebt geleid,/ keer dan terug, en blijf bij Teigetje.’

Dat de verteller nergens bij hoort, komt veelzeggend tot uitdrukking in de locatie van waaruit hij de ‘Brief Uit Schrijversland’ schrijft. Deze beschouwing over de positie van de schrijver is, als we Reve mogen geloven, gecomponeerd aan boord van het schip dat Reve naar Portugal zou brengen, op het moment dat het vaartuig nog afgemeerd ligt in de haven van Rotterdam. De spreker is niet alleen niet thuis, hij is zelfs nog niet echt op reis, hij bevindt zich in zekere zin in limbo. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de naam van het schip Lethe is, een van de rivieren van de Onderwereld.

Het doodsthema, dat bij Reve vrijwel altijd erotisch gekleurd is, heeft in de brievenboeken een prominente plaats. Helemaal in het begin van de ‘Brief Uit Edinburgh’ verschijnt de Dood in de gedaante van een medereiziger:

Zo vaak ik een hut op een schip met een ander gedeeld heb, is het trouwens altijd een jongeman geweest van weliswaar nog een eind onder de dertig, maar met reeds een dik en uitdrukkingsloos gezicht, een lijkwitte huid onder twee lagen ondergoed, een zeer slecht figuur, een nare zeeplucht, en een das met stippeltjes – generlei herkomst, noch enig doel bezittend, en geen enkele opmerking of mededeling van mij begrijpend, zodat ik tenslotte meer en meer neig naar de overtuiging dat het doden zijn geweest, door wraakzuchtige landgoden veroordeeld om in eeuwigheid des nachts over de zeeën te varen.

Een tegenhanger van deze jongen duikt op in de laatste brief van Nader Tot U. Na een fantasie over de Jongensprins der Zeeën troont de verteller een geurloze jongeman mee naar huis, die opmerkelijk genoeg dezelfde voornaam als de auteur heeft. Wanneer de heren in bed liggen, lezen we het volgende:

Ik keek naar zijn kleren op de stoel en op de tafel en bedacht, dat alles nog zo schoon was, dat ik zelfs tegen het dragen van zijn ondergoed zoals het daar lag, geen enkel bezwaar zou kunnen hebben. En opeens had ik de gewaarwording van een nabij gekomen onheil, alsof ik met de Dood naar bed ging, niet met mijn eigen, wel te verstaan, maar met die van een ander.

De van individuele eigenschappen verstoken gast is zowel de dubbelganger van de verteller als een manifestatie van de Dood. Reve lijkt te refereren aan het aloude geloof dat je op het punt staat te sterven wanneer je jezelf in de gedaante van een ander tegenkomt. Overigens versterkt de overeenkomt tussen de passages in de eerste en de laatste brief de indruk dat Reve niet zomaar wat herinneringen achter elkaar heeft gezet, maar het tweetal brievenboeken zorgvuldig tot een geheel heeft gecomponeerd.

Nader Tot U opent met de korte ‘Brief Uit Huize “Algra”’, die als ondertitel ‘De landkruiser’ draagt. De verteller haalt herinneringen op aan de Kroatische arts Petkovik, die, ergens in de jaren dertig, ten huize van de familie Van het Reve zijn plannen had ontvouwd voor de bouw van een reusachtig voertuig dat de Russen aan hun definitieve overwinning op het Westen zou moeten helpen. Het ging daarbij om een ‘holle, aan beide uiteinden gesloten, stalen cilinder van omtrent tweehonderd meter lengte en ongeveer honderd meter middellijn, die men zich liggend, als een gigantiese holle deegrol zonder handvaten dus, moet voorstellen’. Uitgerust met synchroon vurende geschutbatterijen werd de cilinder geacht door het landschap te rollen, maar zelfs zonder artillerie zou het voertuig onoverwinnelijk zijn: ‘het doorwaadde zelfs diepe rivieren en meren, en verpletterde op zijn weg elk gebouw, fort, of welke andere oneffenheid van het terrein dan ook’. Het lijkt niet vergezocht deze anekdote, die centraal staat in de proloog van Nader Tot U, te lezen als aankondiging van de Apocalyps.

Deze interpretatie wordt ondersteund door het slot van de laatste brief, waar het eerste hoofdstuk van het Bijbelboek Jeremia wordt geciteerd. In de Nieuwe Bijbelvertaling staat het zo (Jeremia 1:13-14):

De heer richtte zich opnieuw tot mij: ‘Wat zie je?’ Ik zei: ‘Ik zie een gloeiend hete kookpot die vanuit het noorden overhelt.’ De heer zei: ‘Vanuit het noorden zal onheil over alle inwoners van dit land worden uitgestort.’

Nadat Reve de wederkomst van Christus heeft afgeleid uit de epifanie van drie manifestaties van de Meedogenloze Jongen, zegt hij:

‘Wat ziet gij?’ Ik zag geen ‘ziedende pot, komende van de Noordzijde’. ‘Wat ziet gij?’ ‘Ik zie stoffige ramen, achter geel geworden vitrage, onder oud zonlicht.’ ‘Gij hebt goed gezien.’ ‘Wat hoort gij?’ ‘Soms ja, soms hoor ik een stem. Ach Here! Ik kan wel spreken, want ik ben niet jong meer.’

