Close reading, ‘van dichtbij lezen’, kwam in de jaren twintig van de twintigste eeuw op in het Angelsaksische taalgebied; in de jaren zestig woei het over naar Nederland, waar volgens ­Heinrich Heine alles een halve eeuw ­later gebeurt, dus we waren er vroeg bij. In die lang vervlogen tijd van flowerpower en idealisme gold ‘tekst’ ineens niet meer als geesteskindje van de auteur, maar als uit de lucht ­gevallen ‘taallichaam’, autonome présence. Van zulke lichamen zullen we er een analyseren, volgens Van Dale wil dat zeggen: los-maken, oplossen, ont-leden.

Ontleden? Je kunt een mens, mits dood, anatomisch uiteennemen, hetzelfde geldt voor een dier, terwijl planten doorgaans springlevend worden uiteengerukt en verslonden; maar een taallichaam kun je, o wonder, analyseren terwijl het gewoon in elkaar blijft zitten, als een levende, pulserende, eventueel sprankelende tekst.

Wat eenmaal geschreven is, is onaantastbaar. Iedereen kan er iets aan veranderen, schrappen of verminken, maar in zijn autonomie, als schepping, is het voorgoed geborgd. Daarom, denk ik weleens, schrijven mensen, om vluchtige inzichten of berichten te bewaren, want zelfs al kun je als dichter doodgeschoten worden om je woorden, die woorden zelf zijn onuitwisbaar, in de geest, in de geschiedenis.

Dat sluit meteen aan bij dit gedicht van Willem Jan Otten, waarin vergaan en blijven aan de orde komen. Wat weg is, blijft bestaan. Na de omineuze titel ‘Bij het vernemen dat de esdoorn door de nieuwe eigenaar toch is gerooid’ blijkt dat uit de slotregel: ‘als de maan staat hij niemands eigendom op wacht’. Evenals een boom is een gedicht niemands eigendom. Dat is het democratische idee van close reading.

Ottens taallichaam telt twee strofen van zes regels, afgewisseld met eentje van één en eentje van drie regels: samen zestien. Die een­regelige strofe klinkt zwaar, geladen: ‘Wij lieten hem staan, hij zou ons bewaren.’ De conditionele ­verleden toekomende tijd betekent dat er een afspraak is gemaakt. De boom belooft iets. Mits wij hem onverlet laten. Er is iets Bijbels aan ­’bewaren’. Trommius’ concordantie geeft 228 plaatsen, als werkwoord en als substantief.

En: we horen een echo van Nijhoffs sonnet ‘De moeder de vrouw’, eindigend met: ‘Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.’ Zowel Otten als Nijhoff zijn dichters van spreektaal, van mystiek midden in het alledaagse. De afspraak lijkt in Ottens gedicht te zijn nagekomen: de boom is gekapt (kapotmaken hoort bij ons menselijk tekort), niettemin is hij blijven staan.

Regel één: ‘In het midden van herinnering, verschreven tuin, / daar stond een boom.’ Zelf hoor ik meteen de beginregel van een Engels uitvaartgezang, ‘In the midst of life we are in death’, op muziek van Henry Purcell. De boom is van oudsher een krachtig symbool – in het Egypte van de farao’s al, een zanderig land waar bomen nogal zeldzaam waren. Hun goden troonden bij zonsopgang in… een esdoorn. Bij zonsondergang daarentegen zetelde de godin Hathor (De Heilige Koe) in diezelfde esdoorn. Stel u dat eens voor, een koe in een esdoorn… Zij schiep de aarde en alles wat erbij hoort, ook de zon. Ze kwam uit het gebladerte tevoorschijn, verwelkomde de doden, gaf hun water en brood. Op de takken van de esdoorn zaten de zielen (in de gedaante van vogels), en onbederfelijk esdoornhout diende als laatste rustplaats van de mummies. Mummies – hé – dat rijmt op Ottens woord ‘dummies’ in regel drie!

Betekent dat iets? Heeft ook de dichter het door mij geraadpleegde ‘Compendium van rituele planten in Europa’ benut? Hebben we een tekstbron bij de lurven? In elk geval hebben we een virtueel rijm – mummies/dummies. Dat versterkt de resonantie, met dank aan de esdoorn, al komt de grote echo uit het boek Genesis, de Hof van Eden met de boom van kennis van goed en kwaad, en de levensboom. Zoals ook dat woord ‘verschreven’ virtueel rijmt op ‘verdreven’ – de mensen zijn immers verdreven uit het aards paradijs, ze moesten, net als Otten, verhuizen. En werden sterfelijk. In the midst of life.

Verschreven betekent volgens Van Dale: ‘overgeboekt naar de bankrekening van iemand anders’. Dat doe je bij verkoop van huis en tuin. Een verschrijving kan ook een schrijffout zijn, een vergissing, opzettelijke misgreep – zwendel al bijna, als God te bedotten zou zijn; maar er is nog een betekenis: als twee mensen verschreven zijn, zijn ze voor de wet in ondertrouw, belovend elkaar te huwen. Zoveel meerduidigheid, hier tussen belofte en bedrog: genot van poëzie.

