De meetbaarheid van het onnoembare
We vonden hem aangespoeld, even onder de vloedlijn
waar de branding zijn figuren om hem had uitgespoeld
zodat zich een bedding had gevormd waarin hij wegzonk.
Zoals hij daar lag, even kwetsbaar als afstotelijk,
zijn kaal, rauwroze vel losgeweekt van zijn hechtpunten,
konden wij ons niet voorstellen dat hij ooit geleefd had.
Het leek wel of de verschillende dierenfamilies
in hem hun verst vertakte trekken hadden verenigd:
de lederen snavel die over zijn onderlip hieuw,
zijn hoefjes en de vleugels aan zijn schouderbladen,
het scheen allemaal zowel nutteloos als doelbewust
ontworpen voor een doel dat wij niet eens konden raden.
In een plastic zak brachten wij hem naar de snijzaal.
Zijn ingewanden waren nauwelijks opzienbarend.
Zijn maag was gevuld met plankton en kleine insecten,
zijn longen waren afgezet met een algenplakkaat.
Pas bij een tweede onderzoek vonden wij, weggestopt
tussen de plooien van zijn hart, een onbekend orgaan,
donkerblauw gerimpeld, dat tot onze verbijstering
nog niet bleek te zijn afgestorven. We maakten het los
uit zijn lijf en voorzagen het van voeding en zuurstof.
We deduceerden al snel dat het een zintuig moest zijn
zonder een idee te hebben wat het waarnemen kon.
Alle vertrouwde opties vielen af: röntgenstralen,
elektrische velden. We moesten het elders zoeken.
Was dit orgaan mogelijk in staat aan te geven
naar welke kant het leven zich het verst zou uitstrekken
of waar het zijn diepste vervulling zou kunnen vinden?
Maakte het objectief onderscheid tussen goed en kwaad?
Met de dikke zenuwstreng die eraan verbonden was
sloten wij het om beurten aan op onze hersenen
in een uiterste poging zijn wezen te genaken.
We hadden allemaal min of meer dezelfde ervaring:
we werden opgenomen in een grootse beweging
die ons heen en weer slingerde en tegelijk suste,
die onze versplinterde levens samen deed vloeien
tot iets onherleidbaars dat ons uitgeput achterliet
op een vreemde kust waar alles opnieuw kon beginnen.

De nieuwe mens
Allicht hadden de voortekens ons tijdig kunnen waarschuwen
– vissen vluchtten weg uit hun vertrouwde woonplaats in de troggen,
vleermuizen vlogen in paniek te pletter tegen de ruiten,
honden liepen recht op hun achterpoten en spraken in tongen –
als we voor het dierenrijk tenminste nog oog hadden gehad.
Wat moesten wij dus denken toen onze vrienden, onze ouders
na een zevendaagse koorts van hun ziekbed sprongen
met rollende ogen, met wild om zich heen zwaaiende leden
en de straat op renden zonder op hun omgeving acht te slaan.
Niets duidde erop dat zij nog wisten wie zij geweest waren
of dat ze de beheersing hadden over hun situatie.
We richtten vanzelfsprekend quarantainezalen voor hen in
waar wij probeerden hen tot hun oude staat terug te brengen.
We wisten niet hoe. Goede voeding bestendigde de ziekte
terwijl antibiotica de zieke alleen verzwakten
dat die zelfs stierf. Toen er na maanden nog niemand genezen was
en er in ziekenhuizen geen plaats was voor nieuwe gevallen
schreeuwde men om maatregelen die de uitwas zouden stuiten.
De behandeling werd stopgezet en de besmettingshaarden
– van mensen wilde men niet meer spreken – werden voortaan verbrand,
aanvankelijk in daarvoor ontworpen geurloze ovens,
later op ziedende brandstapels in het midden van de stad.

Terwijl de menigten razend voor ons raam langs trokken
op jacht naar het vreemde bloed dat ons van overal bedreigde
werkten wij in onze laboratoria aan de tafels
waarop de paar ons gegunde slachtoffers lagen vastgesnoerd,
Na weken onderzoek met onze dierbaarste apparaten
achterhaalden wij pas de werkwijze van de veroorzaker,
een spirochetenstam die wegens een minieme mutatie
voor zijn overleven afhankelijk was van informatie.
Eenmaal in het lichaam geraakt volgde hij de zenuwbanen
om zich vervolgens tussen het hersenweefsel te nestelen.
Daar strikte hij zich in clusters die de werking van neuronen
in hun eiwit kopieerden, hun positie annexeerden,
om ze daarna door het eigen lichaam af te laten breken.
Zo verving de bacterie ons brein in een week met bedrading
die onze lichamen onschatbare mogelijkheden bood:
de ogen konden van nu af los van elkaar opereren,
een hand hoefde niet meer te weten wat de andere deed.
De ziekte plaatste de persoonlijkheid op andere basis,
maar hoeveel angst sommige aspecten ons ook inboezemden,
we moesten erkennen dat niets wat hen anders maakte dan ons
hun voortbestaan als organisme in enige zin bedreigde,
en dat zij het leven beter leken aan te kunnen dan wij.

Intussen was er vermoeidheid geslopen in de straatwoede
die het niet meer op kon brengen de vuren brandend te houden.
Zieken die men over het hoofd had gezien of ontsnapt waren
bleken toen hun lichaam aan zijn nieuwe gesteldheid was gewend
volledig anders maar toch coherent te kunnen bewegen
en konden ons hun vreedzame bedoelingen kenbaar maken.
Onder ons, de oorspronkelijke mensen, gingen stemmen op
om de aarde onder te verdelen in zones, van elkaar
gescheiden door gedesinfecteerde, mensvrije corridors
of om de opties voor samenleven te overwegen.
Er waren er zelfs die de ziekte als noodzakelijk zagen
in de strijd van de mensheid om haar overwicht te behouden
over dieren, natuurrampen en haar eigen voortbrengselen,
die ieder op zich een veel grotere bedreiging voor ons vormden
dan die ene bacterie die onze aangeboren gaven
niet aanviel of schaadde, maar juist dagelijks wist te verrijken.
Op de dag dat de onderhandelingen werden geopend
zaten de vertegenwoordigers van de twee mensensoorten,
van elkaar geïsoleerd door een hermetische glazen wand,
een eerste keer tegenover elkaar aan dezelfde tafel.
Later zou men deze dag, zo dachten we toen nog, beschouwen
als het punt waarop de mensheid haar toekomst in de ogen zag.

Han van der Vegt (1961) is dichter en vertaler. Hij werkt aan een sciencefictionroman over Julius Caesar, Een fellere zon, en twee dichtbundels, Bouwdoos en Eenzame goden. Het gedicht ‘Eros, Pathos en Catharsis’ in De Gids 2019/3 zou goed een plaats kunnen krijgen in de laatste. 

Meer van deze auteur