Uit het niets begon de man tegen hen te schreeuwen. ‘Dat hij een uniform droeg, ook al was het niet het soort uniform dat respect afdwong, maar dat hij daar een specifieke taak had, dat het zijn rol was om de orde te bewaken,’ zegt Alex later, als hij het verhaal weer eens aan anderen vertelt, ‘dat maakte het des te angstaanjagender.’ Meer dan eens hoort ze die woorden, op verjaardagen en tijdens dit soort avondjes, het verhaal is deel geworden van zijn repertoire. Ze luistert naar hem en zegt niets, knikt onwillig als hij haar expliciet vraagt om bevestiging. ‘Toch Soph, het was angstaanjagend hè?’

Ze herinnert zich het moment, herinnert zich haar angst. Maar het is angst gemengd met ongemak, en dus zou ze er zelf nooit iets over zeggen, hoewel het incident nog vaak in haar gedachten opduikt. Dat weekend werkte ze aan de vertaling van een weerbarstige tekst, ze slaagde er niet in om de woorden in het Nederlands te laten klinken op een manier die met het Engels vergelijkbaar was, haar zinnen klonken houterig, gemaakt. Toen haar frustratie te hoog opliep was ze met Alex naar buiten gegaan om een ijsje te halen, in de hoop dat de oplossing zich onderweg zou aandienen, zoals je je soms plot-seling een naam herinnert als je er niet meer naar zoekt. De machtigen gebruiken geweld wanneer er iets wordt aange-raakt waarvan ze niet willen dat het wordt aangeraakt. In het Engels stond er the powerful, en ze had gespeeld met het woord machthebbers. Maar dat deed denken aan politieke leiders, beroepspolitici, terwijl de tekst over iets groters ging, over de manier waarop idealisme werd getolereerd mits het de orde niet verstoorde, gevestigde belangen niet verontrust-te. Een utopie die daadwerkelijk effect kreeg, hoefde zelden lang te wachten op de hand die haar vernietigde.

Tijdens etentjes zoals deze, met Alex’ academische vrienden, borrelde haar cynisme op als maagzuur. Soms vroeg ze zich af of iemand uit het bedrijfsleven beter bij haar had gepast, omdat het egoïsme daar tenminste open en bloot voor iedereen geëtaleerd werd. Alex’ collega’s daarentegen leken daadwerkelijk te geloven dat ze de wereld beter maakten. Zelfs dege-nen die – zoals Alex – het spel wisten te spelen, de juiste woorden noemden, de juiste mensen kenden, en zo de juiste hoe-veelheden geld naar binnen harkten, zelfs Alex had de illusie dat hij dat alles deed voor het nut van het algemeen. Niet dat zij recht van spreken heeft: van haar werk zouden ze niet kunnen leven.

‘Hoe zit dat nu bij jou,’ vroeg een van de mannen eerder die avond aan haar, ‘is er nog werk te vinden, ik bedoel, eerst le-ken die Google-vertalingen nergens op, maar das war einmal, van een goede machinevertaling merk je niets meer.’

De inspanning die het haar kostte om hem niet aan zijn nonchalant opengelaten overhemd over zijn bord met coquilles heen te trekken. Om in plaats daarvan de tafel te verlaten, de tuin in te lopen en op gedempte toon de kikkers te vertellen dat niemand het zou merken als van de ene op de andere dag het merendeel van Alex’ collega’s wereldwijd door robots werd vervangen, met hun voortdurend herhaalde jargon, hun angstvallig gebruik van geijkte namen, die paar goed klinken-de zinnen uit een boek dat niemand in zijn geheel gelezen had.

Maar de voortdurende vraag hoe je kunt leven in een wereld die je tegenstaat, het besef dat die haat aan jou ligt, dat de rest uitstekend binnen het systeem kan leven.

Lotte Schröder

‘Kankerheks,’ zegt Alex. ‘Die verkeersregelaar zei “kankerheks” tegen Sophie, terwijl ze hem juist bedankte dat we konden oversteken, omdat hij daar stond, omdat ze blij was met zijn werk. Maar kankerheks en dat ze moest opschieten en doorlo-pen en nog een keer schold hij haar uit voor kankerheks en daarna begon hij tegen mij te schelden en we stonden daar dus midden op de weg en hij komt naar me toe en ik denk dat hij me wil slaan, want hij is zo ontzettend boos, die man, hij is zo boos en hij blijft maar schreeuwen.’

