‘Woman is that creature who puts the inside on the outside. By projections and leakages of all kinds – somatic, vocal, emotional, sexual – females expose or expend what should be kept in. Females blurt out a direct translation of what should be formulated indirectly.’
– Anne Carson, ‘The Gender of Sound’, Glass, Irony & God

Dit is niet het essay dat ik wil schrijven. Een essay schrijven is beginnen met een stuk of zes boeken voor je op tafel, en dan opschrijven hoe ze met elkaar verbonden zijn. Dat is wat Anne Carson zegt over haar essays en het is ook de wijze waarop ik dit essay wilde schrijven. Ik wilde ‘The Gender of Sound’ koppelen aan bezwerende, repetitieve schrijfsels van Louise Bourgeois, songteksten van Fiona Apple, nog een ander essay van Anne Carson, academisch werk van Hélène Cixous en Catherine Clément over hekserij en hysterie en écriture féminine, de hedendaagse literatuur, mijn moeder… maar dat essay is voor later en elders, hier regeert de woordlimiet.

Anne Carson is een gerenommeerde classica die haar essays, net als haar gedichten, doorgaans schrijft vanuit haar extensieve kennis van de Griekse oudheid, die teksten waar in onze tijd nog steeds groot belang aan gehecht wordt omdat ze de basis zouden zijn van onze westerse beschaving. Juister zou zijn te zeggen dat ze de basis zijn van ons westerse patriarchaat. Tegenwoordige tijd. Elke vrouw die ‘The Gender of Sound’ leest, zal opmerken dat het enige dat veranderd is, de manier is waarop vrouwen afgestraft worden voor hun ‘lekkages’. Elke vrouw die ‘The Gender of Sound’ leest, werd al ooit de mond gesnoerd. Of, als het voor onze ‘bestwil’ is, geadviseerd de mond te houden.

De vrouw heeft twee monden, een bovenste en een onderste, een waarmee onuitsprekelijke dingen gezegd worden en een waarmee onuitsprekelijke dingen gedaan worden. Eens geopend en actief kan de onderste mond zich nog slechts sluiten rond het zaad van de man – ‘the good silence of conception’. Ook de bovenste mond moet gereguleerd worden door de man. De vrouw zelf kent namelijk geen controle, geen zelfbeheersing. De vrouw is een lekke kan. De vrouw met al haar schrikbarend oncontroleerbare fysieke cycli, met al haar bloed en melk en geschreeuw, staat nog dichter bij de wereld van de dieren dan bij die van de ontwikkelde mens (lees: de man). De vrouw is dat wezen dat al wat vanbinnen zit naar buiten lekt. De man is die mens die het binnenste binnen houdt, een blokkade opwerpt tussen binnen en buiten. De mannelijke deugd sophrosyne of zelfbeheersing, legt Anne Carson uit, is erop gericht het buitenste van de man te scheiden van dat wat er vanbinnen gebeurt. De man breekt het verband, het verbond, door er de logos tussen te schuiven, en de belangrijkste censor van de logos is ‘the rational articulation sound’. Elk geluid dat we maken is een stukje biografie, stelt ze, het komt uit een volkomen privé binnenste, maar is gericht op openbaarheid, een stukje binnen naar buiten gegooid. Het censureren daarvan is de taak van een patriarchale cultuur die (zoals we hebben gezien) de mensheid opsplitst in twee soorten: zij die zichzelf kunnen censureren en zij die dat niet kunnen. De vrouw kan het niet dus is het de burgerplicht van de man om haar te reguleren. De sophrosyne van de vrouw is haar gehoorzaamheid aan de mannelijke controle.

Anne Carson verhaalt van verschillende manieren van de oude Grieken om hun lekkende vrouwen te reguleren. Vele daarvan kwamen neer op het strikt ritualiseren tot vaste momenten van catharsis. Laat de vrouwen op (door mannen) geregelde tijdstippen, gelegenheden en plaatsen (ver van mannen) maar eens goed schreeuwen en al hun binnengehouden emoties uitdrijven, daarna zullen ze gezuiverd zijn, weer kalm en bestuurbaar.