Direct daarna vertelt hij ineens in te zien dat hij kort tevoren oog in oog heeft gestaan met God zelve:

Nu weet ik, wie gij zijt,
de Jongen die ik eenzaam zag te Woudsend en daarna,
nog op dezelfde dag, in een kafee te Heeg.
Ik hoor mijn Moeders stem.
O Dood, die waarheid zijt: nader tot U.

Significant is hier de plaatsnaam Woudsend. De verteller heeft, als Dante, door een donker woud gedwaald, maar is nu aan het einde van zijn kommervolle boswandeling geraakt. De gedroomde liefdesvriend, God en de Dood vallen samen in een moment van mystieke overgave. Het is echter typerend dat de eenwording slechts plaatsvindt in het visioen van een gemiste kans.

Datgene wat Reve op het oog heeft, ontsnapt hem immers keer op keer, niet alleen als personage, maar ook als schrijver. Dit aspect van zijn werk komt misschien het sterkst naar voren in de gedachtespinsels over de Meedogenloze Jongen, zoals bekend een homoseksuele variant van Keats’ ‘Belle Dame sans Merci’. Laten we eerst vaststellen dat seksualiteit in Reves universum gekoppeld is aan eenzaamheid en onvervulbaar verlangen. De verteller lijkt alleen aan zijn gerief te kunnen komen door geile sprookjes op te dissen, waarin hij zijn lust bovendien vaak op een ander projecteert, die in zijn naam een mooie jongen onderwerpt. Deze omweg om seksuele bevrediging te vinden, die wijst op het algemeen menselijk onvermogen de ander werkelijk te bereiken, staat centraal in Reves schrijverschap: alleen door te schrijven kan men met de ander in contact treden. Liefde is een kwestie van verbeelding. In die zin is de schrijver de enige die waarlijk liefheeft, waarmee hij indirect God dient.

De Meedogenloze Jongen verschijnt voor het eerst in de ‘Brief Door Tranen Uitgewist’, ongeveer halverwege het prozagedeelte van Nader Tot U. Tijdens een bezoek aan Nico V. neemt Reve zich voor dat hij ‘de boeken, verhalen en gedichten zou gaan schrijven over de Schone en Meedogenloze Jongen’, van wie hij zich meteen een beeld vormt, gezeten op een blauw fluwelen Troon in een Grot. Enkele pagina’s verder, vlak nadat hij ‘een dier met mensenoren in een mand in een boom’ heeft zien zitten, wordt hem een visioen geopenbaard, waarin de Meedogenloze Jongen in een tent ligt te slapen. Dat hij een manifestatie van Christus is, lijkt me onmiskenbaar:

Wat kon het betekenen dat hij, de Meedogenloze Jongen, nu zelf even weerloos was als iedere jongen, die hij onderwierp en bezat? Zijn tent was onder de mensen. Het liet zich niet bevatten, want het was het Misterie aller misteriën, woordloos, maar toch zou ik het aan alle koningen, tongen en natiën moeten verkondigen, zo lang als ik nog adem had en leefde.

In de laatste brief maakt de Meedogenloze Jongen deel uit van een Drie-eenheid, bestaande uit een Sloper, een Blauwe en een Bouwer. Ik was, zegt Reve, ‘inmiddels te weten gekomen, dat de blondste en meest meedogenloze, zo dichtbij dat ik bijna op hem toe was gelopen om al was het maar de zoom van zijn keperen broek te kussen, metselaar was’. De passage verwijst naar het evangelie van Marcus, waar sprake is van een aan chronisch bloedverlies lijdende vrouw die zich in een menigte begeeft omdat ze Jezus niet persoonlijk durft aan te spreken. Ze ‘raakte zijn bovenkleed van achteren aan, want ze dacht: Als ik alleen zijn kleren maar kan aanraken, zal ik al gered worden. En meteen hield het bloed op te vloeien en merkte ze aan haar lichaam dat ze voorgoed van de kwaal genezen was’ (Marcus 5:27-29).

De onbereikbaarheid van de Meedogenloze Jongen, die tevens God en de Dood is, wordt weerspiegeld in de onmogelijkheid het ultieme boek te schrijven. Daarom sluit de vorm van Op Weg Naar Het Einde en Nader Tot U perfect aan bij dit tot mislukken gedoemde project. Het zijn brieven gericht tot wie niet antwoordt, hun ogenschijnlijk losse structuur verbeeldt de vergeefsheid van elk aards streven, en hun poëzie is die van de wanhopigste liederen uit het Oude Testament. Geen wonder dat Reve deze magistrale studie in volmaakte voorlopigheid nooit heeft kunnen overtreffen.

Piet Gerbrandy (1958) is dichter, classicus en poëziecriticus. Hij doceert Latijn aan de Universiteit van Amsterdam en is redacteur van De Gids. In 2018 verschenen zijn dichtbundel Vloedlijnen en de essaybundel Grondwater.

Meer van deze auteur