‘En jullie hadden helemaal niets gedaan?’ vraagt Kara ongelovig. Ze is een van Alex’ UD’s, ze zal nooit boven die status uit-stijgen. Alex klaagt er geregeld over dat ze niet weet hoe ze voor zichzelf op moet komen, ze is veel te precies, ze werkt te traag. Het tergt hem, hij geeft om kansengelijkheid aan de universiteit. ‘Jullie hadden niet genegeerd wat hij zei, waren niet door rood gelopen of zoiets?’

‘Nee,’ roept Alex, die inmiddels goed in zijn verhaal zit. ‘We waren onschuldig als pasgeboren kinderen, we hadden niets gedaan! Wie wil er nog wat wijn?’

Hij schenkt zijn gasten bij, hij is nog altijd aantrekkelijk, nu nog meer dan overdag omdat het kaarslicht de rimpels verbergt die hij onderweg heeft opgedaan. Hij is kwetsbaarder dan hij lijkt, haar onuitgesproken cynisme ondermijnt hem. Haar twij-fels raken hem pijnlijk, ze maken hem onzeker en vaker dan vroeger vermijdt hij haar blik.

‘Zelf,’ zegt Alex, ‘zouden we de politie nooit gebeld hebben. Maar Sophie wilde wel met de aannemer praten, het bedrijf dat hem had ingehuurd. Want zoiets is natuurlijk levensgevaarlijk, niet alleen voor ons, maar ook voor die man zelf. En eer-lijk is eerlijk, ze stond te trillen op haar benen, want die aanval kwam echt uit het niets.’

‘En jij, Alex?’ vraagt Martin, hoogleraar zoals Alex en zijn directe concurrent. ‘Stond jij ook te trillen?’

‘Ik tril nooit, dat zou jij inmiddels moeten weten.’

Er wordt hard gelachen. Onzekerheid is als bloed dat de haaien aantrekt, maar hij heeft het nog, Alex, hij weet het te ver-bergen. Soms denkt hij hardop over het leven dat ze later zullen leiden, na zijn pensioen. Maar hoewel ze het geen van bei-den toegeven is dat vooruitzicht ondenkbaar, hij is verslaafd aan de universiteit die hij geregeld zegt te haten. ‘Dus zijn col-lega stuurt ons naar hun supervisor, aan de overkant. En terwijl we daar staan komen er twee andere mensen naar ons toe, jonger dan wij, studenten denk ik.’

‘Dat is inderdaad wel een heel stuk jonger’ – opnieuw Martin. Alex negeert hem, en de rest van de tafel doet hetzelfde. ‘En die zeggen dat ze op de politie wachten, dat diezelfde man in hun gezicht gespuugd had, zomaar. Dus daar staan we, en wachten. Want de politie had het natuurlijk te druk.’

Nu wordt er instemmend gemompeld, iedereen weet dat de politie nooit is waar je zou willen dat ze is. Het onderwerp is zo veilig als het weer, niemand kan er iets op tegen hebben als je daarover klaagt. Terwijl ze aan de rand van de weg op de politie wachtten, waren ze met de supervisor in gesprek geraakt. Het was een aardige vent, die na het horen van hun verha-len de eerste man over de portofoon had gesommeerd om te stoppen met werken. De zon scheen, de sfeer was gemoede-lijk. De politie zei dat ze zou komen en kwam niet, een politieauto reed voorbij zonder te stoppen. ‘De collega’s van waak-zaam en dienstbaar,’ zei de supervisor, ‘nemen het niet zo nauw met onze veiligheid. Ik had een keer dat er een vrachtwa-gen over mijn voet reed, en daar is nooit iets mee gedaan. Niet gezien, zei die chauffeur. Tsja.’