Zo waren er bijvoorbeeld wetten om het tijdstip, de plaats, duur, choreografie, woorden etc. van hun klaagzangen bij begrafenissen te reguleren want, zoals Plutarchus het formuleerde, deze ruwe en barbaarse geluiden moedigen oproer en losbandigheid aan. ‘Female sound was judged to arise in craziness and to generate craziness.’

Een interessant terzijde dat Anne Carson hierbij aanstipt is: als elke publieke uiting van vrouwen altijd maar beperkt wordt door culturele regels en wetten, als vrouwen altijd maar het uiten van irrationele geluiden en rauwe emotie toegewezen krijgen, dan kan het niet anders dan dat hun zogenaamde ‘natuurlijke’ neiging tot gillen, huilen en jammeren, tot emotioneel vertoon en oraal oproer een selffulfilling prophecy wordt.

Een van die geritualiseerde vocale uitingen was de ololyga, een hoge, schrille, ijzingwekkende schreeuw die de kreten van intens plezier of intense pijn (zoals bij geweld, seks, baren, rouwen…) evoceert, en die alleen geuit mocht worden tijdens de vrouwenfestivals ver buiten de stad, ‘where women could disport themselves without contaminating the ears or civic space of men’.

Zoveel eeuwen later kijkt Freud er nog niet al te anders tegenaan (mijn vertaling van Anne Carsons vertaling van een fragment uit een brief van Freud aan zijn collega Silberstein): ‘Een denkende man is zijn eigen wetgever en biechtvader en verkrijgt zijn eigen absolutie, maar de vrouw… heeft geen ethische maatstaf in zichzelf. Ze kan alleen handelen als ze binnen de grenzen van de moraliteit blijft, zich houdt aan wat de samenleving als betamelijk heeft bepaald.’

Wordt een vrouw onder al die onderdrukking hysterisch, dan heeft Freud (en collega Breuer) de gepaste catharsis-oplossing klaar: laat haar onder hypnose al haar onuitsprekelijke dingen uitbraken in de veilige handen van de psychoanalyticus (Carson: ‘patriarchal order like a well-intentioned psychoanalyst seems to conceive its therapeutic responsability as the channelling of this bad sound into politically appropriate containers’) daarna is ze ‘weer perfect kalm en aangenaam, makkelijk te hanteren en beheersen, vlijtig en zelfs vrolijk’.

Hysterie is allang een gemeenzaam scheldwoord. Het patriarchaat is geslaagd wanneer de mannelijke norm sophrosyne niet alleen opgelegd wordt als algemeen menselijke norm, maar als ook vrouwen deze norm geïnternaliseerd hebben, zichzelf gaan censureren en elkaar controleren en afstraffen. Doe eens niet zo hysterisch. Wees kalm. Beheers uzelf. Niemand zal u ernstig nemen als u geen totale zelfcontrole kunt uitstralen. Houd uw emoties binnen, ze zijn uw zwakte. Alleen de rede kan u redden. Zwijg liever voor ze gechoqueerd zijn, kwaad worden, u weerzinwekkend vinden. Houd in godsnaam op met lekken!

Aan het eind van haar essay bekent Anne Carson dat ze zich vragen is beginnen stellen bij die sophrosyne van de oude Grieken. Of het wel echt het antwoord is op onze vragen over menselijke goedheid en de dilemma’s van wellevendheid. ‘I wonder if there might not be another idea of human order than repression, another notion of human virtue than self-control, another kind of human self than one based on dissociation of inside and outside.’ Zelf stel ik me de vraag niet meer. Ik ben ervan overtuigd dat het hoog tijd is voor verandering. Als er iets is dat al die eeuwen aan patriarchale sophrosyne aangetoond hebben, dan is het dat deze deugd niet deugt, dat deze norm de mensen, van welk gender dan ook, schaadt. Het is hoog tijd dat emoties niet langer als een zwakte beschouwd worden, als het lekken van de kan. Het is tijd voor een evenwicht, een samenspel tussen binnen en buiten, een duet van rede en ololyga.

Caro Van Thuyne (1970) leeft en schrijft in het Houtland achter de Vlaamse kust. In 2018 debuteerde ze met de verhalenbundel Wij, het schuim. In januari 2021 verscheen de roman Lijn van wee en wens.

Meer van deze auteur