Regel drie: ‘waar zonen zijn geboren’ – ­wederom verwijzend naar Genesis, de eerste aardse zonen, Kaïn en Abel. En: ‘dummies’ – ­ingebonden boek met blanco bladzijden waarin schrijvers vaak kladjes en invallen noteren – ik kan het niet helpen, ik hoor ook ‘dommies’: ­Ottens Adam en Eva zijn enorm dom dat ze zich uit hun paradijs lieten verdrijven door de verleidelijke woorden van de slang die ongetwijfeld een kolossaal bedrag bood.

U merkt dat ik me laat indoctrineren door de woorden ‘tuin’ en ‘boom’. Dat bewijst hoe subjectief lezen is. Er zijn natuurlijk ook objectieve aspecten.

Zo is er in de eerste strofe een symmetrie in het aantal heffingen – de beklemtoonde lettergrepen – per regel: 7 – 5 – 6 – 7 – 5 – 6. En: in regel vier bespeuren we bij hardop lezen een hupje tussen gekóókt en klépper; alsof precies daar en dan de poes door het kattenluikje springt, aangelokt door de geur van de in wijn gekookte mosselen. Twee heffingen achter elkaar aan, voor- en achterpoten. Een ritme-­onomatopee, als het ware.

Maar – mosselen in wijn gekookt? Alweer kan ik het niet helpen: ‘mosselen’ doet denken aan het vrouwelijk lustorgaan, en wijn – mannelijk zaadvocht? Wordt hier gezinspeeld op vurig liefdesverkeer, waaruit de kinderwagen te verklaren zou zijn? Terug naar de boom: ‘Hij stond er toen we onze intrek namen / niemands eigendom een wachter als de maan’. Een mooie verstilling na huiselijke bezigheden.

Doorheen het gedicht als geheel verkleurt de wolk van assonerende oo-ôh-klanken (stond – hoorde – verkochte – zonen – geboren – vol – mosselen – gekookt – stond) langzamerhand naar een klankfloers van aa-âh-klanken (namen – wachter – maan – staan – bewaren – aan – nachtelijk – slaap – kamer – raam – paar – jaar – blad – wagen – myriaden – stam – staat – graf – gaat – maan – staat – wacht). Omdat in het eerste gedeelte ‘boom’ kernwoord is, en naar het eind toe het woord ‘graf’ ons wacht? Boom leven, graf dood?

Precies halverwege staat de wonderlijkste formulering: ‘Spoelt per gelukzoeker een esdoorn aan.’ Is dat ‘per’ op te vatten als in ‘per auto’, ‘per fiets’? Is de gelukzoeker dat ene esdoornzaadje uit talloze miljoenen, zwevend op zoek naar een plek om te ontkiemen, boom te worden? Of moeten we het zo lezen dat er voor elke gelukzoekende mens één esdoorn komt aangedreven over de levensrivier, timmerhout voor zijn Arke Noachs? Zo ja, dan verleent ‘nachtelijk geruis’ in de volgende regel dat aanspoelen een licht oceanische klank, met de slaapkamer als zinnebeeld van bed als bootje, ark, met de duiven als beproefd symbool van vrede en liefde. Beschutting, bewaard-zijn.

Leidend naar lofzang, op vruchtbaarheid, vermenigvuldiging: ‘wemeling van blad’ verbeeldt veelheid, net als de ‘myriaden’. In regel twaalf krijgt vruchtbaarheid een drievuldig paaseierrijm: eind – mei – bij, in regel dertien stokkend in ‘gespijkerd’. Flits van boom als kruishout, Jezus’ verwonde voeten…

Schrikbarend: ‘myriaden bij’ – dat enkelvoud na meervoud. Emily Dickinson is de enige bij mijn weten in wier poëzie ‘de bij’ als eenling voorkomt, met als bekendste regel, in Amsterdam op een gevel te lezen: ‘Het maken van een wei vereist één klavertje en één bij.’

Eén gedicht, en de dummy is vol notities over aspecten, echo’s. Maar elke dag een ommetje erdoorheen, als door een tuin, altijd andere details, bij nieuwe lichtval – dat kan ook.

Willem-Jan Otten

BIJ HET VERNEMEN DAT DE ESDOORN DOOR DE NIEUWE EIGENAAR TOCH IS GEROOID

In het midden van herinnering, verschreven tuin,
daar stond een boom. Hij hoorde bij ’t verkochte huis
waar zonen zijn geboren, dummies vol geschreven,
mosselen in wijn gekookt, klepper kattenluik.
Hij stond er toen we onze intrek namen,
niemands eigendom een wachter als de maan.

Wij lieten hem staan, hij zou ons bewaren.

Spoelt per gelukzoeker een esdoorn aan,
een nachtelijk geruis door het slaapkamerraam,
een koerend duivenpaar elk jaar,
een wemeling van blad recht boven de kinderwagen,
een grote gons eind mei om bloesem van myriaden bij,
een vogelhuisje zonder mezen gespijkerd in de stam,

staat er een boom in iedereen die verder moest,
is hij wat nooit mee het graf in gaat,
als de maan staat hij niemands eigendom op wacht.


Anneke Brassinga (1948) werd aan de Universiteit van Amsterdam opgeleid tot literair vertaler en vertaalde werken van Nabokov, Plath, Diderot, Broch en vele anderen. Sinds 1987 wordt haar eigen werk, proza en poëzie, uitgegeven door De Bezige Bij. In 2015 ontving zij voor haar poëtisch oeuvre de P.C. Hooft-prijs.

Meer van deze auteur