De verkeersregelaar stond op enige afstand, een auto van het bedrijf tussen hen in. Na een tijdje begon hij hen te filmen met zijn telefoon en het jonge stel belde nogmaals de politie, zei dat de situatie bedreigend begon te worden. ‘Nou,’ had Sophie gezegd, ‘bedreigend…’ Maar ze zei het zacht en wist niet of iemand haar hoorde. Over de portofoon waarschuwde de supervisor dat ‘de collega’s van waakzaam en dienstbaar’ naar hem toe gestuurd kunnen worden. Direct daarna kwam er een tweede verkeersregelaar achter de auto vandaan, die tegen de supervisor begon te schreeuwen. ‘Wat moet de poli-tie hiermee? Zij luisteren niet, ze schelden hem uit voor kutmarokkaan en daarvoor moet de politie komen?’

De supervisor zei dat hij zich erbuiten moest houden. ‘Wat,’ had Alex verontwaardigd gefluisterd. ‘Het is niet waar wat die man zegt, het is gewoon niet waar.’

Het was niet waar. Maar ze was zich plotseling scherp bewust van haar eigen witte huid, van de lijn die hier liep doordat zij alle vier wit waren en de supervisor ook, maar de twee verkeersregelaars niet. Ze vroeg zich af of het een strategische leu-gen was, of dat de man het scheldwoord zo vaak had gehoord dat hij het nu ook hoorde als het niet gezegd werd.

Ook de politie was wit. Toen er opnieuw een politieauto verscheen werd die naar hen toe gedirigeerd, al bleken de agenten niets te weten van de oproep. ‘Jonge jongens,’ zei Alex, ‘ja, Martin, ik zal het zelf maar zeggen: ze waren jong genoeg om mijn studenten te kunnen zijn.’

De ene dan, die een verontschuldigende houding en een zachte stem had en misschien nog in opleiding was en weinig ge-zien had. De andere agent was ook nog jong, maar ouder dan de eerste, en niemand zou hem aanzien voor een student. Ze vroegen wat er aan de hand was, handen losjes rustend op hun koppels en het was alsof de agenten ouders waren en de rest van hen nog kind. Daarna vroegen ze naar hun identiteitsbewijs.

‘Straks worden wij zeker bekeurd,’ zei een van de studenten, maar niet brutaal, niet op een manier waar iemand aanstoot aan kon nemen, en de agenten lachten vriendelijk. Sophie vroeg zich af hoeveel ze konden zien toen ze hun paspoorten scanden, hoe ver hun database terugging. Of er nog in stond dat ze op een ochtend in paniek de spoorwegpolitie had aan-gesproken omdat ze zo diepongelukkig was dat ze zichzelf niet weg kreeg van het spoor, waarna de agenten haar niet meer uit hun benauwde EHBO-hokje wilden laten gaan tenzij ze iemand vond die haar kon ophalen. Dat was jaren geleden. Maar als het nog in hun systeem stond – wat haar waarschijnlijk leek, want sinds wanneer waren instanties geneigd om iets te vergeten – beïnvloedde het ongetwijfeld hoe ze haar zouden zien, wat ze van haar woorden zouden geloven. Ook, nog lan-ger geleden, nog gênanter, was er die keer toen de buren de politie belden omdat Alex en zij tegen elkaar hadden ge-schreeuwd, wat onzin was geweest en nog in het vorige huis, godzijdank waren de muren hier dikker en de buren niet over-gevoelig. Het gezicht van de agent was ondoorgrondelijk, zijn stem klonk nog precies hetzelfde toen hij haar het paspoort teruggaf. De studenten begonnen over het doen van aangifte.

‘Je kunt het doen,’ zei de agent, ‘ik kan je niet zeggen dat je het niet moet doen. Maar er zal niets mee gebeuren en het kost iedereen veel tijd.’

Ondertussen was zijn partner teruggekomen van de verkeersregelaar, die nog steeds achter de auto stond. ‘Hij zegt dat jullie niet naar hem luisterden. Hij zegt dat jullie hem uitscholden voor kutmarokkaan.’

‘Maar dat is dus gewoon niet waar,’ zei Alex.

Nogmaals vertelden ze hoe het in werkelijkheid was gegaan. Dat Alex weliswaar even had gesuggereerd om gewoon door te fietsen, omdat het verkeer op dat kruispunt zonder verkeersregelaars veel soepeler doorliep. Maar dat ze die optie met-een hadden verworpen, ‘want die mensen krijgen genoeg shit over zich heen, dat weten wij natuurlijk ook’. Dat de ver-keersregelaar dat misschien gehoord had en als dat zo was dan speet het hem echt, maar dat verklaarde nog niet waarom hij het jonge stel bespuugd had, zonder enige reden.

‘Het is niet onze taak om te bepalen wie er gelijk heeft,’ zei de agent. ‘Wij komen hier nadat alles al is gebeurd, en het is jullie woord tegen het zijne.’

‘Maar wij kennen elkaar niet, hè,’ zei Alex nog eens, wijzend op de studenten. ‘We hebben elkaar nog nooit gezien.’

‘Het punt is, het is ook voor hem gevaarlijk,’ had Sophie gezegd. ‘Misschien is er psychisch iets met hem aan de hand, en voor hetzelfde geld reageert iemand de volgende keer door een mes te trekken.’

De oudere agent was nu merkbaar ongeduldig. Ze hoorde zichzelf praten, hoe ze haar best deed om redelijk te zijn, hoe graag ze gehoord wilde worden. Ze zou zichzelf ook niet geloven. ‘We maken er een melding van, dus als er nog eens iets gebeurt, dan zien de collega’s dit ook. En we kunnen hem vragen of hij zijn excuses aan wil bieden, maar dat is natuurlijk aan hem.’

‘Dus zo ging het,’ zegt Alex. ‘Die man komt met die agent achter de auto vandaan, hij biedt braaf zijn excuses aan, we geven elkaar allemaal een hand, en dat was alles. Maar het was een bizar voorval.’

‘Ja, zeg, wat bizar,’ wordt aan tafel gemompeld.

Nog meer dan de rest van die situatie had het geven van die hand haar aan de kleuterschool doen denken, het sorry omdat het moet. Laatst hoorde ze een podcast over een Amerikaanse school die een tattle telephone aan de muur had gehangen, omdat de juf gestoord werd van alle onrechtvaardigheden waarover de kleuters tegen haar hadden geklikt. Weten waarover je niet kon klagen hoorde bij het opgroeien. Ze keek naar de verkeersregelaar, die naast de agent plotseling was veranderd in een onschuldige, gedweeë figuur. Ze zou er iets om verwedden dat hij vroeger geslagen werd. Nu het te laat was besefte ze dat ze hem wellicht had beschermd tegen een denkbeeldige toekomstige messentrekker, maar dat het bedrijf hem nu niet meer zou bellen. Morgen zou hij een nieuwe en ongetwijfeld even onzekere en slecht be-taalde baan moeten gaan zoeken terwijl zij zich boog over de vertaling van Utopie als methode.

Nu hij zijn verhaal heeft afgerond schenkt Alex een nieuwe ronde wijn in, ze proosten ­lachend voor een foto. Van oudsher niet erg goed met mensen heeft ze nu nog steeds de neiging om om te fietsen als ze mannen in fluorescerende hesjes ziet. Na een tijdje waren de kleuters teleurgesteld geraakt in de tattle telephone, omdat die wel naar hen luisterde, maar nooit iets met hun klachten deed. Onderweg naar huis hadden Alex en zij de situatie om- en omgekeerd, zich honderd keer afgevraagd wat ze anders hadden kunnen, hadden moeten doen. ‘Het is natuurlijk onzin,’ zei Alex. ‘Hij heeft dat filmpje van zijn telefoon gehaald toen die agenten daarom vroegen, maar tegen die tijd kon het al overal zijn.’

‘Ja,’ antwoordde ze, haar blik gericht op de witgeverfde brug, de reling die ze losjes volgde met haar hand. ‘Overal.’

Wytske Versteeg (1983) schrijft romans en non-fictie. Haar werk is vertaald in zes talen en werd bekroond met o.m. de BNG Bank Literatuurprijs en de Frans Kellendonk-prijs. Haar recentste boek Verdwijnpunt (2020), een persoonlijk en filosofisch essay over trauma, haalde de longlist van de Boekenbon Literatuurprijs. Versteeg is redacteur van De Gids.

Meer van deze auteur